Vertaald proza

Landschappen van het onderbewustzijn: * Gesprek met David Vann

door Kris van Zeghbroeck

‘Het is een belangrijke stroming in de Amerikaanse literatuur om personages vanuit de beschrijving van het landschap op te voeren en te ontdekken. Verhalen worden geboren uit het landschap, zitten erin geworteld en blijven er onlosmakelijk mee verbonden.’

David Vann is een product van de eeuwenoude Amerikaanse smeltkroes. Hij is erg ingenomen met zijn (onder meer) Native American en een kwart IJslandse roots. Hij werd geboren op de marinebasis Van Adak Island en groeide op in Ketchikan, tot hij als vijfjarige met zijn moeder van Alaska naar Californië verhuisde. Maar de band met zijn geboortestaat bleef intact via zijn familie en zijn vader, die uiteindelijk zelfmoord pleegde toen David nog een tiener was. Dat ingrijpende voorval vormde de semibiografische basis van Vanns verhalenbundel Legend of a suicide (2088 — vert. Legende van een zelfmoord). En ook in zijn debuutroman Caribou Island (2011), waarin het mislukte huwelijk van Gary en Irene centraal staat, grijpt Vann terug naar Alaska als het centrale personage van zijn fictie.

David Vann: ‘De eerste jaren van mijn herinneringen gaan terug naar Alaska, dat mythische proporties aannam in mijn verbeelding, meer dan levensgroot, levendig en zeer aanwezig. Die eerste herinneringen vulden de leegte van mijn onderbewustzijn volledig, zodat Alaska en mijn onderbewustzijn één geheel geworden zijn. Dat sluit aan bij mijn onbewuste manier van schrijven, waarbij ik geen voorkennis heb van wat mijn personages ervaren, beslissen of met elkaar communiceren. Ik vertrek van het landschap, beschrijf de plaats en ontdek zo de personages en hun acties. De natuur, de wildernis, heeft geen betekenis in zichzelf, maar functioneert als een grote spiegel waarin de leefomgeving zich weerspiegelt. Zo zijn de eigenschappen van de natuurlijke wereld reflecties van wat personages voelen en wie ze zijn. Uiteindelijk is het mij daarom te doen: onder invloed van mijn onderbewustzijn verandert het landschap van vorm en transformeert. Zoals wanneer Irene loopt en het landschap overhelt, zodat ze zich verbeeldt dat het hele eiland over kop gaat. Bevreemdende, onverwachte momenten uit een andere wereld, waarbij iets prijsgegeven wordt over het innerlijke leven van een personage. Fictie is in feite een paranoïde, samenhangende en compacte wereld waarin alles gerelateerd is, niets toevallig is, en via breuklijnen de wereld in iets anders transformeert. Alaska blijft voor mij het vertrekpunt, ook al heb ik er een ambivalente relatie mee. Ik hou ervan en ga er jaarlijks naar toe. Het spreekt me nog steeds aan, maar voelt tegelijk koud en afstandelijk aan, verbroken. Het is thuis, maar ik hoor er niet thuis.’

Kris van Zeghbroeck: Hebben die mythische proporties ook iets te maken met Alaska als laatste grensgebied (last frontier), een belangrijk thema in de Amerikaanse literair-culturele geschiedenis?

Vann: ‘Inderdaad. Niet bewust tijdens het schrijfproces, maar achteraf gezien stel ik vast dat mijn fictie een vorm van anti-nature writing is. Ik verwerp de droom van nature writing van de Britse romantici tot de Amerikaanse transcendentalisten, waarbij dé Verbeelding zich verbindt met dé Natuur, zodat we onze goedheid, onschuld en vindingrijkheid aan de natuur ontlenen. Die drang om terug te keren naar de tuin van Eden is een onderdeel geworden van de Amerikaanse identiteit: de idee dat je naar Amerika komt om jezelf opnieuw vorm te geven. Die Amerikaanse droom, gesterkt vanuit de overtuiging dat goedheid inherent is [In God we trust], is een hypocriete nachtmerrie geworden, waarbij de macht van het goede in naam van de promotie van democratie vernieling en verderf zaait over de hele wereld. Het is een lelijke droom die we moeten laten vallen, maar die nog steeds sterk aanwezig is bij onder meer Sarah Palin. Ik ben geen politiek schrijver,  maar mijn fictie is anti-Amerikaans in de zin dat de last frontier, de wildernis als een plek waar al onze goedheid waarmee we in verbinding kunnen komen berust, niet bestaat. De natuur is slechts een spiegel die uitvergroot, zodat wat schrikwekkend is in ons, nog veel schrikwekkender terug te vinden is in de natuur. We vinden enkel reflecties van ons gefragmenteerde zelfbeeld. Maar de idee van de natuur is belangrijk omdat Gary de wildernis intrekt om een blokhut te bouwen als een manier om zichzelf opnieuw vorm te geven. De droom om een plaats te verwerven in de overweldigende natuur van Alaska.’

Van Zeghbroeck: Behalve Alaska wordt je fictie ook onderling verbonden door de semi-autobiografische exploratie van je eigen familie en die van je stiefmoeder?

Vann: ‘Jazeker, ik heb die waargebeurde familieverhalen nodig voor het emotionele en psychologische gewicht. Ze zijn allemaal gebaseerd op leugens, maar ook op tragedies. Zoals het feit dat de familie van mijn vader mijn stiefmoeder verwijt een aandeel gehad te hebben in zijn zelfmoord, wat absoluut niet waar is. Mijn vader pleegde zelfmoord toen ik dertien was, hij schoot zich door het hoofd terwijl hij met mijn stiefmoeder telefoneerde. Een jaar eerder schoot haar moeder haar man dood en pleegde daarna zelfmoord. Voor mij waren die tragedies met elkaar verbonden, sterk verontrustend en ze gingen mijn verstand te boven. Zo was het van in het begin duidelijk voor me dat ik er dit boek over zou schrijven, ook al kende ik de ouders van mijn stiefmoeder niet en speelden die feiten zich eigenlijk af in Californië. Dus Gary en Irene zijn puur fictionele personages, maar de aanleiding om over hen te schrijven is autobiografisch. In Legend of a Suicide [dat kan gelezen worden als verschillende fictionele visies op de zelfmoord van Davids vader] is er het verhaal ‘Rhoda’, gebaseerd op mijn stiefmoeder, die haar ouders gaat bezoeken en met de potentiële tragedie geconfronteerd wordt. Ik vermeld haar ook in het nawoord. De intentie was dus al aanwezig toen ik veertien jaar geleden aan Caribou Island begon, maar ik was er nog niet rijp voor en liep vast na vijftig bladzijden. Twaalf jaar later was ik wel zover, had ik de cruciale scène waarmee het boek zou eindigen in gedachten, en kon ik het boek in nog geen half jaar afronden.’

Van Zeghbroeck: Creëer je bewust een literair landschap dat gebaseerd is op een eenheid van geografie en personages, wat wel vaker voorkomt in de Amerikaanse literatuurgeschiedenis?

Vann: ‘Inderdaad! Mijn favoriete boek is Cormac McCarthy’s Blood Meridian en daarin trekt hij het letterlijke landschap door in een figuurlijk landschap, hij spreekt van bergen, wier eigenlijke geologie niet steen maar angst is. Het is die overgang van steen naar angst, van het echte en concrete naar dit parallelle figuratieve landschap dat ernaast staat, waarin de Amerikaanse literatuur uitblinkt, langs een lange lijn van Herman Melville en William Faulkner tot Annie Proulx, Marylinne Robinson en Cormac McCarthy, en ook de gedichten van Elizabeth Bishop. Het is een belangrijke stroming in de Amerikaanse literatuur om personages vanuit de beschrijving van het landschap op te voeren en te ontdekken. Verhalen worden geboren uit het landschap, zitten erin geworteld en blijven er onlosmakelijk mee verbonden. Van de ene kant heeft dat te maken met metaforen en het feit dat je verhalen indirect moet vertellen. Wanneer ik direct over de zelfmoord van mijn vader zou verhalen, zou er niet veel anders gebeuren dan mensen die huilend rondlopen. In de plaats daarvan vertel ik over de tropische vissen in het aquarium en de vissen die we vingen in Alaska. Daarop ligt de focus en de zelfmoord van mijn vader volgt er later uit. Landschap is prachtig als een focuspunt, we zien de plaats en wat daar gebeurt, maar dan krijgt dat landschap betekenis, het begint direct te spreken. Het werkt als een reuzenmetafoor en vertelt ons over het innerlijke leven van de personages, hun conflicten en wat het betekent. Het is ook een thema, want de betekenis is ook ingebed in het landschap. Bij Cormac McCarthy krijg je helemaal geen toegang tot innerlijke gedachten en emoties van de personages. Hij is geen dramaticus, hij schrijft eigenlijk niet vanuit een literaire traditie, hij vertrekt vanuit het geweld van pulpliteratuur als western en horror. Alle bedreiging komt van buiten de personages, niet van binnenuit, zoals het normaal gebeurt in literaire fictie. Maar hij is zo’n getalenteerde schrijver, met prachtige zinnen en hij geeft zijn personages volledig indirect vorm via het landschap en geweld beschreven als landschap. Dit is de literaire stroming waarnaar mijn voorkeur uitgaat, sterk geworteld in de Amerikaanse literatuurgeschiedenis. Ik herlees favoriete boeken als Blood Meridian en Annie Proulx’ The Shipping News dan ook elk jaar.’

Van Zeghbroeck: Integreer je als docent creative writing (University of San Francisco) bewust stilistische invloeden in je fictie?

Vann: ‘Als ik schrijf ben ik me er niet zo bewust van, maar ik bestudeer vaak stijl, zodat het uiteindelijk een belangrijk onderdeel van mijn werk geworden is. Gary is een Anglo-Saxonist [mediëvist] met een voorkeur voor de Oud-Engelse of Germaanse kant van het Engels, dat half Romaans en half Germaans is. Dat tracht ik in de verf te zetten door In Caribou Island korte zinnen te gebruiken en zinsfragmenten waarbij de grammatica weggesneden werd. Veel grammatica gaat namelijk terug op Romaanse invloeden, terwijl de Germaanse kant veel minder gestructureerd is en zwaar focust op inhoud, die opeengehoopt wordt. Dat is iets dat ik bij Annie Proulx en Cormac McCarthy terugvindt, zoals in het begin van The Shipping News, waar Proulx Angelsaksisch metrum en dictie gebruikt: “He ate prodigiously, liked a ham knuckle, buttered spuds”. Ik gebruik het omdat het overeenkomt met de rauwheid van het landschap en de grimmige troosteloosheid van de personages. Er was ook lang een klassenverschil tussen Oud-Engels en Frans. Oud-Engels is meer laag bij de gronds, aards, ruw, korrelig en elementair. Ik wil terug in de tijd gaan, prehistorisch, toen de mens in het landschap opging. In elk van de verhalen van Legends of a Suicide werd ik beïnvloed door een specifieke schrijver of schrijvers. ‘A Legend of Good Men’ ontleende de structuur aan Geoffrey Chaucers ‘The Legend of Good Women’ (The Canterbury Tales). Bij Chaucer stond een legende voor een portret, wat mij inspireerde om een bundel te maken van verschillende portretten, elk met een eigen stijl. Zo werd ‘Ichtyology’ beïnvloed door Marilynne Robinson en Elizabeth Bishop, ‘Ketchikan’ door Gabriel García Márquez, ‘Rhoda’ door Raymond Carver en andere minimalisten, ‘Sukkwan Island’ bevat veel sporen van William Faulkner en Cormac McCarthy… Ik denk niet dat schrijvers helemaal origineel kunnen zijn, we zijn allemaal afgeleiden, die zaken hergebruiken waarvan we houden in de lectuur van onze favoriete werken. En dat gecombineerd met ervaring in de taalgemeenschap waarin we opgroeiden, bepaalt onze stem.’

Van Zeghbroeck: Eenzaamheid, onthechting en wanhoop lijken een dominante factor in je fictie, alsof de personages gedoemd zijn mislukte levens te leiden in de schaduw van het overweldigende landschap van Alaska?

Vann: ‘Ja. Een probleem dat veel personages in Caribou Island delen, is dat ze geen solide zelfgevoel hebben. Ze hebben geen kerngevoel van goedheid of wie ze zijn. Irene verkeert in een crisis, zodat ze zichzelf niet kan relateren aan wie ze was toen ze met Gary trouwde, of wie ze was als het kind dat de zelfmoord van haar moeder verdrongen heeft. De eenzaamheid na dertig jaar huwelijk wordt versterkt door het gebrek aan houvast over wie zij is. Zij herinnert zich haar ouders niet meer, ze kan geen verbinding maken met het verleden. Dit is absolute eenzaamheid; noch met jezelf, noch met anderen contact te kunnen maken. Gary daarentegen wil alleen zijn, in zijn visie van een blokhut in de wildernis is er geen plaats voor iemand anders. Maar uiteindelijk is hij zwak, hij heeft angst om ’s avonds alleen te zijn, zelfs voor één nacht [een eigenschap die Gary deelt met David], en daarom blijft hij bij Irene. Wat maakt dat hij zijn ultieme droom nooit kan vervullen. Ik hou van tragedie en het testen en breken van personages om naar hun innerlijke zelf te peilen. Eigenlijk kan ik geen positieve, sterke personages in Alaska opvoeren, omdat ik daarmee de mythe over de Amerikaanse wildernis zou bestendigen en daarmee valse hoop zou geven. De Verenigde Staten zijn een gevaarlijke, losgeslagen natie geworden, juist door een inherente goedheid en maakbaarheid aan de natuur te ontlenen. Ik word gek van die religieus gevoede zelfzekerheid die anderen het recht op een menswaardig bestaan ontzegt. Ik zou op geen enkele manier die Amerikaanse droom willen onderschrijven. Amerika zou beter een seculiere natie worden.’

David Vann worstelde tien jaar lang met Legend of a Suicide. Het boek werd pas gepubliceerd in 2008 nadat het meer dan een decennium geweigerd werd door verschillende literaire agenten, tot het uiteindelijk bekroond werd in een literaire competitie voor ongepubliceerd werk. Het veroverde daarna op eigen kracht de wereld. De lange periode van wachten op erkenning maakte dat Vann een tijd lang een alternatieve carrière als scheepskapitein volgde, die eindigde met het vergaan van zijn schip in een Caribische storm. Dat resulteerde in het autobiografische non-fictieboek A Mile Down: The True Story of a Disastrous Career at Sea. Onlangs verscheen van David Vann een tweede non-fictieboek, Last Day on Earth: A Portrait of the NIU Shooter, het zoveelste voorbeeld van schoolgeweld dat hij in 2008 coverde voor het tijdschrift Esquire. Ondanks zijn roots in Alaska en zijn band met de Amerikaanse literaire traditie zoeken David Vann en zijn echtgenote hun toekomst in het noorden van Nieuw-Zeeland, waar ze land gekocht hebben bij Taupo Bay.

David Vann: Legend of a Suicide, Penguin London, 2009, 229 p. ISBN 9780141043784
Distributie: Penguin Books Benelux

David Vann: Legende van een zelfmoord, De Bezige Bij Amsterdam, 2010, 253 p. ISBN 9789023458425. Vert. van: Legend of a Suicide door Arjaan van Nimwegen. Distr.: WPG Uitgevers

David Vann: Caribou Island, Penguin London, 2011, 293 p. ISBN 9780670918447. Distributie: Penguin Books Benelux

David Vann: Caribou Island, De Bezige Bij Amsterdam, 2011, 284 p. ISBN 9789023466499
Vert. van: Caribou Island door Arjaan van Nimwegen Distributie: WPG Uitgevers

Meer besprekingen over Alaska



deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 9, OKTOBER 2018

Blinde drift

Belinda Bauer

De rover

Robert Walser

Heel de tijd

Leo Pleysier

Onder een koperen hemel

Stefan Hertmans

Zeiseman

Martha Heesen

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 9, OKTOBER 2018

De invloed van Gregie De Maeyer (1951-1998) op de (Vlaamse) jeugdliteratuur

‘Het wezen van de dingen vervaagt naarmate het zichtbaar wordt’

De slaapster en de spintol

Neil Gaiman, Chris Riddell (ill.)

Op zoek naar Stella

Gerda Dendooven

Rivieren

Peter Goes

Tegenwoordig heet iedereen Sorry

Bart Moeyaert

naar overzicht


‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri