Vertaald proza

BOEKEN NR. 6, JUNI 2020

Guzel Jachina: Wolgakinderen

door Jo Vanderwegen

Een aantal jaar geleden scoorde Guzel Jachina met haar debuutroman Zulajka opent haar ogen zowel in thuisland Rusland als in de rest van de wereld een terechte bestseller. De vuistdikke roman over de gewelddadige opkomst van het communisme en de daaruit voortvloeiende verbanning van hoofdpersonage Zulajka naar een werkkamp in Siberië was dan ook meeslepend geschreven in een heldere stijl. En dan is er nu Wolgakinderen, een nog dikkere roman, die zich tegen dezelfde achtergrond afspeelt maar behoorlijk anders uitvalt.
 
De Duitse kolonie Gnadenthal – aan de Wolga gelegen – aan het begin van de twintigste eeuw lijkt een plek waar de tijd heeft stilgestaan. De Duitse immigranten zich daar die op uitnodiging van tsarina Catharina de Grote in de late achttiende eeuw vestigden, leven vrij geïsoleerd, spreken geen woord Russisch, en zweren bij oude tradities. Dorpsleraar Jakob Bach is een wat marginaal figuur met een rustige dagindeling, tot zijn leven op zijn kop wordt gezet door de uitnodiging van Udo Grimm: deze herenboer wil immers dat Bach zijn dochter Klara privé-onderricht geeft. Het onvermijdelijke gebeurt: Jakob Bach en de jonge Klara worden verliefd, en moeten uiteindelijk als kluizenaarskoppel in de bossen gaan samenwonen omdat de dorpelingen hun relatie afkeuren.  
 
Guzel Jachina’s schrijverschap onderging de afgelopen jaren een duidelijke groei, getuige de vele lagen en knipogen die ze in Wolgakinderen inbouwt. In haar debuut isoleert de communistische terreur hoofdpersonage Zulajka door haar naar een werkkamp te sturen – in Wolgakinderen daarentegen kan Jakob Bach nu net jarenlang aan diezelfde terreur ontsnappen omdat hij half-vrijwillig kiest voor een kluizenaarsbestaan. Wolgakinderen is dus zeker geen doorslagje van de eerste worp, maar eerder een uitdieping van reeds aangesneden thema’s, zoals bv. de vraag hoe het dagelijkse leven evolueert in een land waar de maatschappij helemaal op zijn kop wordt gezet.
 
Het begin van Wolgakinderen is héél sterk negentiende-eeuws Russisch met klemtoon op de verhaallijn, de rijke beschrijvingen en het stuwende ritme. Naturalistische ernst en komische noten vinden een goede afwisseling. Gaandeweg verlaat Jachina het strikt naturalistisch-realistische pad en waagt ze zich aan poëtische elementen en een sprookjesachtige sfeer. Waar in Zulajka opent de ogen sprookjesachtige invloeden slechts sporadisch opdoken om de wreedste passages te verbloemen, baadt hier de hele roman in die sfeer. Jachina trekt dit element zelfs zover door om hiermee in het midden van haar boek uit de eigenlijke vertelling te breken: hoofdpersonage Jakob Bach gaat zich toeleggen op het schrijven van sprookjes, en zijn eerste verhaal is eigenlijk meteen een samenvatting van de eerste helft van het boek.
 
Het zijn zulke speelse elementen die van Wolgakinderen een veellagig verhaal maken met meer ingrediënten dan op het eerste zicht lijkt. Wanneer Bach verderop in het verhaal merkt dat zijn gepubliceerde sprookjes zelfs effectief de kracht hebben om het alledaagse leven van de mensen rondom hem te veranderen, boort Jachina de gekende thematiek van de (al dan niet beïnvloedende) observator aan, die sterk gelinkt lijkt met het hoofdthema van Friedrich Dürrenmatts klassieker Der Auftrag oder Vom Beobachten des Beobachters der Beobachter (en dus indirect met het godsbeeld, de macht van de Schepper over zijn eigen schepping, en dergelijke meer). Zelfs op minder abstracte niveaus krijgt de lezer indirect talrijke vragen voorgeschoteld, zoals: moet het communisme in Rusland worden gezien als een slecht aflopend, wreed sprookje?  
 
Zoals hierboven gezegd, won Jachina’s stijl in de loop van de jaren aan rijpheid. Het veelvuldig gebruik van een idyllische, poëtische fantasie en knappe beeldspraak is hier de beste getuigenis van. Zo last de schrijfster als contrapunt tegenover de hoofdverhaallijn regelmatig scènes uit Stalins leven in. Deze zijn krachtig geschreven met sterke beelden en bevatten een enorme, natuurlijk aandoende symboliek. Helaas loopt deze secundaire verhaallijn een beetje verloren – de integratie wil niet zo goed lukken, niet het minst omdat het hoofdverhaal eigenlijk geen uitweidingen nodig heeft – maar de lezer kan er in elk geval verzekerd van zijn dat Guzel Jachina nog heel wat in haar mars heeft. Ondanks dit kleine minpuntje is Wolgakinderen een bijzonder geslaagde roman te noemen, waarin heel veel te ontdekken valt en die toch zowel qua inhoud als stijl bijzonder toegankelijk is.
 
Guzel Jachina: Wolgakinderen, Querido, Amsterdam 2020, 536 p. ISBN 9789021416120. Vertaling van Deti moi door Arthur Langeveld. Distributie L&M Books 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 7, JULI 2020

Brieven in de nacht

Hoda Barakat

De onvolmaakten

Ewoud Kieft

De poort

Natsume Sōseki

Het verschroeide land

Emiliano Monge

Ieder zijn eigen meer

Nenad Joldeski

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 7, JULI 2020

Dick Bruna

Bruce Ingman, Ramona Reihill

Het boek van Jongen

Catherine Gilbert Murdock, Ian Schoenherr (ill.)

Ik heet Reinier en ons huis is afgebrand

Joke van Leeuwen

Offerkind

Rob Ruggenberg

Vogel Vliegop

Julia Donaldson, Catherine Rayner (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri