Nederlands proza

BOEKEN NR. 10, NOVEMBER 2017

Stefan Hertmans: Antigone in Molenbeek

door Jooris van Hulle

In zijn essayboek Fuga’s en pimpelmezen (1995) schreef Stefan Hertmans in zijn stuk over ‘Sterke vrouwen’: ‘Antigone is het levend Nee tegen de oproep van Befehl ist Befehl’. Rond haar, Clytaemnestra, de vrouw van Agamemnon, en Medea, Jasons geliefde, concipieerde Hertmans nadien zijn theatertekst Mind the Gap (2000). En dat de figuur van Antigone hem blijvend is fascineren, blijkt onder meer uit zijn essay ‘Ongeschreven wetten’ dat opgenomen werd in de bundel Het zwijgen van de tragedie (2007). In het ‘Vooraf’ bij deze bundel noteert hij:
 
 
‘Het dagboek over Antigone weerspiegelt mijn confrontatie met de radicaliteit van deze jonge vrouw, die met haar koppig ‘nee’ een stadstaat op de knieën krijgt. Haar houding bevat een provocerende vraag over onze eigen omgang met morele conflicten.’
 
Los van alle andere bijzonder diepgravende bedenkingen over de verzetsdaad van Antigone en hier enigszins uit zijn context gerukt, toch deze uitlating van de kant van Hertmans:  
 
‘De agrapta nomima of ongeschreven wetten die Antigone zegt te verdedigen tegen de rationele wereld van de heerser Kreon, zijn het symbool voor de herinnering aan een omgang met mensen en hun waarden, die zich nooit volledig in een codex zal laten vatten. Haar Nee tegen een wereld die slechts de officiële versie van de feiten huldigt, is een weigering van de schematische mens, van de voorspelbare mens, van de mens die gevat kan worden in wetten van casuïstiek, determinisme en causaliteit.’
 
Antigone negeert, zoals bekend uit het toneelstuk van Sophocles, de wet die Kreon, haar oom, toekomstige schoonvader en tijdelijk bewindvoerder van Corinthe, heeft uitgevaardigd. De twee broers van Antigone zijn gesneuveld op het slagveld die de staat op de rand van de afgrond heeft gebracht. Volgens Kreon verdient Eteocles een staatsbegrafenis, het lijk van Polyneices wordt, ten prooi aan hyena’s en andere aasveters, ten schande gemaakt. Antigone weigert zich neer te leggen met deze ‘on-menselijke’, want tegennatuurlijke wet en kiest ervoor Polyneices toch een graf te bezorgen, ook al weet en beseft zij dat ze zo haar eigen doodvonnis tekent.
 
Het mythische verhaal vormt het kader voor de monoloog Antigone in Molenbeek, waarin het Marokkaanse meisje Nouria als een eigentijdse Antigone tegen de communis opinio in het recht opeist haar broer, een zelfmoordterrorist, te begraven:  
 
‘Het recht dat ik verdedig is een oeroud recht
Het is het familierecht om een dierbare
tenminste de laatste eer te kunnen bewijzen.’

De ‘communis opinio’ waarnaar ik hier refereer, heeft uiteindelijk – zo laat Hertmans het althans doorschijnen – te maken met vooroordelen die in wezen als puur racistisch kunnen worden omschreven:  
 
‘Aan oeroude wetten uit de woestijn
hebben we hier niets, mevrouwtje. Dat weet u verdomd ook.’  
 
Zo spreekt de rechter die over Nouria’s daad moet oordelen. Hertmans houdt de moderne samenleving een spiegel voor. Tegenover de onverzettelijkheid van Nouria, die in de geciteerde passus tot een schreeuw-om-begrip uitgroeit, staat de gemaksoplossing die in wezen alleen gelezen kan worden als een gezagsargument: ‘wij’ hebben het juist voor, wat ‘jij’ hier komt voorstellen en vragen, is passé, want niet compatibel met ‘ons’ denken.  
 
Wat de rechter hier onder woorden brengt, was in de monoloog al terdege voorbereid door de reactie van agent Crenom (de schaduwecho van Creon uiteraard): zijn initiële sympathie voor Nouria neemt geleidelijk af om plaats te maken voor gemeenplaatsen:

‘uw broer is een verrader
een vijand van de verdraagzame samenleving
 …
Ge moet niet zo zitten janken,
dat stuk uitschot heeft uw verdriet niet eens
verdiend.’
 
De muur van onbegrip waartegen Nouria aanbotst, is niet te slopen. In een sterk poëtisch beladen slotscène, met als motiefwoord erin ‘het wit’, confronteert Hertmans de lezer/toehoorder met de vraag waar alles om draait, toen bij Antigone, nu bij Nouria:  
 
‘Maar wat dan wel wanneer
de wet de wet niet is
Dat wat nooit is
zo wit en stil als elke letter
van een ongeschreven wet…?’
 
Antigone in Molenbeek zoekt, hoe eigentijds het ook wordt ingekleurd, aansluiting bij het mythische Antigone-verhaal. Stefan Hertmans weeft op ingenieuze wijze een web van verwijzingen en allusies op het klassieke verhaal doorheen zijn versie. Antigones begrafenisritueel, waarbij zij symbolisch wat zand over het lichaam van Polyneices uitstrooit, echoot hier door in het met een meervoudige betekenis geladen motief van het woestijnstof; dat Nouria’s vader blind is geworden (ook te lezen als: blind voor de weg die zijn geradicaliseerde zoon is ingeslagen) verwijst naar Oedipoes die zich de ogen heeft uitgestoken; hoe de relatie tussen Antigone en Polyneices in wezen was ingekleurd, blijft voor meerdere interpretaties vatbaar, net zoals dat ene zinnetje bij Hertmans’ Nouria:
 
‘Er ligt nog een tapijtje
Een tapijtje waarop ik met mijn broer…’
 
In zijn benadering van de Antigone-figuur in ‘Ongeschreven wetten’ heeft Hertmans het op zeker moment over zijn bezoek aan Buchenwald, waar zovelen geen stuk grond kregen om te rusten. Hertmans:  
 
‘De joodse Antigone: en toch zal ik hen begraven. Ik zal hen bestrooien met het fijne, verstuivende zand van mijn woorden.’  
 
Het zand, toen en nu. De woorden als blijvend getuigenis.
 
Stefan Hertmans: Antigone in Molenbeek, De Bezige Bij, Amsterdam 2017, 80 p.
ISBN 9789023463481. Distributie: WPG Uitgevers 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 10, NOVEMBER 2017

Antigone in Molenbeek

Stefan Hertmans

De vrouw met het rode haar

Orhan Pamuk

Een zachte hand

Leïla Slimani

Hotel Moederland

Yusuf Atılgan

Zuivering

Tom Lanoye

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 10, NOVEMBER 2017

Brobot

James Foley

Helemaal aan de rand van mij, ben jij

Agnès de Lestrade, Valeria Docampo (ill.)

Twintig parels

Ed Franck, Martijn Van der Linden (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri