Poëzie

Menno Wigman: Mijn naam is legioen

door Yvan de Maesschalck

Wie een modern dichter zoekt die klassiek ogende gedichten schrijft over allesbehalve klassiek verwoorde thema’s, is bij Menno Wigman aan het juiste adres. In zijn recente bundel Mijn naam is Legioen heeft Wigman meer dan ooit gezorgd voor formeel puntgave gedichten. Ze vallen op door hun strofische opbouw, waarbij variërende patronen te herkennen zijn, tot een alternatief geordend sonnet en flessenhalsgedicht toe. Hoe vormelijk hij ook te werk gaat, afgekauwde rijmschema’s mijdt hij als de pest, maar binnenrijmen, alliteraties en assonanties enten zich als het ware ‘spontaan’ op verzen die gevat lijken in een hoogst natuurlijke taal.
 
Die natuurlijke taal zorgt voor een aanzienlijke graad van transparantie en toegankelijkheid. Wigman streeft een soort nulgraad van de literatuur na, waarbij de helderheid van zijn register de bedrieglijke orde van stad, straat en stulp ontmaskert. Het openingsgedicht ‘Tot mijn pik’ zet de toon en die is er een van grondeloos defaitisme: ‘Ooit wist je alles van genot. Iets met / voltage, wijsheid — ach mijn sleutel tot’. Wat overblijft is het besef dat wie schrijft hooguit een welluidende zwarte ruis produceert. In de eerste strofe van het slotgedicht ‘De weg van alle boeken’ vertolkt hij dat besef zo:
 
Ik had vandaag een nieuwe pen gekocht
en zeven keer schreef ik mijn naam.
Toen moest ik huilen, God, wat huilde ik.
Ik dacht: iets scheefs verkankert mijn gedicht.
Ik zag mijn schrijfhand en ik wist.
 
Deze probatio pennae is afkomstig van een ik-figuur die vergeefsheid en hopeloosheid belijdt met een klinische bedachtzaamheid die de lezer soms koude rillingen bezorgt. Hij plaatst daarbij de voorbije millenniumgekte lijnrecht tegenover de banaliteit van de werkelijkheid. Een werkelijkheid waarin de literatuur op sterven na dood is en Gods almacht uitmondt in ‘een goddelijk trauma dat ik niet noem’. Hoezeer hem dat trauma persoonlijk treft, blijkt bijvoorbeeld uit ‘Kamer 421’:
 
Mijn moeder gaat kapot. Ze heeft een hok,
nog net geen kist, waar ze haar stoel bepist
en steeds dezelfde dag uitzit. Uitzicht
op bomen heeft ze, in die bomen vogels
en geen daarvan die zijn verwekker kent.
 
De lelijkheid eigen ‘aan het gesjacher dat ons lichaam was’, zit op één lijn met het ecologische debacle waar de menselijke soort voor tekent. Daar laat de tweede reeks geen twijfel over bestaan, zoals in ‘Vuilstort’ wordt uitgespeld:
 
Een terp van dode dingen tergt de lucht.
Niets is zichzelf. Veel jichtig huisraad. Vocht,
zwart vocht dat uit een koelkast welt. Voorgoed
kapot, versjacherd, mensenhanden moe
walmt me een stad van afval tegemoet.
 
In de derde reeks gaan alle maatschappelijke taboes onverbiddelijk voor de bijl. Geen godsbeeld, geen politiek correcte ethiek zetten de dichter aan tot enige terughoudendheid. Hier wordt genadeloos ontluisterd en herinnerd aan de zorgeloosheid waarmee een ingeslapen god dood en zelfmoord gedoogt, welke signatuur hij ook moge hebben: 
 
‘Een zure godheid,
 
er huist een gure godheid in mijn wijk
voor wie het bitter knielen is en ik,
ik troon op mijn balkon en denk: zon,
kijk dan godverdomme, daar komt de zon’.
 
Vrijmoedigheid, taboeloosheid, desacralisering kenmerken alle gedichten in deze ongedwongen bundel. Zo wordt zijn onverdroten poging Hitler te ontmythologiseren weggespoeld in een ordinaire douche: 
 
‘Ik las ik weet niet hoeveel boeken, bleef
maar in het leven van Adolfus wroeten,
de zeven scheppen suiker in zijn thee,
Geli, Eva, teelbal, spuuglok, zweep – wat
moest ik ermee?’ 
(‘Hitlermüde’)
 
De endemische waanzin van de mens houdt de dichter in de ban, zo blijkt vooral uit de vierde reeks. Het daarin centraal geplaatste ‘Brief aan een luie vriend’ eindigt met het volgende apocalyptische beeld:
 
Ver van de steden trekken bomen tegen bomen op.
                        Takken, wortels, alles wurgt
            elkaar, struiken, vechten en verdelgen, gras wint aldoor veld.
            Niks ruikt naar God. De aarde neemt een nieuw begin.
                 De dieren voeren eensgezind een paspoort in.
 
Mijn naam is Legioen
is een bundel die de koorts registreert van een verstedelijkte cultuur. De signalen van zinledigheid zijn talloos, want de maniakale beoefenaars ervan zijn inderdaad legio. Alles is tenslotte een kwestie van perspectief. Die van Marinus van der Lubbe, die in ‘1933’ de Rijksdag in de fik stak: ‘Ben ik zo vaag? Het woord was aan mijn vlammen’? Of die van de glazenwasser die ‘op acht hoog’ de ‘kunst’ bewondert die binnenskamers prijkt, maar zelf ongezien blijft ‘als een ijskoud schilderij / waar niemand oog voor heeft’? Of die van een stuntelende minnaar, die hevig naar zijn naakte liefste haakt in ‘Promesse de bonheur’:
 
Ze neuriet zacht en ik zit verhevigd in haar bed.
Oneindig wakker is ze, warm en trots en zacht
en mooi, zo mooi, ik krijg het niet gezegd.
 
Het is een liefde die. Het is een wonder dat.
En alles wat ik van een lichaam heb verlangd
staat voor mijn ogen naakt te zijn,
 
Ik hou erg veel van Menno Wigmans poëtisch gestamel. Hij is een dichter die. Hij schrijft zo aanstekelijk dat. In ieder geval is hij een dichter die zich, in het spoor van Rimbaud, tot geen enkele doctrine bekent. 'Ni Dieu, ni maître': het stond al te lezen in zijn essaybundel Red ons van de dichter, en het wordt hier met verve herhaald. 
 
Menno Wigman: Mijn naam is legioen, Prometheus, Amsterdam 2015, 65 p. ISBN 9789044619836. Distributie Pelckmans Uitgevers


Oorspronkelijk verschenen in De Leeswolf 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 5, MEI 2019

Brutopia. De dromen van Brussel

Pascal Verbeken

De literatuur draait door

Sander Bax

De patiënten van dokter García

Almudena Grandes

Meneer Janeu

Georges Bernanos

Otmars Zonen

Peter Buwalda

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 5, MEI 2019

De dader

Antonia Michaelis

De geschiedenis van Jane Doe

Michael Belanger

Farwest

Peter Elliott, Kitty Crowther (ill.)

Konijn & Egel. Er komt geen einde aan het einde

Paul Verrept, Nils Pieters (ill.)

Mevrouw Wervelwind

Rindert Kromhout, Jan Jutte

naar overzicht


‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri