Nederlands proza

BOEKEN NR. 9, OKTOBER 2017

Vincent Van Meenen: Tuin

door Laurent De Maertelaer

De tuin leeft, ik ben tuin

Waar de jonge theatermaker en voormalige Write Now!-laureaat Vincent Van Meenen (1989) in zijn romandebuut Licht en geluid (2016) zijn hoofdpersonage begiftigde met een onstilbare wanderlust, kiest hij in opvolger Tuin resoluut voor het tegenovergestelde. Deze feeërieke novelle is een bevreemdend huis clos over een jongeman die gevangen zit in een tuin waarvan de poort open staat.

Dichterlijk, dromerig en gevoelig is dit verhaal zeker en vast. Eenmaal in zijn lustoord valt de naamloze verteller van de ene lyrisch makende verbazing in de andere. Hij verwondert zich als een kind over de cipressen, de bloembedden, de grasperken en de bakstenen muur die in een halve cirkel omheen de idyllische tuin loopt, ‘als een Romeins theater’. Zelfs het aftandse houten tuinhuisje is een bron van vreugde en verstomming. De verteller eigent zich de tuin toe, verpandt er zijn hart aan en vestigt zich in de vervallen serre, palend aan het terras:

‘De poort aan het einde van het kasseienpad ontwaar ik ook in het duister, al is er geen vezel in mijn lijf die eraan denkt om die te gebruiken. Waarom zou ik ook? Hierbinnen voel ik me prima.’

Hij overleeft op koffie en aardappelen (‘In Hongarije eten ze ook alleen aardappels, dat heb ik in een film gezien’), hoewel het winter wordt en de dagen aan het korten zijn. Gelukkig is er in de serre een aftands kacheltje en slingeren er enkele muffe dekens rond. Het is niet duidelijk of de tuin ‘privé-eigendom of openbaar bezit betreft’: de verteller doet hem af als een soort schuiloord: ‘Op enkele buurtbewoners en toevallige bezoekers na is er vast niemand van de tuin op de hoogte.’

Er lopen inderdaad nog andere mensen rond in de tuin: ‘Ex-bewoners, ex-dieven, ex-verzetshelden’. Bovendien komen tuinmannen in ‘appelblauwzeegroene werkpakken’ op geregelde basis onderhoudswerken uitvoeren. Met deze andere tuinlopers heeft de verteller echter geen contact, zijn enige vriend is een koolmees. Het bestaan van een buitenwereld is zeker (halverwege spreekt de verteller over ‘naar huis’ gaan), maar het gedruis van de stad is nauwelijks hoorbaar.

De verteller weet niet hoe lang hij al in de tuin is of waar die zich precies bevindt: ‘zij ligt vlak bij een Europese grootstad, laat ons in dit geval Brussel nemen, al zou het net zo goed Lissabon, Rotterdam, Stockholm of Athene kunnen zijn.’ In de Brusselse randgemeente Etterbeek ligt de ‘tuin Jean-Felix Hap’, een geklasseerde stadstuin van bijna anderhalve hectare met een oranjerie, een kiosk, een vijver en enkele beeldhouwwerken. Het hele domein is door een hoge tuinmuur omwald. Het is een oase van rust, met een unieke collectie bomen. Zou dit Van Meenens tuin kunnen zijn?  

Na een tijd begint de verteller — net als de lezer, trouwens — zich af te vragen hoe hij in de tuin is terechtgekomen.  Tot hij op een dag visioenen begint te krijgen en de tuin niet langer een tuin blijkt te zijn. Die opstootjes van pure zinsbegoocheling omschrijft hij als ‘vreemde mislukte ontsnappingspogingen’. Drastische maatregelen dringen zich op.

De verteller benadrukt meermaals dat de tuin een op zichzelf besloten biotoop is, met zijn eigen regels, wetten en geheimen:

‘De geheimen van de tuin liggen ondoordringbaar in het gras. Ik ben geen deelgenoot van die geheimen en zal waarschijnlijk ook nooit deelgenoot worden, al zou ik jaren kunnen doorbrengen met afwegen, speuren en het uiten van vermoedens. Volgens mij is dat precies wat de tuin wil. Daarin schuilt het gevaar.’

Die geheimen inspireren de verteller tot soms halfzachte, maar jammer genoeg ook meer dan eens ronduit onbegrijpelijke ontboezemingen:

‘De tijd die ik hier verspeel is niet meer dan een manier van doen. En toch, elk uur dat ik in de tuin doorbreng betaal ik met mijn leven.
[…]
Als de zin van het leven eruit bestaat ons genetisch materiaal door te geven, heb ik vandaag opnieuw een stap achteruit gezet. Hoe kan ik de liefde begrijpen? Ik vraag het de tuin, maar noch zij, noch de liefde ontsluit me hun donkere oorsprong.
[…]
Het Colosseum in Rome en het Pantheon in Athene zullen vast veel langer leven dan de haastig opgetrokken kantoorgebouwen die zich om me heen bevinden. De tuin ligt ergens tussen die twee uitersten en wacht op overvarende [sic] vliegtuigen.’

‘Wil ik de tuin verlaten, dan zal ik haar van me af moeten schrijven, haar een stem geven’, staat in de tweede paragraaf van Tuin. Het geslacht van het zelfstandig naamwoord ‘tuin’ is volgens het Groene Boekje mannelijk. Correcte verwijswoorden zijn dus ‘hij’, ‘hem’ en ‘zijn’. Toch hanteert Van Meenen consequent vrouwelijke verwijswoorden. Hier zit duidelijk iets achter. Deze kromme grammatica is niet de schuld van een lakse redacteur, maar heeft alles te maken met antropomorfisme, het toekennen van menselijke eigenschappen en waardeoordelen aan niet-menselijke wezens. De tuin is een ‘zij’ om de affectieve en seksuele band tussen het lapje grond en de verteller uit te drukken:

‘Het verticale verlangen dat zich gewoonlijk ophoopt ter hoogte van de geslachtsdelen vindt in bomen een uitstekende metafoor. Niet voor niets gaan de boeddhisten ervan uit dat bomen reïncarnaties zijn van mensen die verteerd werden door lust. Vanuit die logica is bijvoorbeeld het Zwarte Woud een soort ex-pornoparadijs. En dit hier, een kleine lusthof?’ 

Antropomorfisme komt veel voor in fabels. Is het daarom — tot vervelens toe — schering en inslag in Tuin?

‘De bladeren zowel van de fruitbomen in de tuin als van de andere bomen hierbuiten verkleuren. Kleuren en kleren, verklaren. Wat hebben de bomen te verklaren? De verklaring zit allicht in de verkleuring. Wat te zeggen valt, zit in het spreken zelf, vorm is inhoud geworden. Een blad dat verkleurt is een woord, valt het af, dan krijgt men een zin. Zo leggen de zinnen zich een voor een in het gras en blijft de boom naakt achter. Is de boom oprecht?’

Tuin
wordt talloze keren ontsierd door gezwollen pathos en een gekunstelde  metaforiek die zichzelf voortdurend op de staart trapt. De lezer struikelt regelmatig over holle frasen die ernstig en diepzinnig bedoeld lijken, maar herhaaldelijk een tegengesteld effect sorteren en op de lachspieren werken. Tuin neigt hierdoor naar een soort mystiek van het zevende knoopsgat: 

‘Het gras kaatst alle vragen terug en ik vang ze op. Ik druk ze tussen gisteren en morgen, leg ze op volgorde, gebruik er tekens voor. Zo blijf ik voor eeuwig liggen in dit gras, met hooi op mijn kleren en insectenbeten in [sic] mijn huid. Een reis ondernemen? Ik dacht het niet. Daarvoor ben ik in mijn binnenste veel te conservatief.’

Het is niet meteen duidelijk bij welke literaire traditie dit boek wil aanleunen. Evidente referenties zijn Jean-Paul Sartre’s eenakter Huis clos (1943) en Henry David Thoreaus bijbel van het buitenleven Walden (1854). Van niet-literaire aard komt vooral Luis Buñuels beroemde film El ángel exterminador (1962) voor de geest, waarin een groepje gedistingeerde gasten er niet in slaagt om de kamer waarin ze net hebben gedineerd te verlaten. Tuin zweeft een beetje alle kanten op. Is het een psychotische trip? Is de verteller een ontsnapte krankzinnige? Een bipolaire patiënt zonder medicatie? De lezer heeft er het raden naar. De verteller lijkt zich bewust van zijn gebreken en probeert evenals de lezer ergens een touw aan vast te knopen:

‘Vroeger zeiden mensen vaak dat ik te veel van de hak op de tak sprong als ik een verhaal vertelde. Daar kan ik nog altijd kwaad van worden. Ik doe mijn uiterste best om een zo duidelijk mogelijk beeld te geven van mijn gevoelswereld en zij beginnen over onvolkomenheden in verhaalstructuur. Maar ik vertel helemaal geen verhaal. Ik probeer de boel hier te begrijpen.’

In het licht van dit alles draagt de eerste zin van deze novelle met de beste bedoelingen een dubbele betekenis uit: ‘Weinig blijkt erg veel te zijn, bij nader inzien meer dan genoeg om een leven mee te vullen.’ Enerzijds blijkt ‘weinig’ helaas niet altijd ‘veel’ te zijn en anderzijds al helemaal niet ‘genoeg’ om een boek mee te vullen.

Vincent Van Meenen: Tuin, Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam 2017, 128 p. ISBN 9789038803906. Distributie: L&M Books

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 10, NOVEMBER 2017

Antigone in Molenbeek

Stefan Hertmans

De vrouw met het rode haar

Orhan Pamuk

Een zachte hand

Leïla Slimani

Hotel Moederland

Yusuf Atılgan

Zuivering

Tom Lanoye

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 10, NOVEMBER 2017

Brobot

James Foley

Helemaal aan de rand van mij, ben jij

Agnès de Lestrade, Valeria Docampo (ill.)

Twintig parels

Ed Franck, Martijn Van der Linden (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri