Vertaald proza

BOEKEN NR. 3, MAART 2019

Marie Darrieussecq: Ons leven in de bossen

door Elisabeth Francet

Geschreven in de geest van posthumanisme

Dat Marie Darrieussecq (1967) een schrijfster met lef is én van vele markten thuis, bewijst haar jongste roman, Ons leven in de bossen. Zonder scrupules lapt ze literaire conventies aan haar laars en experimenteert met stijl en vorm. Met deze roman heeft Darrieussecq een uitdagend, curieus en dystopisch buitenbeentje op de wereld gezet.

Een openingszin als een knallende champagnekurk: 'Ik deed mijn ene oog open en pats, alles was me duidelijk.' De eenogige psychotherapeute Viviane leeft samen met een groep rebellen ondergedoken in de bossen, op de vlucht voor een totalitaire samenleving waar hightech, 'surveillance kapitalisme' en medisch fanatisme burgers vanaf hun geboorte lichamelijk, mentaal en emotioneel onder de knoet houden. Een groep misnoegden voor wie de maat vol was, besliste om offline te gaan, hun implantaten te verwijderen, hun klonen ('slapende helften') te ontvoeren en zich terug te trekken in de bossen, de enige plek waar ze zich kunnen verbergen. Daar trainen de vluchtelingen hun helften. Ze leren hen lopen, spreken, werken. In de wereld waar ze vandaan komen, zijn klonen niet meer dan reservoirs van organen, kunstmatig in slaap gehouden, een levensverzekering voor hun wakkere helft.

Het is uiterst moeilijk om ons vandaag een posthumane wereld voor te stellen: een wereld waarin de mensheid uiteengevallen is in sub-soorten, die in verschillende richtingen geëvolueerd zijn en als 'mens' voor de tegenwoordige mens onherkenbaar zijn. Wij zijn nog aan het wennen aan een transhumane wereld, waarin het menselijk lichaam geüpgraded wordt met nieuwe technieken, zodat het niet meer veroudert en kan evolueren tot posthumaan. Er zijn filosofen die opperen dat we nu reeds in een posthumane wereld leven, maar dat nog niet beseffen. Met die hypothese ging Darrieussecq in haar roman aan de slag.

De ik-verteller, Viviane, evolueert in de roman tot een archaïsche mensensoort. Na een plots inzicht sluit ze zich aan bij de rebellen in de bossen en probeert er haar verloren band met de natuur en zichzelf te herstellen. Dat lijkt aardig te lukken, tot ze tot een gruwelijk besef komt bij het bekijken van een documentaire waarop welgestelde bejaarden te zien zijn. Wanneer ze inzoomt op het gezicht van een bejaarde vrouw, realiseert Viviane zich plots welke rol zijzelf al die tijd speelde.

Onzeker begint Viviane haar verhaal op te tekenen. Tijd is er nauwelijks. Ze weifelt: zal ze beginnen met het introduceren van haar helft Marie of haar geliefde, de 'aanklikker'? Ze is verward en maakt voortdurend bokkensprongen in tijd en ruimte (Darrieussecq geeft nergens aan waar en wanneer het verhaal zich afspeelt).

Viviane wordt heen en weer geslingerd tussen afkeer, fascinatie en liefde voor haar kloon Marie. Ze is zowel mooi, puur en trouw als onbeholpen, dom en bang. Viviane slaat Marie om haar stil te houden en bindt haar vast opdat ze niet zou vluchten. Ze zijn elkaars evenbeeld. De 'aanklikker', een van de rebellenleiders en ex-patiënt van Viviane, was depressief in de wereld waar ze vandaan komen. Zijn geestdodende job bestond alleen uit het aanklikken van woorden, beelden, emoties om robots gedachteassociaties bij te brengen, waardoor ze empathisch worden. Het was Vivianes taak om zijn getraumatiseerde brein te herprogrammeren en hem te helpen een denkbeeldige veilige plek te vinden. 'Ons brein is kneedbaar. Veel meer dan een robotbrein.' Op een dag verdwijnt de aanklikker spoorloos.

Viviane denkt terug aan de tijd voor haar vlucht. Ze herinnert zich het omslagpunt. Na een nieuwe golf van aanslagen ging alles op slot. Iedereen was bang, niemand ging de straat nog op. Hoge raamloze appartementsgebouwen verrezen in de straten. Burgers werden van chips voorzien. Voor de veiligheid. Voor de controle. Dan kwam de golf van ontvoeringen. Mensen verdwenen. Het gerucht deed de ronde dat er iets in het drinkwater zat. Een verdovend middel. Je droomde niet meer. Pas na haar oogamputatie begint Viviane iets te vermoeden en besluit zelf te verdwijnen voor het te laat is.

In de bossen is ze eindelijk in staat om, met haar ene oog, te zien hoe de wereld waar ze vandaan komt werkelijk in elkaar zit. Ze probeert een leven op te bouwen met haar helft aan haar ene en de aanklikker aan haar andere zijde. Ze verzekert de toekomstige lezers van haar getuigenis dat het mogelijk is zich los te maken van die andere wereld en nomadisch te leven. Dat het mogelijk is om helemaal opnieuw te beginnen. Maar ze zal snel moeten zijn. Ze heeft het koud. Ze vereenzaamt. Gehavend en verzwakt door ziektes, transplantaties en amputaties, tracht ze wanhopig met wat haar nog rest een noodkreet de wereld in te sturen, een boodschap in een fles.

Metadystopie
Ons leven in de bossen is een intelligente roman, op voorwaarde dat je hem leest als 'metadystopie': een dystopie over een dystopie. Een verhaal dat vormelijk, inhoudelijk en ideëel alle eigenschappen heeft van een dystopie, is van nature afstotelijk. Verstoken van poëzie, schoonheid en ziel lijkt deze roman integraal geschreven te zijn in de geest van posthumanisme. Begin er maar aan! Zo'n metadystopie leest ook behoorlijk ongemakkelijk. Darrieussecq serveert de lezer een gebrekkig, rommelig verhaal en een verteller zo armoedig van geest en lichaam dat er nauwelijks een passage zonder ergernis te lezen valt. Maakte de schrijfster doelbewust de keuze om die armoede niet te compenseren met een poëtische stijl, vloeiende taal of sprekende beelden? Waarom zou ze diepgang veinzen als er geen diepgang is? Waarom leegte verdoezelen? Een gedurfde aanpak.

Darrieussecq laat de verteller weifelen, twijfelen, hakkelen, herhalen, in een taal die bulkt van clichés en stopzinnen: 'dat is niet oké', 'waar was ik alweer', 'hoe zal ik het zeggen', 'ik bedoel'. In de literatuur is dat storend. Het verhaal kon me op geen enkel moment boeien. Verstoken van connectie met verhaal en verteller, bleef ik tot en met de laatste zin op mijn honger zitten, vervuld van ergernis. Maar! Druppelsgewijs begon Darrieussecqs roman op mijn geest in te werken, als een gif dat zich langzaam verspreidt. De dagen nadien bleef ik maar kauwen en verteren. Onbegrip veranderde in nieuwsgierigheid. Weerzin werd verwondering. Antwoorden transformeerden zich tot vragen en zekerheden ontwikkelden zich tot twijfels. Mijn slapende helft werd wakker. Ik besloot het boek op een andere manier te benaderen. Beoogde Darrieussecq dat effect? Ik twijfel er niet aan.

Een hypothese: Darrieussecq houdt ons een spiegel voor. Subtiel waarschuwt ze voor het posthumanisme dat mogelijk nu al aan de gang is. Ons leven in de bossen kan té makkelijk weggezet worden als een slordig geschreven niemendalletje, als een hoop flauwekul. Ik meen dat de sterkte van de roman zit in wat ontbreekt, in wat Darrieussecq afwezig laat zijn. Een uitgangspunt dat een afwijkende manier van lezen vereist.

Gooi esthetische criteria maar beter meteen overboord wanneer u aan deze roman begint, begeef u op metaniveau en concentreer u op wat de auteur wil zeggen met wat ze niet zegt. De diepgang zit in de reflectie over het ontbreken van diepgang. Indien uw nieuwsgierigheid gewekt is, zou ik u aanraden zelf de proef op de som te nemen. Maar opgepast: het valt niet uit te sluiten dat u zich bekocht zal voelen. Net als een knallende champagnekurk kan dit boek u bij wijze van spreken van een oog beroven. Evengoed kan het tot een plots ontwaken leiden.

Marie Darrieussecq: Ons leven in de bossen, De Arbeiderspers, Amsterdam 2018, 144 p. Vertaling van Notre vie dans les forêts door Mirjam de Veth. ISBN 9789029524964. Distributie L&M Books

deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri