Poëzie

BOEKEN NR. 1, JANUARI 2014

Bart Plouvier: De dagen zijn beschadigd

door Yvan De Maesschalck

‘Er wonen duizend dichters in mijn hoofd’  
 
Wie het werk (o.m. reisverhalen, romans, dagboekaantekeningen, kinderboeken, toneelstukken) van Bart Plouvier overschouwt, kan alleen maar tot de conclusie komen dat hij een schrijver is met een poëtische ziel. Sinds zijn poëziedebuut Zaailingen (1998) publiceert hij bovendien geregeld bundels waarin hij grossiert in herinneringen aan door hem bewoonde of bezochte plaatsen. Titels als Vergezichten (2003) en Weerslag (2005) verraden iets van het grote romantische thema dat de dichter telkens weer inspireert: de spanning tussen het verre en het nabije, tussen toen en nu, tussen wat vervlogen is en nog maar rest. Tegelijk lijken zijn latere gedichten een hardnekkige poging om de tijd – vaak met hoofdletter – te bezweren. Dat is zeker het geval voor bundels als Ingesponnen (2010) en Zekerheden (2016) en nog meer voor zijn nieuwe bundel De dagen zijn beschadigd (2017). De titel ervan is ontleend aan het eerste vers en lijkt me een gepaste verwijzing naar de weemoed en nostalgie die veel van zijn gedichten kleurt.
 
In het voorwoord bij Het land draagt de wind (2007), dat naast gedichten ook tekeningen en lavés van Anne Vernimmen bevat, schrijft de dichter:  
 
‘Ik zal niet meer zoals vroeger een idee of gedachtengoed opofferen [...] om een rijmwoord precies op zijn plaats te laten vallen. Maar toch zit mijn engagement als schrijver nog steeds in het ‘mooi’ verwoorden van de dingen, en dit als verzet tegen de verloedering van de taal en de her en der opgang makende visie dat poëzie per definitie hermetisch en ontoegankelijk móét zijn’.  
 
Deze poëticale overtuiging, die hij ook in zijn dagboek Entre deux mers (2010) uitvoerig herhaalt, is Plouvier in ieder geval in de daarop volgende bundels zo veel mogelijk trouw gebleven.
 
De dagen zijn beschadigd is niet, zoals de meeste van zijn vroegere bundels, in aparte reeksen ingedeeld maar vormt één ononderbroken sliert gedichten die kunnen worden beschouwd als een thematische voortzetting van die in Zekerheden. De ouder geworden dichter maakt nadrukkelijk de balans op van zijn leven en de ongemakken die het leven onvermijdelijk meebrengt. Hij kiest daarbij inderdaad voor een toegankelijk register, dat af en toe te parlandistisch of spreektalig dreigt te worden en daardoor aan poëtische kracht inboet. Soms zijn de slotverzen te expliciet of clichématig, zoals in ‘Frustraties’, dat met deze verzen besluit:  
 
‘al haalt hij vlot de meter tachtig nu
vanbinnen bleef hij eerder klein
en daarom dus verwerd hij tot
een oude man vol woede en chagrijn’.
 
Ook sommige nieuwvormen (als ‘snotterlopen’ en ‘wegwijzerloze wegen’) doen eerder geforceerd dan plastisch aan, al is plastische formulering iets waar Plouvier talent voor heeft.

De beste gedichten enten zich op een of andere manier op eerder werk. Dat is het geval met het openingsgedicht ‘Komt de nacht’, dat een pregnante samenvatting lijkt van de bundel Weerslag, die als een heuse ‘jaarcyclus’ elke maand de revue laat passeren. Iets gelijkaardigs geldt voor ‘Ontbijt in Madrid, cafeteria “Las Meninas”’, dat niet alleen gebaseerd is op het beroemde olieverfschilderij van Diego Velásquez, maar ook het prachtige gedicht ‘Laatste bedrijf’ uit de bundel Vergezichten tot leven roept. De parallellen tussen de scène in de omlijsting van het doek en die in de deur van het ochtendlijke café etst Plouvier treffend als volgt:
 
‘een hond kauwt kruimels en soezelt zich suf
de waard penseelt eigeel op warme koeken
en streng staart hij mij aan als was ik zijn model
een vorst gelijk met zijn vorstin op doek
een prinses gezelschapsdames en een non
bestellen chocolademelk met kaneel
verder weg in de omlijsting van een deur
waakt over ons een kamerheer’
 
Het lyrische resultaat van zijn bewondering voor het beeldend werk van Anne Vernimmen is het gedicht ‘Wat een mens zoal kan tegenkomen’, naar mijn gevoel een van de meest geslaagde gedichten van de bundel. Het is bovendien een gedicht waarin de echtheid van de kunst de onechtheid van de werkelijkheid overtreft of toch het nakijken geeft:

‘Mijn lief heeft een bos geschilderd
wel vijftig groenen in olie op doeken
het hele huis ruikt naar den
paddenstoel en eekhoornstront
hars vergane bladeren en eikelpap
ik vond een pad
dwars door de taferelen
ging dwalen
het hoofd in de kruinen
struikelde ik
over de kat
zo dacht ik tenminste
het bleek een konijn
zo echt dus kunnen de bomen
van mijn lief wel zijn.’
 
Op een vergelijkbare manier vallen de mooie moedergedichten ‘Museumbezoek’ en ‘Telefoneren met mijn moeder’ niet los te lezen van het eerdere ‘In memoriam matris’ uit de bundel Ingesponnen. Het besef van haar alomtegenwoordigheid heeft in de nieuwe bundel evenwel plaats geruimd voor het inzicht dat de vermeende ‘rechtstreekse rode lijn’ geen echte communicatie meer toelaat:

‘nooit of nooit
heeft zij mij wat te melden
vanuit de leegte van de dood’.  
 
De dood is overigens de grote aanwezige in deze bundel: zijn schaduw hangt als een donkere sluier over alle verzen heen, zelfs als de liefde die even doet vergeten. Zoals uit het gedicht ‘La petite mort’ mag blijken:
 
‘Nog een keer
Gestorven
en vanuit het doodgaan
opnieuw het niets begrepen
met de zaligmakende leegte
als bron’.
 
Of Plouvier zich ervan bewust is dat deze bundel wellicht niet zijn sterkste werk representeert, zeker niet in vergelijking met romans als Het gelag (1995), Het gemis (1998), De biechtspiegel (2000) en De gele vlag (2003), kan ik hier niet aantonen. Maar een onmiskenbare verontschuldigende toon spreekt in ieder geval uit het slotgedicht ‘Wie zonder zonde is werpe de eerste steen’, waarin hij afrekent met de literaire invloeden die in zijn poëzie wellicht iets te luid doorklinken:
 
‘Er wonen duizend dichters in mijn hoofd
soms is het moeilijk aan hen te ontkomen
ze plakken hun beelden tot in mijn dromen
ze dwingen mij tot dwaze metaforen
presenteren zich als literaire fantomen
rammen adjectieven door mijn strottenhoofd
alsof ze aan mijn dichten hebben deelgenomen
en ik kwaadwillig hun verzen heb geroofd
ik probeer mijn dode dichters in te tomen
graaf kuilen span netten om te voorkomen
dat ze mijn werk doordrenken met hun idiomen
ik heb mijn lezers eigenzinnigheid beloofd
straks is er niemand die mij nog gelooft
maar weet geen dichtwerk is volkomen
in goede wijn ruikt men vele aromen.’
 
De paradox is dat Plouvier in bovenstaande verzen, alle poëticale voornemens ten spijt, zijn uiterste best doet om ‘de rijmwoorden op hun plaats te laten vallen’ en meteen de enigszins wijdlopige, sonore toon terugvindt die zijn beste (reis)gedichten – ook in deze bundel – kenmerkt. Ik mag hopen dat de dichter zich in volgende bundels niet zal intomen en zijn eigen stem volop zal laten klinken.

Bart Plouvier: De dagen zijn beschadigd. Gedichten, Vrijdag, Antwerpen, 2017, 46 p. ISBN 9789460015816. Distributie: Elkedag Boeken


deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 10, NOVEMBER 2017

Antigone in Molenbeek

Stefan Hertmans

De vrouw met het rode haar

Orhan Pamuk

Een zachte hand

Leïla Slimani

Hotel Moederland

Yusuf Atılgan

Zuivering

Tom Lanoye

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 10, NOVEMBER 2017

Brobot

James Foley

Helemaal aan de rand van mij, ben jij

Agnès de Lestrade, Valeria Docampo (ill.)

Twintig parels

Ed Franck, Martijn Van der Linden (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri