Wat betekent de poëzie nog als men heeft
opgehouden erin te geloven? Dat is de vraag die aanleiding was tot het ontstaan
van de moderne poëzie waarbij het realisme zijn intrede deed. Maar een puur
realistische poëzie, zoals we ze zien ontstaan bij Pierre Reverdy en andere
dadaïstische dichters, bij Henri Michaux ook, of zelfs bij Jacques Prévert,
bleek echter ook voor hen, te hoog gegrepen, omdat zowel het spirituele, het
sentiment als de fantasie er ongewild toch inslopen.
Totdat in 1942 een kleine bundel
Le parti pris des choses verscheen
(in 1990 vertaald door Piet Meeuse als Namens
de dingen, en nu terecht heruitgegeven), die de auteur, Francis Ponge
(1899-1988), meteen een plaats op de eerste rang van de literatuur bezorgde.
Het is een hardnekkig objectieve tekst, even streng als meesterlijk opgesteld.
Korte prozagedichten over dagdagelijkse dingen van een aparte soort en met een
verrassende toon, zoals:
‘De nacht doet soms
een eigenaardige plant herleven, waarvan het schijnsel de gemeubileerde kamers
ontbindt in schaduwpartijen.’
(De kaars),
‘Een kleine fakkel die veel
minder licht geeft dan ze geurt.’
(De sigaret)
‘Het is een halstarrig gesloten
wereld. Toch kun je haar openmaken.’ (De oester)
‘Het oppervlak is wonderbaarlijk
[...] alsof je binnen handbereik de beschikking had over de Alpen, het
Taurusgebergte of de ketens van de Andes.’ (Het brood)
‘Een vliegende lucifer, maar zijn
vlam is niet besmettelijk.’
(De vlinder)
‘Zwart, roze en kaki bieden ze,
verenigd in een tros, eerder de aanblik van een ongenaakbare familie met haar
verschillende generaties, dan een levende verzoeking om ze te plukken.’
(De bramen)...
Evenveel stillevens waarin de rol van de mens beperkt wordt tot spreken
over wat sprakeloos is, tot het kijken om inzicht te krijgen ‘in de dichtheid
der dingen’, tot het accuraat beschrijven in een taal die daarvoor geschikt is.
Het ding eindelijk bekeken als een autonoom gegeven, onbelast en onbeladen,
zonder betekenis of symboliek.
Ponge is later, in Proèmes
(1948), verder ingegaan op zijn literatuuropvatting (of liever poëtica),
waarbij de dingen niet langer naar het decor worden verwezen, maar een hoofdrol
krijgen toebedeeld. Een bevrijding en een eerherstel waaraan de taal de
precieze uitdrukking moet geven, ‘zoals het slijmspoor de uitdrukking is van de
slak of het web dat van de spin’. Want de dingen leven nu eenmaal naar hun aard
en vermits dat voor de dichter de taal is, en hij op dat terrein speelt, ligt
de waarde van zijn gedicht - wat zijn bedoeling ook moge zijn – in de waarde
van zijn taal.
Als deze altijd verrassende, speelse en wonderlijke teksten eerder kunnen
vergeleken worden met schetsen dan met een afgewerkt schilderij, een aanzet
eerder dan het stilleven dat de dichter voor ogen had, dan nog zijn deze
gedichten niet zozeer de beschrijving, maar eerder de gelijke van het object.
Een evocatie ervan:
‘De schelp is een klein ding, maar ik kan het mateloos vergroten door het
terug te leggen waar ik het vind, op de uitgestrekte zandvlakte. Want dan neem
ik een handvol zand en ik zal het weinige dat ik in mijn hand overhoud bekijken
nadat bijna alles is weggestroomd door de kieren tussen mijn vingers ; ik zal
een paar korrels bekijken, en vervolgens elke korrel afzonderlijk en geen van
die zandkorrels zal me op dat moment meer een klein ding lijken, en al gauw zal
de schelp als vorm, deze oesterschelp of die pausekroon, of die 'mesheft', mij
imponeren als een enorm monument, kolossaal en kostbaar tegelijk, zoiets als de
tempel van Angkor, de Saint-Maclou of de piramiden, met een veel vreemdere
betekenis dan die al te onomstotelijke menselijke producten.’
(Notities
voor een schelp).
In de aantekeningen, volgend op zijn nawoord, lezen we hoe knap de
vertaler erin slaagt om recht te doen aan de door Ponge gebruikte
'dubbelzinnigheden' van de taal. Een prestatie.
Francis Ponge: Namens de dingen,
Vleugels, Bleiswijk 2018, 88 p. ISBN 9789078627449. Vertaling van Le parti pris des choses door Piet Meeuse
deze pagina printen of opslaan