Letterkunde

BOEKEN NR. 8, SEPTEMBER 2018

Carl De Strycker, Yves T’Sjoen: Nolens handboek

door Johanna Cassiers

Op 17 april 2018 ontving Leonard Nolens een eredoctoraat van de Universiteit Gent. Tegelijk met deze academische erkenning voor zijn oeuvre verscheen ook Nolens handboek. Dit handboek is volgens redacteurs Carl De Strycker en Yves T’Sjoen bedoeld als naslagwerk over de poëzie en het dagboekproza van Nolens. Het bevat afzonderlijke lemma’s over de tweeëntwintig dichtbundels, de bloemlezing van liefdesgedichten en over het dagboek. Daarnaast is er ook een (heel beknopte) biografie, en drie thematische lemma’s: een over de veranderingen die Nolens heeft aangebracht in zijn oudere werk wanneer dat werd opgenomen in verzamelbundels, een over het gebruik van voornaamwoorden bij Nolens en tot slot een lemma over de vertaling van Nolens’ gedichten in het Afrikaans.

De grote meerwaarde van dit naslagwerk is de veelstemmigheid: elk lemma is door een andere auteur – voornamelijk academici en essayisten – geschreven. In elk lemma komen een aantal vaste aspecten aan bod, zoals receptie, het belang van de bundel binnen het literaire veld, compositie en thematiek, maar elke auteur geeft hier een eigen invulling en interpretatie aan. In het voorwoord geven de redacteurs aan dat ze gekozen hebben voor een chronologische opbouw omdat dit de lezer de mogelijkheid biedt ‘om eventuele stilistische, poëticale en inhoudelijke verschuivingen in het oeuvre van Nolens vast te stellen’.  

Zelf de grote lijnen distilleren uit een 140-tal pagina’s over tweeëntwintig dichtbundels lijkt me wel een nogal ambitieuze opdracht voor de lezer. Vooral aangezien dit boek, zo blijkt uit het voorwoord, bedoeld is voor ‘een belangstellend publiek van niet-specialisten’. Een inkijk op die grote lijnen is precies datgene wat in dit boek ontbreekt. Het mist lemma’s die een breder, samenvattend, structurerend kader bieden door te focussen op vragen als: Welke globale evoluties maakt het werk van Nolens doorheen de jaren door? Welke positie nemen Nolens en zijn poëtica in binnen het literaire landschap? Welke invloed heeft hij (gehad) op collega-dichters en schrijvers?  

De thematische lemma’s aan het einde komen voor een stukje tegemoet aan deze nood. Het lemma over varianten bij Nolens legt een link tussen de aanpassingen die de schrijver in zijn vroegere werk maakt en de veranderende poëticale tijdsgeest. Het lemma over voornaamwoorden in de poëzie van Nolens, dat geschreven is door taalkundige Willy Vandeweghe, is dan weer prikkelend door de interdisciplinaire aanpak. Maar al bij al zijn deze lemma’s een druppel op een hete plaat. De andere lemma’s focussen vrij exclusief op die ene specifieke bundel en leggen weinig links met de rest van Nolens’ oeuvre of het bredere literaire veld. Ze geven wel iets weer over de receptie van de bundels, over waar deze of gene recensent over struikelt, maar plaatsen dat te zelden in een ruimere context.

Enkele uitzonderingen hierop zijn het lemma over Nolens debuutbundel Orpheushanden, waarin Dirk De Geest de bundel plaatst binnen de toenmalige Labris-beweging, en het lemma over Voorbijganger, waarin Sarah Posman de vernietigende kritiek van Jos Joosten kadert binnen twee conflicterende visies op de romantische poëtica. Ook het lemma over Derwisj van Irena Barbara Kalla doet een aanzet tot verdieping door – weliswaar in summiere termen – iets weer te geven van het contrast tussen de lyrische poëzie van Nolens en de subjectloze poëzie van Dirk Van Bastelaere.  

De passages waarin we een glimp opvangen van die onderliggende dynamiek zijn de interessantste. Op andere momenten neemt de repetitiviteit soms de bovenhand. Aangezien Nolens geen poëtica van de breuk hanteert, maar steeds verder bouwt op de thematiek van zijn eerdere werk, is het niet onlogisch dat dezelfde thema’s doorheen de lemma’s terugkomen. Maar wanneer je voor de tiende keer leest dat de poëzie van Nolens bij nader inzien toch minder navelstaarderig, ego-gericht of narcistisch is dan bepaalde critici meenden, krijg je toch een beetje het gevoel dat je in cirkeltjes loopt.

In het voorwoord geven de De Strycker en T’Sjoen aan dat dit boek geïnspireerd is op een traditie uit het Duitse taalgebied. Daar bestaat al langer ‘een reeks prestigieuze handboeken die telkens geheel aan het oeuvre van een canonieke auteur zijn gewijd en die dienst doen als inleiding en naslagwerk’. Een dergelijk initiatief kan ik alleen maar voluit toejuichen. Van mij mag het een reeks worden. Maar dan liefst een met de diepgang en de reikwijdte die nodig is om duidelijk maken waarom een auteur canoniek is.

Carl De Strycker, Yves T’Sjoen: Nolens handboek, PoëzieCentrum, Gent 2018, 210 p. ISBN 9789056553371 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies



ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri