Letterkunde

BOEKEN NR. 11, DECEMBER 2018

Cyrille Offermans : Een iets beschuttere plek misschien. Journaal 2017

door Christophe Van Eecke

Goed vier decennia lang is Cyrille Offermans een prominente essayerende stem in de Nederlandse letteren. Een iets beschuttere plek misschien is een journaal dat de auteur gedurende 2017 bijhield: een jaar dat getekend werd door de verkiezing van Donald Trump tot president van de Verenigde Staten van Amerika en de wansmakelijke manier waarop Europa op de zogenaamde vluchtelingencrisis heeft geantwoord. Deze geopolitieke thema’s duiken als een rode draad regelmatig op in dit boek, maar de hoofdmoot van het werkstuk is toch gewijd aan Offermans’ bespiegelingen over de boeken die hij leest en zijn observaties over de gebeurtenissen in dat meest wonderlijke der wonderlanden: het literaire bestel.
 
Offermans komt uit deze teksten als een bedeesd en bedachtzaam essayist naar voren, met, het moet gezegd, een soms stilistisch wat kleurloze pen. Daarbij heeft hij het, zoals hij zelf meermaals aangeeft, vooral zeer moeilijk om zichzelf bloot te geven. Het merendeel van de teksten in het boek zijn boekbesprekingen, notities bij lectuur, reflecties op cultuur en (wereld)politiek, en slechts occasioneel notities over het persoonlijk leven, en dan met name naar aanleiding van het overlijden van vrienden, de geboorte en linguïstische vooruitgang van kleinkinderen. Of notities over fietstochten die gemarkeerd worden door gedenktekens voor verongelukte fietsers, waar Offermans een verhaal achter tracht te verzinnen.  
 
Dat betekent dat het leven van Offermans, althans in de mate dat hij het beschrijft, zeer alledaags is. Ook de trieste zaken die hem overkomen, zoals het overlijden van dierbaren, behoren voor iedereen tot de gang van het leven. Voor zover men inkijk krijgt in Offermans’ leven, lijkt dit dan ook weinig opwindend en een beetje burgerlijk, al kan men de auteur nadrukkelijk niet beschuldigen van de mentale of morele bekrompenheid die dat adjectief doorgaans aankleven.  
 
Toch zijn de meningen en inzichten die Offermans formuleert, over literatuur of wereldpolitiek, doorgaans weinig controversieel. Deze lezer stelde in elk geval vast dat hij bijna altijd met de auteur kon instemmen, ongeacht of het nu ging over de schabouwelijke manier waarop Europa en Nederland met vluchtelingen omgaan, de onstuitbare neergang van het onderwijs, de cynische vermarkting en uitholling van het literaire bedrijf, of de algemene luidruchtigheid van onze late avondlandcultuur.
 
Bij veel van wat Offermans schrijft, voel je echter de rem op de pen, een expressieve terughoudendheid. De auteur geeft van bij het begin openlijk blijk van ambivalente gevoelens bij het idee een journaal te gaan bijhouden. Hij noemt het ook nadrukkelijk een journaal en geen dagboek: dat laatste is persoonlijk, het eerste is veeleer een reeks reflecties over het wereldgebeuren, geobserveerd met ‘de blik van de essayerende commentator op zoek naar geschikte stof’. Als dusdanig legt hij doorheen het jaar een collectie aan van notities en essays (waarvan een aantal, met name boekbesprekingen, in verschillende media werden gepubliceerd), waarvan hij enkel kan hopen dat er een zekere coherentie in te vinden zal zijn.  
 
In oktober 2017 is hij nog helemaal in het ongewisse over hoe het boek moet gaan heten. De uiteindelijke titel is ontleend aan een gedicht van Hans Tentije, dat hij eind februari integraal citeert. Nochtans geeft Offermans aan (en iedereen die ooit een boek heeft geschreven kan dat vermoedelijk bevestigen) dat een titel zich doorgaans op een bepaald moment spontaan presenteert vanuit de handeling van het schrijven. Het feit dat Offermans na tien maanden schrijven, en met de eindmeet in zicht, nog totaal niet weet hoe dat uiteindelijke boek er moet gaan uitzien en hoe het moet gaan heten, spreekt boekdelen over de ambivalentie die hij over de onderneming voelt. Offermans lijkt zich nooit echt met overgave in dit boekproject te hebben gegooid en lijkt op het einde opgelucht de taak van zich af te kunnen leggen.
 
Er zijn echter wel degelijk momenten in het boek waar Offermans zich blootgeeft. Dat zijn meteen ook de sterkste stukken in dit journaal. Bijna altijd gaat het dan om essays waarin hij zich persoonlijk betrokken weet bij en zich opwindt over fenomenen in het literaire bedrijf, waarvan hij het toenemende cynisme, gestuurd door een anti-literaire manager-mentaliteit, met scherpe pen ontleedt. Het mooiste en meest pakkende voorbeeld is zijn vlammende en gepassioneerde pleidooi voor de waarde en schoonheid van het werk van Jacq Vogelaar. De perfect gedoseerde en precies geformuleerde bevlogenheid die Offermans hier aan de dag legt, komt ook op andere momenten, zij het niet altijd met evenveel vuur, tot uiting. Het boek bevat bijvoorbeeld prachtige essays over het werk van Ivo Michiels, over Richard Sennett en over kunstenaar Jep van de Ven.  
 
Maar bijvoorbeeld ook over de lotgevallen van Charlotte Mutsaers in de mediastorm over de porno-collectie van haar overleden broer, waarvan Mutsaers zelf beweert slechts te hebben gefabuleerd dat die collectie ook kinderporno bevatte, die ze vervolgens zelf zou hebben proberen door te verkopen aan de uitbater van een seksshop. Wat het essay over Mutsaers zo bevreemdend maakt, is dat het tussen de regels door leest als het opzeggen van een vriendschap met de schrijfster. In december vergast Offermans ons ten slotte ook nog op een lang en bevlogen essay over bibliomanie, en sluit hij toch op een trefzekere manier af met een indringende vingerwijzing over de uitzichtloze oorlog in Syrië.

Het zijn net dergelijke sterke essays en observaties die de lezer van dit journaal met een ambivalent gevoel achterlaten. Doorheen het boek is er een constante wissel tussen bevlogen en minder opwindende stukken, waarbij nooit echt een gevoel van noodzaak of eenheid-in-veelheid ontstaat. De lezer krijgt vaak het enigszins treurige gevoel dat dit inderdaad een journaal is in de minimale zin van het woord: de chronologische collage van de kritische stukken die Offermans in de loop van het jaar heeft geproduceerd, aangevuld met een aantal bijkomende notities.
 
De aarzeling waarmee hij dit journaal heeft aangevat, heeft hem er blijkbaar van weerhouden om het ook een coherente vorm, of op zijn minst een urgente eenheid te geven. Als lezer blijft men zitten met het gevoel dat Offermans uiteindelijk vooral zichzelf tekort heeft gedaan door zijn journaal niets meer ambitieus te laten zijn dan de optelsom of collage van een kalenderjaar aan leesverslagen. Aan het begin van zijn schrijfjaar merkt Offermans op dat het aanbod om een deel voor de reeks Privé-domein te schrijven (het was hem al eerder aangeboden) waarschijnlijk zijn laatste kans zal zijn om een dergelijk lijvig boek min of meer met carte blanche en volledig persoonlijk in te vullen. Waarom dan niet méér gedaan met die kans en mogelijkheid?
 
Cyrille Offermans: Een iets beschuttere plek misschien: Journaal 2017, De Arbeiderspers, Amsterdam 2018, 564 p. ISBN 9789029525794. Distributie L&M Books 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 5, MEI 2019

Brutopia. De dromen van Brussel

Pascal Verbeken

De literatuur draait door

Sander Bax

De patiënten van dokter García

Almudena Grandes

Meneer Janeu

Georges Bernanos

Otmars Zonen

Peter Buwalda

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 5, MEI 2019

De dader

Antonia Michaelis

De geschiedenis van Jane Doe

Michael Belanger

Farwest

Peter Elliott, Kitty Crowther (ill.)

Konijn & Egel. Er komt geen einde aan het einde

Paul Verrept, Nils Pieters (ill.)

Mevrouw Wervelwind

Rindert Kromhout, Jan Jutte

naar overzicht


‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri