Poëzie

BOEKEN NR. 1, JANUARI 2018

Benno Barnard: Het trouwservies

door Yvan de Maesschalck

‘De dood is nu eenmaal de schoot van de poëzie’
 
Je hoeft het niet eens te zijn met alles wat Benno Barnard in zijn opstellen en dagboeken met verve verdedigt/ventileert om te beseffen dat hij een schrijver van formaat is. Zijn opstellen gebundeld in Een hiernamaals (1999), zijn Engelandboek Een vage buitenlander (2009) en zijn Dagboek van een landjonker (2013) bevatten fonkelende parels van essayistiek. Hij expliciteert in exuberant, welluidend proza waar zijn cultureel conservatisme voor staat en waardoor zijn verslingerdheid aan al wat Engels is wordt gevoed.
 
Dat laatste heeft onder meer te maken met zijn half-Engelse afkomst en de uitstekende verstandhouding met zijn vader Willem Barnard, die hij ooit omschreef als een ‘anglofiel op het angloseksuele af’, een voortreffelijk dichter trouwens die publiceerde onder het pseudoniem Guillaume van der Graft (1920-2010). Benno’s vader waart als een aanbeden schim door het proza en de gedichten van de zoon heen. Wie de verzamelde gedichten Het tongbotje (2006) of Krijg nou de lyriek (2011) opslaat, loopt zijn gestalte af en toe tegen het lijf. Ook in de bundel Het trouwservies, die aan hem en aan zijn verongelukte dochter Anna is opgedragen, is de vaderfiguur meteen aan boord.

De eerste reeks ‘Begraven woord’ bestaat uit twee vadergedichten. Het eerste is pregnant, symbolisch en gedragen, en besluit zo:
 
‘Zo liet je ons aan langzaam water achter,
zwijgend uit eigen werk. De lucht werd donker,
er dreigde onweer. We konden terugzingen’
 
In het tweede, dat een veeleer surreëel karakter heeft, krijgt de dichterlijke vader de kans zijn zoon post mortem nog wat goede raad toe te fluisteren:
 
‘En in een beginnende regen
droom ik dat een begraven woord van mijn vader
zich door de aarde boort, een woord uit een gedicht
dat mij en heel wat mensen kent’
(‘Vaderdromen’).
 
Overigens blijken heel wat gedichten in een genealogische of toch familiale context ingebed. Ze richten zich tot de geliefde/vrouw van de dichter, zijn dochter of zoon Christopher naar aanleiding van een bijzondere verjaardag. De meeste van die gedichten hebben een weemoedige ondertoon maar zijn tegelijk speels en intimistisch van aard, al klinken volgende verzen achteraf gezien, d.i. na de dood van dochter Anna, onheilspellend profetisch:
 
‘Maar wat weet jij daarvan,
al hangen dezelfde verlangens als toen in de bittere lucht
 
van mijn zestigste herfst? Jij gelooft nog het gerucht
van de liefde en het verhaal van de groene jager
die je mee zal nemen, mijn kind van een andere man’
(‘Voor een geadopteerde dochter’)
 
Maar doorgaans gaat een onmiskenbare virtuoze lichtheid, die weliswaar onderhuidse zwaarte camoufleert, vergezeld van tintelende zelfironie en een geraffineerd gevoel voor erotiek. ‘Ode to Joy’ – met een knipoog naar de romantische ode van Schiller of die van Keats – en ‘Perzik’ – dat me onwillekeurig aan ‘Peach’ van D.H. Lawrence deed denken – zijn daar heerlijke voorbeelden van. Genoemde ode, waaraan ook de titel van de bundel is ontleend, offreert onder meer volgende verleidelijke, transgenderachtig aandoende verzen:
 
er is dat angstaanjagend vrouwelijke
van mij doen meeduizelen met het draaien
van je gehaaide hoge hakken, zoals
het meekantelen van mijn gedachten
in het enjambement, of het verkeren
van mijn gevoelens in een hitsig verlangen
bij de toverslag van het formuleren –
maar nu gluren we al naar de schaduwrijke
plek waar ik mij neer wil vlijen, de bron
waar het leven opwelt, schat… inderdaad,
ginder tussen je dijen, aan de rand van je rok.
 
De verlokking van de erotiek spoort – of paart? – wellustig met die van de lyriek. De werkelijkheid van het dubbelzinnig formuleren imiteert – of doubleert? – een ondubbelzinnig erotische context. En prikkelt uiteraard meteen de altijd nieuwsgierige, licht voyeuristische lezer. Het relaas van een door onvoorziene omstandigheden gemiste afspraak is daar een emblematisch voorbeeld van. De aanblik van een grappige pancarte die bij een mosselrestaurant hoort, brengt de ik-figuur op ‘irrationele gedachten’ en even lijkt hij zich buiten de gangbare orde van tijd en ruimte te begeven. ‘Het rendez-vous’ loopt als volgt af:
 
‘De binnenstad rekt zich uit (een opera,
 
een opera). Normale burgers haastten zich
naar huis. Magisch-realisme was iets onbenulligs
uit mijn schooltijd; ik bedacht wel iets lulligs
 
om je wijs te maken. ‘Nee, er is niets gebeurd.
Hoe is je lectuur?’ O ruik je de intieme geur
van mosselen? Het is heerlijk als ik naast je in bed lig’.
 
Barnard is een retorisch bevlogen dichter die zich graag overgeeft aan gedichten van langere adem, zoals mag blijken uit het badinerende tiendelige kettinggedicht ‘Gebed zonder eind’, dat de herinnering aan Christophers geboorte – intussen achttien – aangrijpt om het leven in een onorthodox achttiende-eeuws perspectief te plaatsen (VII):
 
Boven ons huis zochten sterren hun stand;
de planeten gehoorzaamden Kepler, ze bewogen
wiskundig en harmonisch in het grote horloge
dat de onmogelijke Schepper droeg;
en ons uit toevallige aminozuren
samengestelde kind kreeg de borst
van een mama Madonna. Maar ik had ook dorst
en zat in het café als een onbevredigde zuigeling
te mokken – de kerkklok kreunde voor hij sloeg
alsof hij deed aan zelfbevrediging […]
 
De lezer hoeft niet zwaar te tillen aan de verwijzingen naar het deïstische wereldbeeld en begrijpt allicht dat elkaar bestrijdende mensvisies hier anachronistisch over elkaar heen schuiven. Darwin, wetenschap, geloof en God hoeven elkaar niet uit te sluiten en leiden bijvoorbeeld tot de betreurenswaardige en toch lyrische dood van een opspringende haas:

‘Onderworpen
aan een blinde evolutie, met vege
 
achterpoten slaand in een schermbloemrijke
berm, sprong die domme haas tegen de maan
mijn lichten in’
(‘De haas’)
 
Gavrilo Prinzip, wiens bijna terloopse aanslag op Aartshertog Ferdinand de aanzet was voor de Eerste Wereldoorlog, krijgt een postume verdedigingsrede in de mond gelegd:
 
‘Mijn pa was meer een tor, als postbode
ondergeschikt aan Habsburgse bureaucraten:
die protonazi’s vermorzelden zijn zelfrespect’
(‘Gavrilo’)
 
Ook de twaalfjarige knaap, die overleeft als een tot artefact gestold mensenoffer, geeft aanleiding tot een ondraaglijk filmisch beeld in het gedicht ‘Antropologisch Museum (Mexican City)’:
 
[…] het mes
van obsidiaan glinstert zwart onder een maan
die koud boven de piramide hangt, je kinderstem
slaakt die ene ijselijke gil, een lettergreep
die namens jou in dit airconditioned gebouw
naar de hemel vlucht voordat hij in je neerstort; je ouders
hurken op de onderste trede, kapot van blind ontzag
voor hun cultuur en liefde voor hun kind… nu graait
de priester naar je wild kloppende hart: je bloed
stroomt over de altaarsteen naar god, het pulseren stopt.
Vandaag zijn je twaalf jaar tot iets ondraaglijks verdord,
terwijl de antropologie zich in andere vitrines
over minder barbaarse praktijken buigt. Maar weet je:
ook wij modernen genieten op 6000 voet (ooghoogte
van de goden) van de warme zon en gehoorzamen
aan het irrationele. Ook wij zijn zonen en dochters
van Synapsen en Neuronen. Ik schrijf dit vol afkeer op:
de dood is nu eenmaal de schoot van de poëzie.
Sorry, ik moet ervandoor. Hasta luego. Hoe heet je?
 
De vanzelfsprekendheid waarmee het banale met het verhevene, het heidense met het heilige, het particuliere met het algemene worden verbonden resulteert in een heel eigen ironie, die even afstandelijk is als betrokken. Die ironie is mede het gevolg van deels – onbewuste? – knipogen naar zijn vroeger werk. Zo spiegelt de gedachte dat de dood ‘de schoot van de poëzie is’ een vers uit ‘Een kat begraven’:
 
‘Maar de dood groeit door, ligt op een dag
 
te liggen voor de deur als een voldongen bedelaar’
(Krijg nou de lyriek)
 
Zo knoopt het ‘bedaard antisemitisme’ van Czernowitz (‘Pianoforte’) aan bij de gedachte dat Barnard deze Oekraïense stad ‘als de symbolische hoofdstad van het verdwenen Europa beschouw[t]’ (Dagboek van een landjonker), wellicht ook omdat het de geboorteplaats is van de door hem bewonderde joodse dichter Paul Celan (1920-1970). Zo echoot het dartele antipoëticale gedicht ‘Goede raad’, waarin opgeroepen wordt het postmodernisme te minachten, het al even dartele antipoëticale gedicht ‘Ars poëtica voor een blondje’ (Krijg nou de lyriek). En zo herinnert het ontnuchterende vers ‘de tijd deed wat hij altijd deed: verstrijken’ aan een passage over de schilder Constable in Een vage buitenlander, waarin gesteld wordt dat diens werk ‘een steeds grotere documentaire meerwaarde’ kreeg ‘door simpelweg te verstrijken’.
 
Hiermee suggereer ik niet dat Barnard onophoudelijk zichzelf recycleert, maar wel dat hij put uit een rijke bron aan herinneringen, opvattingen en culturele voorkeuren die zijn werk een hoge mate van consistentie en densiteit verlenen. Het trouwservies voegt aan zijn intussen indrukwekkende oeuvre een ontroerend en meesterlijk gestileerd hoofdstuk toe. De bundel bevat overigens ook een gedicht over ‘Bob Dylan’:
 
‘Maar de waarheid is dat ik je bewonder. Je hebt schijt
aan taligheid. Je bent zoveel stemmen. Je bent een nasale
eenmansmenigte van ons aller denken, protesteren, verlangen,
 
geboren worden’
 
Ik vermoed dat het gedicht tot stand is gekomen na de omstreden toekenning van de Nobelprijs voor Literatuur 2016 aan de zanger, maar weet intussen dat ook lang daarvoor Benno Barnard niet wars was van de gedachte ‘dat Bob Dylan voor zijn liedjesteksten de Nobelprijs verdiende’ (‘Een maartse puritein’, NRC, 04.04.1997, en Een hiernamaals). Il faut le faire!
 
Benno Barnard: Het trouwservies. Gedichten, Atlas/Contact, Amsterdam 2017, 93 p. ISBN 9789025451509. Distributie Veen Bosch & Keuning 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 8, SEPTEMBER 2018

De lange weg naar Rome

Francesca Melandri

De verloren toon

Lida Winiewicz

De zee heeft honger

Kira Wuck

Vaderland

Fernando Aramburu

Want de avond

Anna Enquist

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 8, SEPTEMBER 2018

Het meisje en haar zeven paarden

Hadi Mohammadi, Nooshin Safakhoo (ill.)

Neverworld Wake

Marisha Pessl

Tierenduin

Geert Vervaeke

Wit konijn, Rode wolf

Tom Pollock

Ze gaan er met je neus vandoor

Ted van Lieshout

naar overzicht


‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri