Vertaald proza

Nikolaj Frobenius: De catalogus van Latour

door Kris van Zeghbroeck

"Vele jaren geleden", in het 18de-eeuwse Frankrijk van Lodewijk XV, leefde aan de rand van het havenplaatsje Honfleur de gehate woekeraarster Bou-Bou Quiros, die opzienbarend lelijk was. Verkracht door een voortvluchtige gevangene, brengt ze Latour ter wereld, een duivels lelijk joch met respect afdwingende ogen, dat door een fysieke afwijking geen pijn kan waarnemen. Juist het ontbreken van dat fysieke pijngevoel maakt dat de opgroeiende Latour er onnoemelijk door gefascineerd raakt. Het maakt dat hij zich afvraagt of hij eigenlijk wel leeft. De lessen van Vader Martin -- de door anatomie gefascineerde schoolmeester -- en diens oom Léopold -- een ex-anatoom die dieren opzet -- introduceren hem in de wetenschap van vlees en bloed. Hij leest werken van Vesalius en Vieussens en oefent door met een scherpe veren pen over de contouren van de prostituee Valérie te tekenen.

Latour trekt samen met haar naar Parijs, met in zijn zak een lijst van acht 'schuldenaars' die in zijn ogen zijn aan paarse koorts overleden moeder vergiftigden. Latour neemt de identiteit aan van een anatomiestudent en dient zich aan als leerling bij de beroemde maar geroyeerde anatoom Rouchefoucault. Rouchefoucault heeft het vooral begrepen op de functies en eigenschappen van de hersenen. Op basis van de uiterlijke vorm van hersenen en schedel heeft hij zo'n 19 verschillende menselijke eigenschappen in kaart gebracht, variërend van 'liefde voor bloedverwanten' tot 'moraal'. Van negen heeft hij de bijbehorende hersenorganen reeds ontdekt en hij engageert de belezen Latour om hem bij zijn levenswerk -- "een volledige indeling van organen en eigenschappen" -- te helpen.

Als Latours valse identiteit ontdekt wordt, neemt hij de benen. Via lichtekooi Valérie ontmoet hij een van haar vaste klanten, de Markies de Sade, raakt in de ban van een van zijn geschriften en treedt bij hem in dienst als bediende. Latour onderwerpt zijn 'schuldenaars' aan een hersenonderzoek. Hij ontdekt de organen voor een aantal eigenschappen, inclusief het centrum voor religieuze gevoelens. Latour besluit een volledige catalogus te maken van alle hersenonderdelen, want dan pas zal hij het pijncentrum ontdekken en een groot anatoom worden. Latour en De Sade zijn één, ze nemen elkaars identiteit aan, ze aanschouwen elkaars excessen. Beiden putten genoegen in de pijn van hun slachtoffers die moeten lijden voor een hoger doel.

Het onderzoek dat door inspecteur Ramon naar de slachtoffers van onze seriemoordenaar gevoerd wordt, levert geen aanhouding op, al weet hij de zaak volledig te reconstrueren. De aftakelende Latour heeft de kracht niet meer om zijn slachtoffers te onderzoeken en vindt slechts bij toeval de oorzaak van pijn: elektriciteit. Hij trekt zich terug in de psychiatrische instelling waar De Sade verpleegd wordt om zijn memoires te schrijven, die niet echt van de grond komen. Als De Sade, die onder een pseudoniem het slachtofferlijstje afsluit, een natuurlijke dood sterft, blijft Latour niets anders dan zijn verworvenheden en falen voor zich te houden en in alle stilte zijn eigen natuurlijke einde af te wachten.

De catalogus van Latour
dient zich aan als een filosofisch getinte thriller. Hoewel die elementen aanwezig zijn, situeert het boek zich eerder in de lijn van Patrick Süskinds historische zintuigroman Het parfum.

Nikolaj Frobenius: De catalogus van Latour, Ambo Amsterdam, 1998, 235 p. ISBN 9026314698. Vertaling van Latours katalog doorJanke Klok en Annemarie Smit

deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri