Vertaald proza

BOEKEN NR. 9, OKTOBER 2018

Robert Walser: De rover

door Laurent De Maertelaer

Een weloverwogen boek waaruit absoluut niets geleerd kan worden
 
De rover
(1926), Robert Walsers laatste en meest uitzinnige roman, is eindelijk vertaald. Uitzinnig — en buitenzinnig — is dit glorieus bevreemdend boek in vele betekenissen: het rekt met een eindeloos rijk voorstellingsvermogen het rigide romangenre op tot zijn uiterste grenzen, plooit gaandeweg slinks op zichzelf terug aan de hand van een grondige, genereuze zelfontleding en ontsnapt ondoorgrondelijkerwijs aan elke redelijke vorm van interpretatie. Je moet het lezen om het te geloven, maar De rover is evengoed een farce, als een tragisch liefdesverhaal of een existentiële pastische, ja zelfs een postmoderne metaroman. De rover geeft, net als een Chinese puzzeldoos, zijn diepste geheimen pas prijs aan wie openstaat voor de grenzeloze verbeelding die erin vervat zit. Een ongrijpbare roman, kortom, die naar de keel vliegt, diep ontroert en ronduit perplex doet staan.  
 
Robert Walser
Toen de Duitstalige Zwitser Robert Walser (1878-1956) in 1925 De rover schreef, woonde hij in Bern, de stad waarin de roman zich grotendeels afspeelt. In januari 1921 was hij straatarm en met psychische problemen van Biel naar Bern verhuisd omdat zijn jongere zus Fanny daar een baantje voor hem had gevonden. Dat baantje hield hij maar korte tijd aan, maar zijn financiële problemen werden al snel vanzelf opgelost doordat hij kort op elkaar twee keer erfde: hij ontving een klein legaat van zijn broer Hermann, die in 1919 zelfmoord had gepleegd, en in het voorjaar van 1922 kreeg hij een enorm bedrag van een rijke oom uit Bazel (in De rover de 'oom uit Batavia'). In de acht jaar dat Walser in Bern woonde, verhuisde hij vijftien keer. Hij leefde op zichzelf maar was geen kluizenaar. Hij ging veel op café, maakte lange wandelingen in de omgeving van de stad en was een zeer geregeld bezoeker van de bioscoop (in De rover zijn er enkele referenties naar films die hij zag).  
 
De jaren 1924 tot 1926 waren de productiefste jaren in zijn gehele schrijverschap. Maar in 1927 begint zijn grote inzinking en verglijdt hij in een crisis die hem de rest van zijn leven zou verlammen. Walser brengt de laatste zevenentwintig jaar van zijn leven door in psychiatrische inrichtingen, de laatste drieëntwintig daarvan zonder nog een letter op papier te zetten of enige bekommernis over zijn werk te tonen. Eerst kwam hij terecht in de Waldau, een instelling aan de rand van Bern, waar ook de art brut kunstenaar Adolf Wölfli en de schrijver Friedrich Glauser resideerden. Hier schreef Walser nog en onderhield zelfs schriftelijk contact met uitgevers en redacteuren. In 1933 ging Waldau echter reorganiseren en Walser werd tegen zijn zin en onder fysieke dwang overgeplaatst naar een instelling in Herisau, ten zuiden van Sankt Gallen, ver van zijn geliefde Bern. Robert Walser weigerde hier nog te schrijven, naar eigen zeggen omdat hij niet meer vrij was. Tegen een bezoeker zou hij ooit gezegd hebben: ‘Ik ben hier niet om te schrijven, maar om gek te zijn’.  
 
Robert Musil, Franz Kafka, Hermann Hesse, Elias Canetti en Walter Benjamin: deze grootheden waren allen vurige bewonderaars van Walser. In Logies voor een landhuis (1998), een verzameling fraaie schrijversportretten, bracht W.G.Sebald — nog een literaire reus — een indrukwekkende ode aan de auteur van De rover. En niemand minder dan Jeroen Brouwers introduceerde ‘zijn’ grote held Walser in ons taalgebied. Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig vertaalde hij enkele van Walsers’ bekendste boeken. Die vertalingen zijn vandaag alleen nog antiquarisch verkrijgbaar: Frits Kocher z’n opstellen (1904), Jakob von Gunten (1909), De bediende en de bundel korte stukjes De kuise nacht (1980), in 2007 heruitgegeven door Atlas als Liefdesverhalen. In 2008 wierp zich uit het niets (en als een geschenk uit de hemel, als u het mij vraagt) een nieuwe pleitbezorger van Walsers werk op: Machteld Bokhove (1949), literair vertaalster en bezielster van de weelderige website robertwalser.nl. Op deze onuitputtelijke webstek, een heuse schatkamer voor Walserianen, staan tientallen vertalingen van korte prozastukjes en gedichten van Walser, telkens met de Duitse tekst ernaast.
 
Bokhove zette zich ook aan de vertaling van de langere teksten. De vroegere vertalingen van Brouwers vond ze inmiddels verouderd en ontoereikend. In 2013 publiceerde ze bij Parrèsia onder de titel De vrouw op het balkon en andere prozastukjes een knappe selectie van zesenveertig korte teksten. Nadien volgden er nog twee vertalingen bij Lebowski: de novelle De wandeling (2015), inclusief ‘Le promeneur solitaire’, het hogergenoemde essay van Sebald, en Jakob von Gunten (2016), een roman die ook bekend is omwille van de verfilming door de gebroeders Quay onder de titel Institute Benjamenta or This Dream People Call Human Life (1995). Al deze vertalingen werden in de pers unaniem (en meer dan terecht) de hemel in geprezen.  
 
Op haar website meldt Bokhove dat ze al in 2012 De assistent, haar vertaling van Der Gehülfe (1908), afrondde. De rover voltooide Bokhove reeds eind 2013 en ook de nooit eerder vertaalde roman Geschwister Tanner (1907) heeft ze inmiddels klaar. Deze drie ongepubliceerde vertalingen worden sindsdien bewaard in het Robert Walser-Archiv in Bern. Lebowksi liet in 2017 weten dat ze niet verder gaan met het uitgeven van Walser en Bokhove moest dus noodgedwongen op zoek naar een nieuwe uitgever die het aandurfde om het even wonderlijke als moeilijk verkoopbare werk te publiceren. Wie anders dan uitgeverij Koppernik — die hun hand niet omdraaien voor een flinke brok onevenaarbare, dwarse en onalledaagse literatuur — kon zich kwijten van deze nobele taak?  
 
De potloodmethode
Van Walser zijn vijf romans, enkele ‘Dramoletts’ (zoals hij toneelstukjes in dichtvorm noemde), meer dan tweehonderd gedichten en ongeveer duizend prozastukjes bekend. Veel van de korte stukken werden verzameld in boekdelen, maar verschenen ook geregeld in kranten en tijdschriften. Een aantal boeken kregen illustraties door Walsers één jaar oudere broer Karl, die daarenboven voor nagenoeg alle boekuitgaves het omslagontwerp maakte. Op de cover van de voorliggende vertaling prijkt Karls schitterende aquarel ‘Nach Natur’ (1894) (zie beneden), waarop een jonge Robert Walser afgebeeld staat, verkleed als Karl Moor, de idealistische rebel uit Friedrich Schillers Die Räuber (1781). In dat bekende toneelstuk dingen twee broers naar de gunsten van ene Amalia. Franz is de rationele broer, Karl is eerder het gevoelige dromerstype en sluit zich aan, nadat hij werd onterfd, bij een roversbende. Het mag geen wonder heten dat een personage als de vrijgevochten Karl tot Walsers verbeelding sprak. Op de figuur die hem als kind zo intrigeerde, baseerde hij later het hoofdpersonage van zijn meesterlijke roman De rover.
 
De ontstaansgeschiedenis van De rover is minstens even exceptioneel als het boek zelf. Bokhove doet in haar nawoord de verbazingwekkende kroniek omstandig uit de doeken. Het ging — in een notendop — als volgt. In de zomer van 1925 zette Walser zijn roman in zo’n zes weken op papier. Dat bewuste papier was bijzonder, want het manuscript behoort tot de zogeheten ‘Mikrogramme’. Na Walsers dood vond men een schoenendoos met daarin 526 ongelijksoortige stukjes papier — omgedoopt tot ‘Mikrogramme’. Het ging over gebruikte enveloppes, sigarettevloeitjes, verscheurd briefpapier, tickets, kalenderblaadjes, etc., van rand tot rand volgeschreven in een minuscuul handschrift, waarvan men eerst dacht dat het een geheimschrift was. De raadselachtige papiertjes zijn door hun duizelingwekkende dichtheid en intrigerende onleesbaarheid op zich al kleine kunstwerken (ten bewijze staan enkele voorbeelden afgebeeld in Bokhoves nawoord).  
 
Walser, die de papiertjes zelf ‘brouillons’ noemde, is waarschijnlijk rond 1918 begonnen met deze schrijfwijze. Hij had een sierlijk, bijna kunstzinnig handschrift, waar hij trots op was, maar al in zijn Berlijnse periode (1905-1913) begon hij ‘kramp’ in zijn ‘schrijfarm’ te krijgen waardoor hij de pen ging haten. Hij begon systematisch zijn eerste versies in potlood te schrijven, om die nadien ‘in het echt’ met een pen over te schrijven. Dat specifieke en tijdrovende ‘kantoorachtig overschrijfsysteem’ noemde Walser zijn ‘potloodmethode’. In het prozastuk ‘Bleistiftskizze’ (1926-1927) schrijft hij:  
 
‘Als ik nu nog iets over mezelf naar voren mag brengen, dan vertel ik hoe ik op het idee kwam om mijn proza telkens eerst met potlood op papier te zetten voordat ik het met de pen zo netjes mogelijk in het echt overschreef. Ik merkte namelijk op een dag dat het mij nerveus maakte meteen met de pen aan de slag te gaan; om mij te kalmeren gaf ik er de voorkeur aan mij van de potloodmethode te bedienen, wat feitelijk een omweg, een verhoogde inspanning betekende. […] Ik had onder andere het gevoel dat ik met het potlood dromeriger, rustiger, behaaglijker, ingetogener zou kunnen werken, ik geloofde dat de beschreven werkwijze voor mij tot een bijzonder geluk zou uitgroeien.’
 
Walser vond dat schrijven van tekenen was afgeleid en dat schrijven met een potlood hem ‘een haast aan ’t kolossale grenzende, slepende traagheid’ verleende. Eén blik op de Mikrogramme en je kan je perfect voorstellen hoe Walsers schrijflust herleefde: hypnotiserend mooi zijn ze, je kan er gebiologeerd uren op zitten kijken. Opmerkelijk is dat Walser de Räuber-Mikrogramme nooit in pen heeft overgezet. Bokhove vermoedt dat dit kwam omdat hij ervanuit ging er toch geen uitgever voor te zullen vinden.
 
Toen een onderzoeker in de tweede helft van de jaren zestig ontdekte dat het bijna onleesbare gekrabbel op de Mikrogramme eigenlijk een sterk verkleinde versie was van het zogeheten Kurrentschrift, een oud Duits Gotisch cursief handschrift, begon men aan de ontcijfering. Dat bleek een titanenwerk: pas in 1986 werden alle teksten verzameld in zes dikke banden en uitgegeven door Suhrkamp als Aus dem Bleistiftgebiet (‘Bleistift’ is Duits voor potlood). Dit alles maakte dat De rover (als Räuber-Roman) uiteindelijk pas in 1972, bijna vijftig jaar nadat het was geschreven, voor het eerst gepubliceerd werd. Welke koers zou de Duitse literatuur hebben gevaren indien een radicaal boek als De rover was gepubliceerd op het moment dat het werd geschreven? Het is een periode waarin nog andere invloedrijke boeken uitkwamen, zoals Ulysses (1922) of A la recherche du temps perdu (1913-1927). Het is een vraag die J.M. Coetzee zich stelt in zijn boeiend essay over Walser in The New York Review of Books.
 
De rover
Op ‘Mikrogram 488’ start het manuscript van De rover, dat bestaat uit vierentwintig eenzijdig beschreven vellen kunstdrukpapier, iets kleiner dan een A5. De roman zelf is opgedeeld in vijfendertig ongenummerde en ongetitelde hoofdstukken, elk ongeveer twee tot drie bladzijden lang. Walser beschouwde De rover als een ‘psychologische roman’, waarin het over essentiële levensvragen gaat. De sublimerende verdichting van De rover speelt zich inderdaad af op een dieper niveau en schuilt niet in het verhaal, want dat is er een van tien in een dozijn: een zonderlinge man bijgenaamd ‘de rover’ houdt het hoofd boven water aan de zelfkant van de Bernse samenleving, dankzij een bescheiden erfenis en de hulp van enkele vrouwen. Wanneer de roman start is hij plots gescheiden van zijn geliefde, de brutale dienster Edith, die hem pardoes heeft verlaten omdat hij weigerde haar 100 francs te lenen. De rover en Edith hebben een onduidelijke relatie achter de rug: een en ander wordt gesuggereerd door een anonieme verteller. Naar het einde van het verhaal toe moet de rover zich rechtvaardigen ten aanzien van een soort tribunaal. Tijdens zijn vurige toespraak neemt Edith het recht in eigen handen en schiet de rover neer. Wanneer de gemoederen gekalmeerd zijn, slaan de rover en ‘een erkend auteur’ de handen in elkaar om de ware toedracht van de feiten neer te schrijven.
 
Die schrijver dat is de anonieme verteller van De rover. Hij spreekt meestal in de eerste persoon enkelvoud, maar haalt geregeld zichzelf aan in pluralis majestatis en probeert de lezer vanalles diets te maken. Is de verteller Robert Walser zelf, wiens voornaam klinkt als het Duitse woord voor ‘rover’, ‘Räuber’? Hoe dan ook, hij poogt zijn persoonlijke verwikkelingen met de rover en wat hij van anderen over diens roekeloze leven heeft gehoord in een coherent verhaal te gieten. Sterker nog, hij wil er een roman van maken: ‘een weloverwogen boek waaruit absoluut niets geleerd kan worden’. Die roman moet niet zo getrouw mogelijk zijn, maar in de eerste plaats netjes en welopgevoed:  
 
‘Wees ervan overtuigd dat ik u louter het welvoeglijke meedeel. Ik houd mezelf namelijk voor een beschaafde auteur, wat misschien heel dwaas van me is. Misschien zullen er inderdaad terloops ook onschaafdheden insluipen.’  
 
De verteller, die de lezer herhaaldelijk direct aanspreekt en voortdurend commentaar geeft op zijn eigen schrijfsels, is echter van geen kanten te vertrouwen. Hij noemt de rover ‘een Peruaan’, ‘een najager van belevenissen’, ‘een volgzaam uilskuiken’ en ‘een wegloper in roverskostuum’. Hij springt van de hak op de tak, weidt voortdurend uit en brengt zijn verhaal gefragmenteerd over. Zijn gedachtegang is puur associatief en discontinu. Het begint al in de tweede zin, ‘Hierover later meer’, waarvan creatieve varianten nog talloze keren zullen terugkeren verder in het verhaal. De verteller graaft onvermoeibaar in het persoonlijke verleden van de rover, die hij afschrijft als een vrouwengek die de ‘keizerinnen van zijn fantasie’ zielloos maar wellustig najaagt: er is sprake van een Wanda, een Julie en een Selma. Ondertussen denkt de verteller luidop: wat bij hem opkomt, schrijft hij onverbloemd neer. Hij is bijzonder kritisch voor de rover, velt het ene waardeoordeel na het andere en roept hem tot verantwoording. Aan de andere kant neemt de verteller de rover ook in bescherming (‘Hij bevindt zich onder onze hoede’) en noemt zichzelf diens ‘bewaker’.
 
Onderweg ontdekt de lezer dat de rover —net als de verteller —  eveneens een schrijver is, die een ‘allang door zijn vrienden verwachte roman’ aan het neerpennen is. De verteller moedigt zichzelf geregeld aan (‘Kom nou eindelijk eens op met dat verhaal…’), maar waakt er ook over het mysterie hoog te houden: ‘Veel op deze pagina’s zal de lezer nog geheimzinnig voorkomen, wat wij zogezegd hopen, want als alles zo open voor begrip klaarligt, zou u boven de inhoud van deze regels gaan gapen.’ Tegelijkertijd staat de verteller als chroniqueur ook onder druk en voelt hij zich vlakaf  ondergewaardeerd:  
 
‘Deze omwegen die ik hier maak hebben ten doel tijd te rekken, want ik moet tot een boek van enige omvang komen omdat ik anders dieper veracht word dan ik al ben. Het kan zo onmogelijk doorgaan. Plaatselijke mannen noemen mij een dwaze jongen omdat er geen romans uit mijn zakken vallen.’
 
De verteller en de rover hebben nog heel wat andere dingen gemeen. Gaandeweg lijken ze zelf te versmelten tot één en dezelfde persoon (vandaar het majesteitelijke meervoud?). Het schrijven van de roman zélf komt metaliterair centraal te staan. Op een bepaald moment schuift de verteller de rover naar voren als zijn assistent: ‘Vandaag ziet de rover heel bleek van al het geschrijf, want u kunt zich wel voorstellen hoe hij mij flink helpt bij het op papier zetten van dit boek.’ Edith neemt het de rover kwalijk dat hij naar ‘een erkende auteur’ is gevlucht om hun verhaal neer te schrijven. Wordt haar voormalige minnaar daarom de rover genoemd? Omdat hij hun verhaal roofde? ‘Ik moet me de schrijfsels van die bedelaar laten welgevallen terwijl hij niet eens honderd franken uit zijn portemonnee wilde laten vallen of glijden.’, verzucht ze.
 
De rover is een maanziek personage, ‘een ware titaan in het aarzelen’. Hij is geen dromer, noch een flierefluiter of vagebond, want ‘voorbeeldig zijn is toch immers gigantisch saai.’ De rover weerstaat simpelweg elke wijze van classificering, geen enkel hokje past hem. In een smartelijk fragment vraagt de rover zich tijdens een doktersbezoek af of hij vroeger misschien een meisje is geweest. Maar uiteindelijk komt hij tot de conclusie dat hij niet zozeer ooit een ander geslacht had, maar dat hij eerder een eeuwig kinderlijke zijde heeft (‘Ik heb misschien een iets te vrolijk innerlijk, waaruit natuurlijk van alles valt op te maken’), een zijde die hij nooit van zich af heeft kunnen werpen. De verteller vraagt zich ergens af: ‘Werd hij vanwege zijn kinderlijkheid vervolgd?’. Bovendien verklaart de rover aan de arts dat hij pas echt gelukkig is wanneer hij iemand kan bedienen (Walser had een korte carrière als bediende achter de rug, zie onder andere De assistent en Jakob von Gunten). Dat kinderlijke doet in één beweging onvermijdelijk denken aan het schilderij dat zijn broer Karl maakte van de jonge Robert Walser, aandoenlijk verkleed als rover, starend met een lege blik in het niets.
 
Tot besluit nog wat lof voor de deskundige en zwierige vertaling van Bokhove. Woorden als ‘friederietselen’, ‘fier-vooruit-kijkerij’, ‘Edith-gelui’, ‘genoegelen’ of ‘bakvisselen’ mogen wat mij betreft meteen opgenomen worden in het ultieme lexicon van creatieve vertaaloplossingen. De elegantie van deze vertaling is gewoonweg buitenproportioneel. De meanderende, wemelende taal van Walser is geweldig weergegeven en een immens plezier om te lezen: ‘Zijn ogen waren kleine, rondhollende windhonden’, ‘Ondertussen nam hij les in de kunst niet aan vrolijkheid in te boeten’, ‘Zijn handen zijn net hooggeheven en neergzonken koningen. Imponeert deze mooie zin u?’ of ‘Natuurlijk maakte de tijd van minuut tot minuut vorderingen. Dat die nooit op het idee komt eindelijk eens stil te staan, treft menig intelligent mens als iets eigenaardigs.’ Het krioelt van dergelijke afgemeten, poëtische zinnen, ik herhaal: het is één groot, langgerekt taalfestijn.  
 
In zijn essay vermeldt Coetzee een mooie uitspraak van Walter Benjamin over de kenmerken van de Walser-types: zij zijn als sprookjesfiguren die — wanneer het sprookje eenmaal voorbij is — beseffen dat ze nu in de realiteit zullen moeten leven. Het sprookje van de rover is eveneens voorbij en nu dwaalt hij rond in een realiteit die hem niet verdragen kan, hem uitstoot en zelfs vervolgt. Hij is een saltimbanco, een verworperne, de eeuwige buitenstaander, verpauperd en geslagen, maar steeds met een grootmoedige glimlach op het gelaat en een mateloze vrijheid in de geest, de vrijheid van de kunstenaar en de schepper.  
 
Als er een boek onklasseerbaar is, dan dit wel. De rover lijkt een nobel wild en vrij bestaan te willen rechtvaardigen en uitdragen. Dit krasse boek toont wat er gebeurt met eenieder die zich afzet tegen de troosteloze toerekeningsvatbaarheid waar de gevestigde orde op rekent en steeds klakkeloos van uitgaat. Iedereen die het lichtend pad volgt, is een beetje een rover: voorbeeldig zijn is immers ‘gigantisch saai’ en buiten de lijntjes kleuren is zoveel méér leven. De rover is een fenomenale Walser, een labyrintisch boek dat heerlijk buiten zijn oevers treedt en in milde extase overloopt van bravoure, brille en warme, emotionele geladenheid. Walser lezen is ook hier nog maar eens een ervaring die je achtervolgt en niet meer loslaat.  
 
Robert Walser: De rover, NBC-Koppernik, Amsterdam 2018, 196 p. ISBN 9789492313492. Vertaling van Die Räuber door Machteld Bokhove. Distributie: Elkedag Boeken 





deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 9, OKTOBER 2018

Blinde drift

Belinda Bauer

De rover

Robert Walser

Heel de tijd

Leo Pleysier

Onder een koperen hemel

Stefan Hertmans

Zeiseman

Martha Heesen

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 9, OKTOBER 2018

De invloed van Gregie De Maeyer (1951-1998) op de (Vlaamse) jeugdliteratuur

‘Het wezen van de dingen vervaagt naarmate het zichtbaar wordt’

De slaapster en de spintol

Neil Gaiman, Chris Riddell (ill.)

Op zoek naar Stella

Gerda Dendooven

Rivieren

Peter Goes

Tegenwoordig heet iedereen Sorry

Bart Moeyaert

naar overzicht


‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri