Nederlands proza

BOEKEN NR. 9, OKTOBER 2018

Leo Pleysier: Heel de tijd

door Jooris van Hulle

Op het omslag staat in helrood gekleurd vederpak een afbeelding van de vuurrugtangare, een uitheemse vogel die hoofdzakelijk aangetroffen wordt in Colombia. Dat de roman in het met een bijzonder geladen beeld vol symboliek afsluit met een troep kauwen die rond de torenhaan van een dorpskerk cirkelen, zegt veel, zo niet alles over de draagwijdte die Pleysier aan zijn roman heeft willen toekennen. Hoe deze beelden uiteindelijk convergeren binnen de basisidee waarrond het geheel is opgevat, blijkt uit een kort, bijna essayistisch aandoend deelhoofdstukje waarin de anekdotiek, die voor het overige nadrukkelijk de roman inkleurt, voor even opzij wordt geschoven.
 
Dat ‘de tijd vliegt’ (een uitspraak die de auteur als kind vaak heeft moeten aanhoren, vooral dan vanuit moraliserende redenen (‘de tijd vliegt snel, gebruik hem wel’) brengt hem op de idee dat de tijd vleugels heeft, een vogeltje is. En dan noteert hij:  
 
‘Dat vogeltje wil ik vangen en opsluiten in een kooi. […] Als het vogeltje lang genoeg gevangen heeft gezeten, en ik het deurtje van de kooi openzet, zal het vogeltje wegvliegen. […] En als het vogeltje wegvliegt, dan is niet alleen het vogeltje maar ook de tijd weer vrij.’  
 
Het fragment kan worden gelezen als de sleutelpassus waarin de thematiek opklinkt, die Pleysier nu al van bij zijn debuut in 1971 bezighoudt: voor even, in en door het schrijven, de tijd stilzetten. Of, zoals de titel van de roman (ook) begrepen kan worden: ‘genezen’ van de tijd, wat aan feiten en gebeurtenissen in zijn leven is voorgevallen, een plaats geven in en door de woorden.
 
Heel de tijd laat de lezer in het openingshoofdstuk voor even toe in de ‘witte kamer’, de schrijfruimte die voor Pleysier zoveel betekent. Daar hangt een groepsfoto waarop acht schrijvers, waaronder ook de auteur zelf, staan afgebeeld. Mijmerend, in afgemeten woorden die als miniaturen een beeld moeten ophangen van het gezelschap, zet Pleysier de beweging in naar waar het hem uiteindelijk om te doen is: de confrontatie aangaan met wat definitief voorbij lijkt, maar hier voor even weer tot leven kan worden gewekt. Zoveel hoofdstukjes later bezoekt de auteur het Schoonselhof, waar hij hun laatste rustplaats gaat groeten. Niet nadat hij ook al is blijven stilstaan bij het kerkhof in zijn eigen dorp, waar zijn ouders - in zijn schrijfkamer is er de foto van hun huwelijksdag - werden begraven.  
 
Zo meandert Pleysier in associatief aan elkaar gelinkte fragmenten, door de tijd, ‘zijn’ tijd die hij hier heeft doorgebracht en waarvan hij zelf weet dat die eindig is. Herinneringen dringen zich vanuit de schrijfkamer op: aan de priester-leraar die vol lof was over zijn opstel over ‘Bloemen’, maar het toch maar bij het voorlezen voor de hele klas wist te ontdoen van zijn eigenheid door de Latijnse namen van de bloemen weg te laten. De kindertijd speelt volop mee, onder meer geïnspireerd door de foto van een landschap dat hem doet terugdenken aan die ene keer dat hij bijna verdronk in een van de kleiputten; er zijn de herinneringen aan zijn broer, die bv. een witte uil voor hem tekende; of het leven op de boerderij, waar hij nauwelijks of geen voeling mee had, zo’n afkeer had hij van het werk dat gedaan moest worden. Of er is, later in de tijd al, de moord op baron Bracht in 1978, wiens jachtgebied paalde aan de ouderlijke hoeve…  
 
Vanuit het nu, schrijvend aan een oeuvre dat de tijd moet omvatten, gunt de auteur zichzelf het voorrecht de lineaire chronologie steeds weer te doorbreken. Dat maakt van Heel de tijd meer dan een autobiografie: het is een lappendeken van momentopnames, die in tijd en ruimte verspringen: in Brussel raakt hij gefascineerd door de monumentaliteit van de gebouwen, waardoor hij ook terugdenkt aan de verwoestende bombardementen tijdens de Tweede Wereldoorlog, en dat brengt hem onder meer naar Dresden.

Het blijkt dat Pleysier, als kind al, stevig aangegrepen werd door de indrukken – geuren, kleuren, klanken - die op hem inwerkten. Wat toen al tolde in zijn hoofd, noteert hij, leerde hij beheersen in woorden:  
 
‘gelukkig schoten mij toen de woorden te hulp. Almaar meer woorden die te mijner beschikking kwamen. […] Almaar meer woorden waarmee ik het vele niet alleen kon benoemen, maar ook bedwingen, verkleinen en overzichtelijk maken.’  
 
Het was toen al programmatisch, het is het gebleven in een schrijversloopbaan van nu al een halve eeuw lang. En de lezer die enigszins vertrouwd is met dit oeuvre, vindt in Heel de tijd her en der reminiscenties aan bv. De kast, of aan Kop in kas, of aan Wit is altijd schoon. Niets staat er zo maar toevallig bij Pleysier.
 
Leo Pleysier: Heel de tijd, Amsterdam, De Bezige Bij, 2018, 173 p. ISBN 9789403104508. Distributie Standaard Uitgeverij 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 11, DECEMBER 2018

Berta Isla

Javier Marías

De klaverknoop

Paul Demets

Het amusement

Brecht Evens

International Bakery (voorheen Cinema Royale)

David Nolens

Michael Ondaatje

Blindganger

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 11, DECEMBER 2018

De blauwe vleugels

Jef Aerts, Martijn Van der Linden (ill.)

De pittige pruim die een pop werd

Vojtěch Mašek, Chrudoš Valoušek (ill.)

De torens van Beiroet

Paul Verrept

De waarheid volgens Mason Buttle

Leslie Connor

Het mysterie van niks en oneindig veel snot

Jan Paul Schutten, Floor Rieder (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri