Vertaald proza

BOEKEN NR. 10, NOVEMBER 2017

Amos Oz: Beste fanatici. Drie essays

door Ludo Abicht

Beste fanatici is een bundeling van lezingen die de auteur tussen 2002 en 2015 aan de universiteit van Tübingen in Duitsland en op verschillende plaatsen in Israël gehouden heeft. De colleges en lezingen werden herwerkt tot drie essays: ‘Beste fanatici’, ‘Lichten, niet een licht’ en ‘Dromen die Israël maar beter snel op kan geven’.
De titels dekken echt de lading: het eerste essay is een brede ethische uiteenzetting over fenomenen als fanatisme en fundamentalisme vandaag; het tweede essay verwijst naar de verschillende spirituele inspiratiebronnen van het Jodendom; het derde bevat de bekende stellingnames van Amos Oz over de huidige politieke patstelling in het Midden-Oosten.

Lezers die vertrouwd zijn met onder meer zijn essay Hoe genees je een fanaticus? (2004), zijn boek over Joden en woorden dat hij samen met zijn dochter Fania Oz-Salzberger schreef en ten slotte zijn vele teksten over de politieke actualiteit zullen hier wellicht weinig nieuws ontdekken, maar ik denk dat het voor de meeste anderen een handige manier is om kennis te maken met het gedachtegoed, de literaire stijl en de ethische passie van Amos Oz.
 
Omdat het over relatief korte teksten gaat, die men best zelf zou lezen zal ik er hier geen samenvattingen van geven, maar een paar volgens mij centrale passages ervan belichten.

Een schiereiland worden
Het eerste essay eindig met een vers van de grote Israëlische dichter Jehoeda Amichai:

‘Op de plek waar we gelijk hebben
komen nooit bloemen op
in het voorjaar.
De plek waar we gelijk hebben
is vastgestampt en hard
als een dorsvloer.’
 
Twee pagina’s daarvoor had Oz geschreven:
 
‘De dichter John Donne liet een fantastisch gedicht aan de wereld na: ‘No Man is an Island’. Daar durf ik aan toe te voegen: ‘Niemand is een eiland, maar elk van ons is een peninsula, een schiereiland.’ Wij zijn voor de helft verbonden met het continent van de familie, de taal, de maatschappij, de kunsten en wetenschappen, de staat, de nationaliteit etcetera, terwijl onze andere helft daar met de rug naartoe staat, met de blik naar zee, naar de bergen, de eeuwige elementen, de geheime verlangens, de eenzaamheid, de dromen, de angsten en de dood.’  
 
Het gaat hier inderdaad niet alleen over de psychotische aspecten van dit fanatisme of over de merkwaardige verwantschap tussen de (decadente westerse) amusementscultuur en het (rabiaat antiwesterse) fundamentalisme, maar ook over de eeuwige, nog steeds actuele spanning tussen identiteit (het vasteland) en autonomie (het eiland). Het tragische van dit alles is niet zozeer het feit dat het absolute engagement voor godsdienst, levensbeschouwing, ras of cultuur fanatici kweekt, maar dat heel veel fanatici een zaak zoeken die ze onvoorwaardelijk willen dienen en waarvoor ze maar al te graag willen doden en sterven. Dat heeft tot gevolg dat onze beschaafde, socratische manier van omgaan met ideeën en mensen hier faalt, omdat we letterlijk op twee verschillende golflengten met elkaar trachten te praten.  
 
Teksten als dit essay kunnen ons helpen enigszins wegwijs te geraken in de doolhof van slogans, oneliners en dogma’s die in het hoofd van zo’n fanaat ronddwalen. Daar speelt ook zijn pleidooi voor de humor, die bij fanatici duidelijk ontbreekt, een cruciale rol:  
 
‘De humor brengt een zekere kronkel met zich mee waardoor je, tenminste voor eventjes, oude dingen in een volkomen nieuw licht kunt zien. Of jezelf eventjes ziet door de ogen van de ander.’
 
En Oz zou geen jood zijn, indien hij niet de zelfhumor als het noodzakelijke begin van alle humor zou beschouwen.
 
Vernieuw onze dagen als vanouds
Waar het eerste essay de brede kring van zowat alle fanatismen ter wereld beschrijft, gaat het tweede essay, ‘Lichten, niet een licht’ (‘één licht’ zou correcter geweest zijn) over de rol van het woord in de Joodse traditie. Amos Oz begint met een tekst die op een potscherf gevonden werd in de ruïnes bij Khirbet Kheiafa, waarschijnlijk uit de periode tussen 1025 en 975 vóór Christus:
 
‘Gedraagt je niet zo maar dien God. Spreekt recht over knecht en weduwe. Spreekt recht over wees en vreemdeling. Verdedigt de misdadiger, de arme en de weduwe. Wreekt met ’s konings hand de bedelaar en biedt onderdak aan de knecht. Ondersteunt de <br /> vreemdeling.’

Terwijl de archeologen nog twijfelen over de juiste formulering en betekenis en zelfs over de taal (Canaänitisch, Phenicisch, Hebreeuws?) interpreteert Amos Oz dit merkwaardige fragment als de zuivere bron van de Joodse ethiek en spiritualiteit. Hij zet deze inclusieve, tolerante en sociaal progressieve traditie af tegen de verstardheid van de orthodoxe Joden die zich opnieuw in het getto van hun eigen gelijk hebben opgesloten. Voor deze rechtgelovigen is de Schoelchan Aroech, het uiterst gedetailleerde religieuze wetboek uit de zestiende eeuw, de onveranderlijke richtsnoer. Oz pleit hier voor een veel meer humanistische visie op de joodse traditie en op de voorrang van de creatieve geest op alle andere vormen van zekerheid:  
 
‘Als je wilt kunnen schuilen voor de regen, moet je een tent of een hutje bouwen. Als je een plek wilt waar je je hele leven kunt wonen, moet je een stenen huis bouwen. Als je ook voor je kinderen en je kindskinderen wilt zorgen, bouw dan een stad met een muur eromheen. Maar als je iets wilt neerzetten voor toekomstige generaties, schrijf dan een boek.’  
 
Het gaat echter niet om de voor alle tijden letterlijk te lezen tekst van de fundamentalisten, maar om een ontmoetingsplaats van ideeën, meningsverschillen en gepassioneerde discussies.
 
Het voelt goed een burger te zijn in een land met een miljoen premiers, achteneenhalf miljoen profeten, achtenhalf miljoen Messiassen
In het derde essay pleit Amos Oz voor een ander Israël naast een ander Palestina. Hij gelooft niet in een zogenaamde ‘bi-nationale staat’, die binnen de kortste keren eerst een apartheidsstaat dreigt te worden, een land met twee soorten burgers om dan, iets later, gewoon een Arabische staat met een Joodse minderheid te worden. Als links zionist verzet hij zich reeds heel lang tegen de nederzettingenpolitiek en de discriminatie van de Palestijnen in Israël en de Bezette Gebieden en gelooft hij niet dat men iets met geweld kan oplossen.
 
‘De Palestijnen voeren in wezen twee verschillende oorlogen tegen ons: enerzijds vechten velen voor een einde aan de bezetting en hun terechte recht op nationale onafhankelijkheid, voor hun recht “een vrij volk in eigen land” te zijn. […] Anderzijds voeren veel Palestijnen de strijd van de fanatieke islam, een strijd die erop uit is Israël van de kaart te vegen. […] Ook Israël voert twee oorlogen: de volkomen gerechtvaardigde strijd van het joodse volk om als vrij volk in eigen land te bestaan, de andere een strijd […] die tot doel heeft aan ons appartement nog twee of drie kamers toe te voegen ten koste van de Palestijnse buur.’
 
Men moet het niet met al zijn stellingen eens zijn om de helderheid, de eerlijkheid en ondubbelzinnigheid van dit pleidooi ernstig te nemen en te waarderen. Zolang Israëlische Joden, Palestijnen en anderen op basis hiervan met elkaar blijven praten is er nog hoop, hoe gering ook. Amos Oz is premier noch Messias, maar er is iets van de Bijbelse profeet in hem blijven voortleven, gedreven als hij is door het heilig vuur van de waarheid en de zoektocht naar rechtvaardigheid, zij het met de nodige dosis zelfhumor en zonder grote illusies.
 
Amos Oz: Beste fanatici. Drie essays, De Bezige Bij, Amsterdam 2017, 143 p. ISBN 9789023476205. Vertaling door Sylvie Hoyinck. Distributie: WPG Uitgevers 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 10, NOVEMBER 2017

Antigone in Molenbeek

Stefan Hertmans

De vrouw met het rode haar

Orhan Pamuk

Een zachte hand

Leïla Slimani

Hotel Moederland

Yusuf Atılgan

Zuivering

Tom Lanoye

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 10, NOVEMBER 2017

Brobot

James Foley

Helemaal aan de rand van mij, ben jij

Agnès de Lestrade, Valeria Docampo (ill.)

Twintig parels

Ed Franck, Martijn Van der Linden (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri