Italiaanse literatuur

BOEKEN NR. 7, JULI 2017

Claudio Magris: Het museum van oorlog

door Inge Lanslots

De alom gelauwerde Claudio Magris (1939) staat niet meteen geboekstaafd als een makkelijke auteur. Magris gelooft namelijk niet in middelmatigheid, doet grondig zijn voorbereidende research en hanteert een encyclopedische stijl die de lezer voortdurend uitdaagt. Hij vermengt fictie met feiten, grossiert hij in talen of citaten en je mag je er je hoofd op verwedden dat hij voor je onbekende woorden of termen verweeft in zijn teksten.

De romancier-cultuurfilosoof slaagt er bovendien in om binnen eenzelfde tekst de grenzen van verschillende genres af te tasten. Magris’ teksten laten je dan ook zeker niet toe om zomaar achterover te zakken in je sofa, maar ze nemen je wel steevast mee op sleeptouw, wellicht in de eerste plaats de ver doorgedreven vorm van meerstemmigheid waardoor zijn discours uitwaaiert en je je als lezer zelf een weg moet banen in een complexe vertelling.

Zo neemt in Magris’ voorlaatste roman, Blindelings (2007), een mysterieuze en voortvluchtige verteller de stem aan van verschillende (historische) personages die samen de geschiedenis van de twintigste eeuw. Het museum van oorlog (2017), zijn laatste roman waaraan hij twintig jaar werkte, herneemt die les, maar grijpt nog verder terug in de tijd.

Clusterfiguur in deze lijvige vertelling is Louisa Brooks die in Triëst een museum van oorlog moet inrichten. Ze moet het levenswerk van een verwoed verzamelaar verderzetten. Die man, wiens leven op dat van Diego de Henriquez gebaseerd is en dat Magris kort toelicht in zijn kort ‘Nawoord’, wilde allerlei wapens en oorlogsmateriaal onderbrengen in een museum van oorlog waarvan het parcours die oorlog mogelijk ongedaan zou kunnen maken. De verzamelaar kwam echter om in een mysterieuze brand.

Magris beschrijft in de eerste plaats niet Henriquez’ reële museum, maar bij monde van Luisa wijdt hij wel hoofdstukken aan de verzamelde objecten en de manier waarop ze de zalen moeten invullen. Deze beschrijvingen gaan dan over in bespiegelingen over oorlog in het algemeen, over concrete (wereld)conflicten, over haat en vervolging, over liefde en dood. Luisa grijpt hiervoor terug naar de deels bewaarde aantekeningen van de dode verzamelaar en lijkt als het ware met hem in dialoog te gaan.

De inrichting van het museum en de reconstructie van de intenties van de oprichter doen Luisa echter ook stilstaan bij haar eigen leven en herkomst, een terugkerend thema in Magris’ oeuvre. Haar Joodse moeder ontsnapte aan de vervolging van de nazi’s, maar droeg hierover haar leven een schuldgevoel met zich mee.

Luisa’s grootmoeder Deborah kwam wel om, in de Risiera di San Sabbia, de rijstpellerij in Triëst en Italiës enige concentratiekamp, waar politieke gevangen en Joden werden opgesloten, gemarteld en gedood. De graffiti, die gevangen op de muren krasten, werden mettertijd witgekalkt, net alsof men het gruwelijke verleden wilde doen vergeten.

Terwijl de titel van de vertaling naar het in Triëst gevestigde ‘Museo della guerra per la pace. Diego de Henriquez’ verwijst, doelt de oorspronkelijke titel Non luogo a procedere op het onderzoek naar de in de Risiera gepleegde misdaden dat zonder echt resultaat moest worden afgesloten. Hoe slachtoffers, beulen en wie stilzwijgend de andere richting opkeek een plaats geven?

‘Het gezwel dat in de Geschiedenis zit en alles om zich heen vernietigt, zit ook in het hoofd, misschien nog eerder in het hoofd.’
‘Een verhaal bestaat pas achteraf – en soms niet eens dán, er is maar een handvol feiten, zonder enige samenhang of logica, een door elkaar gehusseld pak kaarten, niet meer op volgorde en nog niet gedeeld volgens de regels van het spel.’

Magris’ vertellers – ook de verzamelaar had hiernaar veldwerk verricht – versterken elkaars beelden en metaforen in hun verzet tegen deze bewuste verdringing van de geschiedenis door die aan een ander taboe van de geschiedenis te koppelen, rassenhaat en slavernij. Dat taboe wordt aangesneden via het huwelijk van Luisa’s moeder met een zwarte soldaat die in Triëst gebaseerd was.

Het museum van oorlog graaft echter verder en in de verhalen van de zwarte vader komt de Spaanse Luisa tot leven, een met een Spanjaard gehuwde Afrikaanse slavin, die niet alleen kan ontsnappen aan Caribische ontvoerders maar ook aan de inquisitie. Om haar geschiedenis geloofwaardig te vertellen, bestudeerde hij overigens het Creools.

Op associatieve wijze verbindt Magris deze fictie met andere verhalen en geschiedenissen. Fictie en werkelijkheid, de menselijke natuur, taboes en eruditie weten hij en vertaalster Linda Pennings magistraal in te bedden in deze wervelende vertelling.

Claudio Magris: Het museum van oorlog, De Bezige Bij Amsterdam, 2017, 398 p. ISBN 9789023455066. Vertaling van Non luogo a procedere uit het Italiaans door Linda Pennings. Distributie: WPG Uitgevers

deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri