Letterkunde

BOEKEN NR. 9, OKTOBER 2017

Sven Vitse : Tekstbestanden

door Jan Baes

Een vluchtig overzicht van deze ‘niet geactualiseerde’ artikelen en essays, geschreven tussen 2003 en 2010 en verschenen in diverse Vlaamse en Nederlandse tijdschriften (Dietsche Warande & Belfort, Streven, Raster, Yang…), wijst op de passie die Sven Vitse koestert voor experimenterend proza dat de taal inzet als hoeksteen en, indien nodig, ook als breekijzer bezigt. Prozateksten die in de beste postmoderne traditie nooit op zichzelf staan maar altijd deel uitmaken van een bestand, in welke vorm dan ook.

In analyses, commentaren, beschouwingen bespreekt de auteur in de eerste plaats ‘verplaatsers’, zoals Daniël Robberechts, Willy Roggeman, C.C. Krijgelmans en J.F. Vogelaar, die zich toeleggen op het ‘verschuiven van grenzen van wat woorden kunnen doen, van wat schrijfbaar en dus denkbaar is’. Lyotard, Lacan en Derrida zijn nooit ver weg als postmoderne deconstructivisten op zoek naar andere, nog radicaler pistes dan de moderne avant-garde ooit betrad.

In die zin is het essay over de poëtica van Willy Roggeman (Gnomon, 1975) en het werk van de Amerikaanse componist Morton Feldman (Ecrits et paroles, 1998) exemplarisch omdat beide kunstenaars opteren voor de beleving van het moment en zich keren tegen de horizontale tijd, weg van idealisme en transcendentie.

Andere essays vertellen hetzelfde verhaal. Zoals Aankomen in Avignon (1970) en Praag schrijven (1975), twee bijna legendarische experimenten uit onze literatuurgeschiedenis die tot doel hadden de macht op de uit de heersende literatuur wegsijpelende werkelijkheid, te heroveren. Samen met Jacques Derrida claimt Daniël Robberechts de noodzaak om in de tekst ‘de ander’ en de discontinue werkelijkheid met open vizier tegemoet te treden.

C.C. Krijgelmans opende zijn aanval op de romanvorm in 1967 met Homuncili, verhalen of eerder taalstructuren, meeslepend, ritualistisch en bezwerend van toon. Met Spaanse vlieg (1984) dringt het leven met al zijn fysieke aspecten binnen in de tekst, waarbij ook de stijl zich inpast. In Patogeen Halogeen (2009) voert hij de taalmanipulatie tot in zijn uiterste consequentie door. Met als gevolg dat, door het doorbreken en het ontregelen van de talige code, wellust wordt opgewekt, zoals Julia Kristeva en Roland Barthes al hadden voorspeld.

Jacq Vogelaar’s studie Over kampliteratuur (2006) is in feite een casestudy van zijn literaire opvatting dat wij ons in een tussenpositie bevinden : tussen de dwang van opgelegde vormen en de drang naar nieuwe. Het probleem bij uitstek voor de overlevenden uit de kampen : ze zitten tussen de wereld van het kamp, de buitenwereld en de drang naar een taal om over hun ervaringen te schrijven. Daarbij dringen zich nieuwe vormen op omdat de oude nu eenmaal tekort schieten om weer te geven wat nooit eerder werd ervaren. Toch is ook dit, volgens Vogelaar, niet onmogelijk. Wanneer literatuur, die nu eenmaal empathie en verbeelding als grondstof gebruikt, de werkelijkheid niet meer aankan, is ze waardeloos. Toch blijft de dubbele dimensie van politiek en poëtica, die onlosmakelijk verbonden is met kampliteratuur, altijd dreigend boven het schrijven erover hangen.

Boeiende exploraties ook in deze bundel van werk van Marie Kessels, Het nietigste (2002), Niet vervloekt (2005), van Lucas Hüsgen, Plooierijen van geschik (2007) of van Pol Hoste. Met name over diens triptiek Montréal (2003) als de queeste naar een lotsbestemming die nooit zal worden bereikt. Vooral zijn doorleefd engagement gekoppeld aan de noodzaak dit via taal tot klaarheid te brengen, levert indringende leeservaringen op. Met een mooie verwijzing ook naar Lacans reële orde : Montréal - mon réel of het rijk dat zich niet in kaart laat brengen.

Vitse behandelt in deze beschouwingen, die altijd scherpzinnig en indringend zijn, niet altijd het soort proza dat hij ongetwijfeld boven alles verkiest. Met enig genoegen en een tikkeltje vilein gebruikt hij zijn analyserend vermogen ook al eens om enkele veelgelezen romans literair te toetsen. Stefan Brijs’ De engelenmaker (2005) bijvoorbeeld dat, naar zijn mening, grossiert in religieuze en apocalyptische symboliek, vol uitpakt met allerhande theologische en psychoanalytische beschouwingen ; dat alles verpakt in stroef en pathetisch proza dat narratief inconsistent is. Het plot wordt in de eerste pagina’s al weggegeven, als ‘een bruusk uitgewrongen washandje dat daarna nog enkele honderden pagina’s nadruppelt’. Over Het derde huwelijk (2006) van Tom Lanoye : ‘De formule is eenvoudig : neem een portie kitsch, ontmasker die kitsch als kitsch, en het eindresultaat zou iets meer moeten zijn dan louter kitsch’. Godenslaap (2008) van Erwin Mortier wordt dan weer demonstratieve schoonschrijverij verweten. Decoratief proza in feite met een opbod aan metaforen waardoor het obscene van de oorlog volkomen wordt verstikt. Een woordenbrij.

Maar dit zijn leuke tussendoortjes die de ernstiger beschouwingen over ‘het postmodernisme en de crisis van links’ en andere essays zeker niet mogen doen vergeten.

Sven Vitse: Tekstbestanden, Het Balanseer, Aalst 2017, 235 p. ISBN 9789079202058

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 10, NOVEMBER 2017

Antigone in Molenbeek

Stefan Hertmans

De vrouw met het rode haar

Orhan Pamuk

Een zachte hand

Leïla Slimani

Hotel Moederland

Yusuf Atılgan

Zuivering

Tom Lanoye

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 10, NOVEMBER 2017

Brobot

James Foley

Helemaal aan de rand van mij, ben jij

Agnès de Lestrade, Valeria Docampo (ill.)

Twintig parels

Ed Franck, Martijn Van der Linden (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri