Non-fictie

BOEKEN NR. 11, DECEMBER 2018

Toni Morrison: De herkomst van Anderen

door Jen de Groeve

‘Ras is de classificatie van een soort, en wij zijn het menselijk ras, punt uit. Maar wat is dan dit andere – de vijandigheid, het sociale racisme, het wegzetten van mensen als een Ander?’
 
De herkomst van Anderen bundelt de zes Norton Lectures die Nobelprijswinnares Toni Morrison in 2016 gaf aan Harvard University. Ze gaat erin na waar de nood uit voorkomt om mensen als vreemdeling te bestempelen, hun de hele geschiedenis door tot op vandaag met geweld, wetten, hekken en muren buiten te sluiten, en hoe het komt dat de huidskleur daarin een bepalende factor is. Ze doet dat aan de hand van documenten, persoonlijke ervaringen en, vooral, de verwerking van het thema in de literatuur, want ‘verhalende fictie biedt een gecontroleerde wildernis, een gelegenheid om de Ander te zijn en te worden. De Ander. De vreemdeling. Met inlevingsvermogen, helderheid en het risico een blik in de spiegel te werpen.’
 
Morrison stelt in haar eerste lezing, ‘Het romaniseren van slavernij’, dat er nauwelijks beschrijvingen zijn van culturele, raciale en fysieke verschillen tussen mensen ‘die duiden op ‘Anders-zijn’’ maar niet aan ‘classificeringen als waarde of positie’ doen. Daarbij is ras ‘altijd doorslaggevend geweest voor verschil, net als rijkdom, klasse en geslacht – stuk voor stuk aspecten die van doen hebben met macht en de drang om te overheersen’. Zo zet Samuel Cartwright (1793-1863), slavenhouder en arts uit het zuiden, de wetenschap in om een beeld van de zwarte te construeren dat de slavernij rechtvaardigt – de ‘aangeboren indolentie’ van de zwarte, aldus Cartwright, maakt hem hooguit nuttig, indien goed beheerd door een blanke. Naast extreem geweld – inherent aan een ‘goed beheer’ – was ook de romantisering een manier om zich te verzoenen met de slavernij, die ook in de 18de en 19de eeuw ontegensprekelijk als een onmenselijke praktijk moet zijn ervaren – volgens de Fugitive Slave Act waren slaven geen mensen, maar ‘bezit’, wat een ‘onmenselijke’ behandeling rechtvaardigde. Uncle Tom’s Cabin van Harriet Beecher Stow noemt Morrison een ‘literaire afweer’ tegen de angst van haar blanke publiek voor de zwarte.  
 
Morrison gaat ook regelmatig in op haar eigen werk: Het blauwste oog, waarin ze de schade van raciale zelfhaat onderzoekt, Het paradijs, over raciale superioriteit, Een daad van barmhartigheid, hoe Amerika zijn fundamenten bouwt op racisme en uitbuiting, en God sta het kind bij, waarin de personages zich tevergeefs trachten los te werken van hun geschiedenis. De roman waar ze nu aan werkt zal gaan over ‘de vorming van een racist – hoe belandt iemand vanuit een niet-raciale baarmoeder in de baarmoeder van het racisme.’  
 
In ‘Vreemdeling zijn of worden’ illustreert ze met Flannery O’Connors kortverhaal ‘The Artificial Nigger’ uit A Good Man is Hard to Find en Bruce Baums The Rise and Fall of the Caucasian Race dat ras een ‘uitvloeisel is van macht’ en dat het onmenselijk racistisch handelen voortvloeit uit het verlangen om de eigen menselijkheid in stand te houden. Morrison licht dat ook toe aan de hand van een persoonlijke anekdote over een ontmoeting met een pover uitgedoste, zwarte vrouw die met een zelfgemaakte hengel zit te vissen aan de rand van haar tuin. Ze slaan een gezellig babbeltje en nemen afscheid in de onuitgesproken verwachting dat ze elkaar weer zullen zien. Maar de vrouw komt niet terug, meer nog, niemand heeft haar ooit gezien. Ze lijkt niet te bestaan en Morrison begint eraan te twijfelen of ze de hele ontmoeting niet heeft gedroomd. Haar verwondering daarover slaat om in ergernis en daarna verbittering. De vrouw heeft haar achtergelaten met ‘een gemis’: de ‘kans om me te laten zien van mijn meest genereuze en beschermende kant en me tevens beschermd te weten.’ Wanneer de vrouw verdwijnt neemt ze dat gunstige beeld mee dat Morrison van zichzelf had gecreëerd.  
‘En is dat niet precies wat we vrezen dat vreemdelingen zullen doen? Verstoren. Verraden. Laten zien dat ze anders zijn dan wij.’
 
Morrison had de vrouw geromantiseerd en zich toegeëigend, ‘ik verlangde naar een bepaald aspect van mezelf dat ik miste’. Vreemdelingen bestaan niet, dat is de clou van het betoog, alleen ‘versies van onszelf’ en dat is de reden waarom we de Ander willen bezitten en overheersen. ‘Om haar waar mogelijk, weer terug in onze spiegel te fabuleren […] ontnemen we haar haar eigenheid, de kenmerkende individualiteit waar we voor onszelf zoveel waarde aan hechten.’  
 
In ‘De kleurenfetisj’ gaat ze na hoe huidskleur gebruikt wordt in de literatuur. Hoe bij Faulkner in Absalom, Absalom rassenvermenging moreel minder acceptabel is dan incest, en zelfs zo ondraaglijk dat ze tot moord leidt. Ze onderzoekt waarom Hemingway in To Have and Have Not met de combinatie van incest, huidskleur en seksualiteit de intensiteit en de spanning in zijn verhaal zoveel hoger maakt dan wanneer hij het aspect huidskleur had weggelaten. In haar eigen werk neigt ze steeds meer naar een typering van zwart en blank op basis van cultuur en niet van huidskleur. Eerst expliciet in Het paradijs, en ook in haar twee recentste romans, Thuis en God sta het kind bij. Ze doet dat om aan te tonen hoe veranderlijk en betekenisloos het is.
 
‘Krijg je echt een beter begrip van deze personages als je weet tot welk ras ze behoren? Wat weet je dan precies?’
 
Op de vraag of dit een vorm is van literair witwassen van zwarte personages, is het antwoord negatief, maar wel:
 
‘Ik ben vastbesloten om het goedkope racisme onschadelijk te maken en om het stelselmatige, achteloze, alomtegenwoordige kleurfetisjisme, dat herinneringen oproept aan de slavernij zelf, te bevragen en uit te bannen.’
 
‘Over de andere verhalen’ is zo goed als volledig gewijd aan Morrisons wellicht bekendste roman, Beminde (1987), waarvoor ze als uitgangspunt de geschiedenis van de slavenmoeder Margaret Garner nam, die in 1856 haar kinderen vermoordde om ze van de slavernij te redden. Morrison wekt er de vermoorde dochter, Beminde, in tot leven, omdat zij tenslotte als enige het recht heeft te oordelen over haar moeders daad. Margaret Garner werd niet veroordeeld tot de doodstraf omdat de rechter op basis van de Fugitive Slave Act oordeelde dat ze slechts handelswaar was, geen mens met verantwoordelijkheden. Hetzelfde gold voor haar nakomelingen. Tot op vandaag is de literaire creatie Beminde ‘de ultieme Ander. Roepend, eeuwig roepend om een zoen.’
 
In de laatste lezing, ‘Het huis van vreemden’, knoopt Morrison aan bij de massale vluchtelingenstromen van de laatste decennia. Het gaat om ruim zestig miljoen vluchtelingen, waarvan de helft kinderen. De krampachtige manier waarop we onze grenzen trachten te beschermen en te sluiten, is ingegeven door angst voor de globalisering (die een dreiging, zowel als een belofte inhoudt) en onze ongemakkelijke houding ten opzichte van het vreemde in onszelf. We meten ons, aangedreven door angst, een cultureel pantser aan, wat ertoe kan leiden dat we ‘de vreemdeling in onszelf’ loochenen, en weigeren te erkennen dat de mensheid één is.  
 
De herkomst van Anderen is een grenzeloos boeiende en meeslepende zoektocht. Voor de lezer van Morrisons literaire werk alleszins, want de plaats van de zwarte Amerikaan in zijn door en door racistische omgeving is in haar hele oeuvre onveranderlijk het onderwerp. Deze bundel vormt een uiterst interessante en welgekomen achtergrond bij de lectuur van haar romans, vooral omdat ze daarin haar lezers hoe langer hoe meer verplicht zelf coherentie te zoeken in de gefragmenteerde, ontregelende geschiedenissen die ze vertelt.
 
De uitsluiting van mensen is echter helaas een actualiteit die iedereen aangaat. Denk aan de zwarte Amerikanen, die nog altijd met een schrikwekkende regelmaat vallen onder politiekogels en de wereldwijde vluchtelingenstromen die meedogenloos gestopt worden aan de grenzen van het welstellende deel van de wereld. De Amerikaanse schrijver-journalist Ta-Nehisi Coates (National Book Award Nonfiction 2015 voor Tussen de wereld en mij – Amsterdam UP, 2015) heeft de bundel voorzien van een verhelderende inleiding, die verbanden legt, feiten en literatuur toevoegt die een duidelijk actueel kader vormen. Dat is graag meegenomen, want Morrisons betoog is intellectueel uitdagend en haar gedachtegang soms grillig. Maar haar erudiete beschouwingen en nauwgezette analyses gaan gepaard met een grote persoonlijke en maatschappelijke betrokkenheid, wat aan deze kleine bundel uniciteit en een bijzondere overtuigingskracht verleent.
 
Toni Morrison: De herkomst van Anderen, De Bezige Bij, Amsterdam 2018, 127 p. ISBN 9789403122601. Vertaling van The Origin of Others door Nicolette Hoekmeijer. Distributie Standaard Uitgeverij 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 6, JUNI 2019

Ik zal de wereld nooit meer zien. Aantekeningen uit de gevangenis

Ahmet Altan

Kamer in Oostende

Koen Peeters

Lief slecht ding

Frank Keizer

Onrustige dagen

F.B. Hotz, Thomas Heerma Van Voss (sam.)

SS Proleterka

Fleur Jaeggy

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 6, JUNI 2019

* De eerste avonturen van de Rode Ridder, 1959-1961

Een ridder voor alle seizoenen

De boom met het oor

Annet Schaap, Philip Hopman

Mijn mama

Annemarie van Haeringen

Poëzie hardop

Hans Hagen, Monique Hagen, Maartje Kuiper (ill.)

Twee maal op reis door het brein.

Verdwalen in Breinstein of inzicht in het hoofd

naar overzicht


‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri