Poëzie

BOEKEN NR. 7, JULI 2017

Lies van Gasse: Wassende stad

door Yvan de Maesschalck

‘Een beker van klank, een mes dat zingt’

Ik maak me sterk dat ook wie Wassende stad van Lies van Gasse nog niet gelezen heeft bij het horen van de titel meteen denkt – of zou kunnen denken – aan Bezette stad (1921) van Paul van Ostaijen. Wie bovendien Gevallen stad (1998) kent, de intrigerende Antwerpse misdaadroman van Weduwe Oppermans, zal het niet moeilijk vallen ook dat boek met Van Gasses bundel te associëren. Daarmee is niet gezegd dat de bundel zich bewust lijkt te enten op één welbepaalde literaire traditie, maar wel dat Lies van Gasse, die als beeldend kunstenaar hoge ogen gooit en tegelijk is uitgegroeid tot een vaandeldrager van de Nederlandse poëzie, allesbehalve in een literair vacuüm opereert.
 
De dichter heeft inmiddels een niet onaardig trans- of crossmediaal oeuvre tot stand gebracht dat uitmunt in de vervlechting van visuele/grafische en literaire middelen, vaak – maar niet altijd – het resultaat van een intense, soms jarenlange samenwerking met andere kunstenaars. Ik vermeld hier graag Waterdicht (2011, met Peter Theunynck), Het Boek Hauser (2013, met Annemarie Estor), Een stem van paardenhaar (2014, met Bas Kwakman), Zand op een zeebed (2015), Nel. Een zot geweld (2016), een graphic novel over Rik Wouters’ muze bij een tekst van Peter Theunynck, en Exodus (2016), een graphic novel bij een cyclus van Hugues C. Pernath.

De nu gepubliceerde bundel sluit aan bij de ‘zuiver’ literaire reeks die aanvatte met het opgemerkte debuut Hetzelfde gedicht steeds weer (2010) en via Bas de waterdrager (2011; Prijs van de provincie Oost-Vlaanderen) en Wenteling (2013; genomineerd voor de Hugues C. Pernathprijs) een indrukwekkend vervolg krijgt in de sterk ritmische, pulserende gedichten van Wassende stad.
 
Ondanks de onmiskenbare formele en inhoudelijke continuïteit heeft Van Gasse met de kloeke nieuweling een bladzijde omgeslagen en lijkt ze zichzelf opnieuw te hebben uitgevonden. De bundel bestaat uit drie delen van ongelijke lengte waarin de impulsen waarmee een stad de ik-figuur bestookt in een cascade van beelden worden vertaald. Het sterkste beeld – je zou dit het moederbeeld kunnen noemen – is dat van de symbiose/verstrengeling tussen het bouwen aan een baby en het timmeren aan een grootstad. Zowel in de baarmoeder als in de stad gaat de celdeling voort en is een onderhuidse stuwing onophoudelijk gaande:

‘Ik was nog een beginnend gebouw. / Langs mijn huid schoof de ocelot, als cellofaan. / Hij schaafde mijn wangen, fijn als gaas’, heet het in het ‘Eerste deel’ (‘Men wil bouwen, maar het woekert’). Wat in de moederschoot groeit wordt in dezelfde tekst vergeleken met ‘een ongedurige kat in mijn buidel’, een teder felien beeld dat resoneert met onderwaterdieren als een ‘zwaardvis’ of een ‘snoekvis’. Maar ook de stad gaat ondergronds en lijkt met huid bedekt: ‘De armen wijd trek ik een spoor / dat ver van mij vandaan gaat, / dat in de aarde, ondergronds, / ontvelt als een zachte tunnel’.

Ook de stad deint baarmoederlijk: ‘Binnen barsten ingewanden. / Geluiden delven een stad. / Taai vlies bedekt de binnenzee’. De hele stad deint, zeker als de Sinksenfoor – of het reuzenrad – er het tijdelijke hart van vormt: ‘Je recht je woorden tot een rug van steen [...] // tot een stad die traag ademt, waarbij de huid van elk gebouw rimpelt / door een zware wind, waarbij het wiegen van de boom een zeil betast’ (‘als een hinde’).
 
Van ‘thuisstad’ tot ‘droom van een stad’ worden geregeld transformaties verbeeld die het vertrouwde perspectief doen schuiven of onderuit halen. Zo ‘groeit’ de vaak aangeproken je-figuur ‘tot het lichaam klein wordt’ en ‘vliegen [we] over straten, tuinen, / steeds verder van de knoppen / om te veranderen in wie we zijn’. Het procedé van de omkering leidt bijvoorbeeld ook tot de evocatie van een conceptie of zwangerschap in de vorm van een teruggroeiproces of krimpscenario:  
 
We deden alles in omgekeerde volgorde:
je benen vielen uit de lucht als takken,
je armen trok ik in mijn palmen
 
en ik nam je bij de ellebogen vast
als een bewaarengel.
 
[...]
 
Terwijl je haar fijner werd en verdween, groeide je hoofd ten slotte,  
tot je steeds ronder en zachter werd, je oogjes weer blauw en nieuw,
maar dieper in de kassen,
 
en je weer in mij verdween.  
 
In het lange gedicht ‘droom van een stad’, waarmee ‘Deel 3’ (‘Altijd regen en toch vrees’) afsluit, stelt de ik-figuur zich voor hoe een haar bekende grootstad – zeg maar Parijs – een metamorfose ondergaat, hoe de natuurwetten hun kracht verliezen – ‘het vriest in april / en dooit met kerst’ – en hoe de muren/vlakken kantelen, zoals het ongeveer honderd jaar geleden ook het geval was in Van Ostaijens ‘bezette stad’. Ik citeer een van /k/- en /t/-klanken zwanger fragment als smaakmaker:
 
Water kantelt in vlakken
die elkaar in evenwicht houden.
 
Kerend verdwijnt de draadijzeren toren,
een kathedraal die op licht lijkt gebouwd,
de tengere torsie van bruggen,
 
voor een ondiep bad,
een lichaam dat zich in de tippen strekt,
het klateren van benen.
 
De stad die de ik-figuur zich droomt is altijd weer broos of verbrokkeld, nu eens ‘een stad van karton’, dan weer ‘een stad als zand’, maar in ieder geval een stad op de grens van de tijd of aan de rand van een cataclysme: ‘Aardplaten verschuiven. / Alles is vervangbaar, // ook de plek waar men valt, het vuurwerk, / de netjes wortelende bomen’. De stad die de ik-figuur zich droomt is een immer veranderende stad waar ‘dromers [...] iets [doen] dat lijkt op de dood’, een stad die tolt omheen een as ‘waarrond gespiegeld wordt’, een stad ‘die van mensen is gemaakt / van parallelle lijnen die toch kruisen’.
 
Lijnen die elkaar vooralsnog niet kruisen vormen een belangrijk motief in de bundel. De dichter tracht bij monde van de ik-figuur een draad te trekken tussen punten die ver van elkaar verwijderd lijken. Zij tracht, althans met talige middelen, te hechten wat van elkaar gescheiden is of eruitziet als een open wonde. ‘Wat gekwetst is, wordt verbonden: doorbloed als vlees, / een dode vis, geringd als haak. // Zo zijn er dingen / die men trekken moet als draad’ (in ‘wonde / tors’).

Nagenoeg hetzelfde beeld keert terug in de beginverzen van een titelloos gedicht dat leest als een ingehouden ode aan een pasgeborene: ‘Je beseft dat vanaf je voet een draad spant / die overal kan heengaan. De stad heeft geen geheimen’. Een beeld dat als een dubbelzinnige echo nazindert in het openingsgedicht van ‘Deel 2’ (‘Er is geen plaats meer in de herberg’): ‘Nog lezen we je afdruk in het malse gras. / We weten hoe lichamen eerst tot draden, / en dan tot stof, maar ook tot nieuw leven groeien’. Gaat het om de welkome lichamen van borelingen of om de onwelkome lichamen van haveloze vluchtelingen die de stad – zeg maar Antwerpen – worden uitgedreven?

‘Naast de rivier groeit een dorp van opgekropte bollen. / Uit de stroom rijst een donkere, haast zwarte mensenzee’.  Wie deze verzen leest met het bezwerende ritme van Van Ostaijens ‘Melopee’ in het achterhoofd, beseft dat de ik-figuur een ambivalent gevoel van onmacht tracht te verklanken/verwoorden. Bijvoorbeeld bij het zien van televisiebeelden van anonieme mensen die keurig op een lint worden getrokken: ‘een zich ontrollende lijn, als een klosje zilverdraad / over onze witte, inwisselbare gezichten / en hoe die kleurig oplichten in het duister’.
 
Veel meer dan zichtbare lijnen – sporen, wegen, rivieren – verbinden onzichtbare draden geliefden en lotgenoten met elkaar: ‘Draden [...] wijzen ons de weg / naar een buitenwereld die los van ons bestaat’. Dat besef verscherpt zich bij de intrede in een metropool die beheerst wordt door nog onbekende geuren, geluiden, rituelen, decors. Wie zo’n stad betreedt, wordt geconfronteerd met gemis, maar ook met de behoefte zich die stad – zeg maar Istanbul – eigen te maken. De door Istanbul geïnspireerde, elkaar spiegelende gedichten verknopen persoonlijke ervaringen van de dichter met gegevens van culturele of antropologische aard (‘another evenig prayer’: 

Tussen onze woorden
hebben we een geweer verstopt.
  
Achter onze tanden
zit een touw dat twee geesten verbindt,
 
maar dit is onvoorzien (onze levens
kruisen naamloos in dit gele voertuig
en als ik je oogopslag verlies, dan los je op)
 
, iemand heeft iets afgesneden:
een weg met een holte,
honderden levens met een schot
een dag met de nacht
 
die me dronken uitrolt over de keien van Taksím,
als versplinterd glaswerk tussen bloedvlekken.
 
Ik mis je jongensvel
waarop ik dansend de vreemdste tekens zet.
Ik lees het, maar mijn tong, onkundig
proeft de letters niet.
 
De stad wordt in de voorop geplaatste ‘leesinstructie’ vergeleken met ‘een onbeheersbaar ribozoom’, een soort geheimcode waarvan de ‘vreemdste tekens’ in de loop van de bundel worden geregistreerd. Van een andere orde maar even wezenlijk zijn de vele tekstinterne knipogen die de samenhang van Wassende stad schragen. Zo keren sfeer, toonzetting en register van het vorige citaat herkenbaar terug in de volgende verzen van het titelgedicht ‘wassende stad’:
 
Vijf maal per dag leg je een tong op de lippen,
gaan de minaretten door mijn huid als spelden.
Vijf maal per dag heft de muezzin
scherp een beker van klank, een mes dat zingt.
 
[...]
 
Ik ga op zoek naar je stem
die een lijn legt over de prikkende uiteindes van je huid,
schraal, waar huizen rot zijn op de planken, 

waar kinderen van Damascus kruipen als ratten,
klauterend, de modder nog harig op de wangen.
 
Ik ga op zoek naar je stem,
die glanzend verbindingen zoekt
tussen koepels en borsten,
 
tussen waterpijp en fallus,
burcht en binnenschip,
tussen bollend glas, gordijn
en luidop wensend kleed.
 
Tegenover de lineaire metafoor van de mogelijke verbinding (cf. rand, lijn, draad, spoor) staat die van het circulaire in al zijn vormen. Gaat het om een beeld van inclusie, van sociale cohesie of om de suggestie dat de (stedelijke) werkelijkheid een kluwen is? In de Istanbulgedichten maar ook in de overige stadsgedichten zijn verwijzingen naar ronde of open vormen niet van de lucht (cf. koepel, bal, zon, appel, web, cirkel).

Of zij het optimistische alternatief zijn voor de strakke lijn, is wellicht een kwestie van interpretatie, maar dat de ronde lijn mooi zou kunnen harmoniëren met wat ‘het warme zomp / van de baarmoeder’ heet in het Bruggegedicht ‘kanten stad’, lijkt me een aantrekkelijke gedachte. Welke stad Lies van Gasse ook heeft aangestoken tot het schrijven van deze gedichten, alle verschijningsvormen vertolken het universele ‘stratenplan’ van een ‘tollende stad’. In een paginalang gedicht met dezelfde titel gaat het onder meer zo:
 
Met nog woorden op de handen
spreid ik armen naast de wonde.
We draaien rond de haken.
Het spinnen is inwendig,
maar de kat aait  
en de bal valt in letters uiteen.
Tollend kan ik bestaan.
Ik wikkel mij in met wonden.
Ik staar als een grote mond,
draai als een kleine revolte
en rood en zacht en wazig,
en licht op de wanden,
ben ik behalve groot en wijd
ook klein en teder. 

[...]
 
Waarom is deze stad gebouwd
op halve zakken zand? Waarom
licht in de ochtend de koepel, waarom
heb ik uw hoorbare adem beschreven?
Diep in uw ogen verbergt u
een inwaartse cirkel.
U draait tot een cocon,
maar dit spel is een verschuiving.
 
In welke mate bovenstaande tekst schatplichtig is aan Hadewych of Lucebert of juist bedoeld is als een eresaluut, zoals andere gedichten knipogen naar Van Gasses stadsgenoot Paul Snoek, lijkt me voer voor nader onderzoek. Op een vergelijkbare manier valt het nodige te zeggen over de formele kant van het hier gehanteerde register: de talrijke afbrekingen, de komma als ongebruikelijk begin van een gedicht of vers, de talloze expliciete vergelijkingen en de vaak voorkomende (bijna) letterlijke herhaling van bepaalde verzen, die daardoor als motief fungeren (zie eerder citaat uit titelgedicht).

Het resultaat is een heerlijk klinkende, bijwijlen muzikale bundel, die tegelijk een cultuurkritische noot – of symfonie – aanslaat, waarin de boodschap, zo die al bestaat, nooit schreeuwerig opklinkt.  
 
In ‘dode stad’ bekent de ik-figuur ootmoedig: ‘Ik ben vergeten wat ik met een lichaam zou doen / als ik het in mijn hand kon houden vergeten / hoeveel wegen ik wil trekken in de lijnen / van die hand ik ben mijn oorsprong vergeten / de stappen die ik sindsdien heb gezet’, enzovoort (p. 91). Dat klinkt behoorlijk bescheiden, zeker als je beseft dat Lies van Gasse haar poëticale programma met deze omvangrijke bundel alle eer aandoet:  
 
Elk gedicht is een sluis.  
Op afstand wordt gezongen,
oceanen ver.  
 
Voor dit ritme is elk woord te lang’.  
 
Lies van Gasse, Wassende stad. Gedichten, Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2017, 109 p. ISBN 9789028426979. Distributie: Elkedag Boeken 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 10, NOVEMBER 2017

Antigone in Molenbeek

Stefan Hertmans

De vrouw met het rode haar

Orhan Pamuk

Een zachte hand

Leïla Slimani

Hotel Moederland

Yusuf Atılgan

Zuivering

Tom Lanoye

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 10, NOVEMBER 2017

Brobot

James Foley

Helemaal aan de rand van mij, ben jij

Agnès de Lestrade, Valeria Docampo (ill.)

Twintig parels

Ed Franck, Martijn Van der Linden (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri