Non-fictie

BOEKEN NR. 8, SEPTEMBER 2020

Anna Enquist: Tegenwind. Essays en beschouwingen

door Carl De Strycker

Wie de lange bibliografie van Anna Enquist op pagina 287 van Tegenwind bekijkt, moet vaststellen dat dit haar eerste essayboek is. Eerder verschenen gedichten, romans, verhalen, monologen, cd’s, en een portret van Gerrit Kouwenaar (verschenen in de reeks Privé-domein, wat waarschijnlijk synoniem is voor ‘egodocument’), maar dus niet eerder werden beschouwende stukken van haar in boekvorm gepubliceerd. In deze bundel verzamelt ze de in de loop van de jaren verspreid verschenen stukken en clustert die thematisch. De zes hoofdstuktiteltje vallen samen met de interessegebieden die we al kenden uit haar werk: ‘Kunst’, ‘Therapie’, ‘Schrijven’, ‘Muziek’, ‘Bewegen’ en ‘Nadenken’. Die onderdelen kunnen ook verbonden worden met de biografie van Enquist, die als klassiek pianiste werd opgeleid, vervolgens psychoanalytica werd, ging schrijven, van kunst en voetbal houdt en met haar werk dieper wil graven.   

Dat ik zo nadrukkelijk de link leg met de biografische achtergrond van de schrijfster, heeft alles te maken met het sleutelstuk uit de bundel, ‘Het belang van de biografie’, uit het onderdeeltje ‘Therapie’. Weliswaar is dit een stuk over het verschil tussen de huidige benadering in de klinische psychologie die gericht is op symptoombestrijding en de psychoanalytische aanpak die de klachten van een patiënt in het bredere kader van de eigen levensloop beschouwt en vandaaruit tracht te verklaren. Ze probeert duidelijk te maken waarom het een verlies is de biografie van iemand buiten beschouwing te laten.
 
Dat lijkt ook de opvatting die voor de teksten in dit boek geldt, want haast alle stukken hebben een biografische insteek. Uiteraard neemt de essayist zichzelf als uitgangpunt, en dat levert mooie persoonlijke stukken op zoals een verslag over het bezoek aan een buitenlands festival, een beschouwing over hoe het is om als schrijver vertaald te worden, of het verhaal van het studeren van een moeilijke partituur. En Enquist maakt ook duidelijk dat het voor een therapeut belangrijk is om interesse te hebben voor het leven om te kunnen begrijpen wat er aan de hand is, maar haar eigen belangstelling daarvoor neemt wel eens te veel de overhand.
 
Bijvoorbeeld in het stuk over Thomas Bernhard, een schrijver die ze bewondert en van wie ze het werk in één zin raak weet te typeren (‘Een monument van wrok en razernij, een grootmeester van de scheldkanonnade, dat was hij.’), maar de overige tien bladzijden eigenlijk alleen maar over diens leven en niet over zijn fascinerende werk schrijft. Hetzelfde geldt voor het essay over Kouwenaar. Daarin onderscheidt ze zeven thema’s in zijn werk, maar minder dan op de gedichten in te gaan, vertelt ze anekdotes en herinneringen, waarmee de weinige verzen die geciteerd worden, gereduceerd worden tot een illustratie van het leven van de dichter. Die biografische interesse wordt tijdens het interview met een van de eerste voetbalsters van Nederland zelfs heel erg saai, precies omdat het niet meer is dan een levensschets, en waarom moet iemand die niet geïnteresseerd is in voetbal dat dan interessant vinden? Pas als Enquist met behulp van de biografie gaat interpreteren, zoals in de stukken over haar kleinzoon of het essay waarin ze haar eigen gedicht ‘Opus 126’ analyseert, vormt de biografische insteek echt een meerwaarde.
 
De beste stukken zijn waarschijnlijk die waarin de persoonlijke ervaring aan psychologische of maatschappelijke inzichten worden gekoppeld: het essay waarin muziek spelen en schrijven met elkaar worden vergeleken, het grote stuk over nieuwsgierigheid, en het slotstuk, een wat bittere tekst waarin gesteld wordt dat in onze hedendaagse maatschappij de diepgang en concentratie verloren gaan waardoor mensen hun interesse voor muziek en literatuur verliezen. Wat daarbij opvalt, is dat Enquist enigszins misnoegd vaststelt dat boeken die wel nog gelezen worden ‘niet de “verzonnen” romans [zijn], maar de boeken met een waargebeurd verhaal. Het turbulente leven van een voetbalheld, de tragische liefde tussen beroemdheden, het verhaal over de dood van het kind van de schrijver.’ Maar is zij zelf niet al twintig jaar een dichteres die haast enkel nog over de dood van haar dochter kan schrijven? En is zij bij uitstek niet heel erg geïnteresseerd in het geaccidenteerde leven van mensen, zoals blijkt uit veel van de stukken in dit boek?
 
Jammer is ook dat de essays niet herzien of geactualiseerd zijn. Niet alleen levert dat vreemde zinnen op zoals deze waarin beweerd wordt dat ‘er een paar maanden geleden een boek’ verscheen, waarna er verwezen wordt naar een publicatie uit… 1999. Vooral echter heeft de auteur de kans laten liggen om een aantal aanknopingspunten met vandaag te expliciteren, want die zijn er zeker. Niettemin blijven veel van de essays minstens prettig om te lezen en af en toe ook relevant, niet het minst voor de interpretatie van het werk en de literatuuropvatting van de schrijfster.
 
Anna Enquist: Tegenwind. Essays en beschouwingen, De Arbeiderspers, Amsterdam 2020, 288 p. ISBN 9789029542241. Distributie Standaard Uitgeverij 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies



ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri