Nederlands proza

BOEKEN NR. 1, JANUARI 2019

Ilja Leonard Pfeijffer: Grand Hotel Europa

door Carl De Strycker

In zijn nieuwe roman, Grand Hotel Europa, ontmoeten we de schrijver Ilja Leonard Pfeijffer, die ook al het hoofdpersonage was van La Superba en Brieven uit Genua, in Venetië. Hij is er ingetrokken in het hotel dat de titel levert van het boek. Dat ooit vermaarde logement is ondertussen enigszins vergane glorie en wordt bewoond door een aantal vaste gasten, maar is zopas overgenomen door een Chinees die vast besloten is om het opnieuw rendabel te maken. Pfeijffer is er om te schrijven. Enerzijds werkt hij aan een boek over massatoerisme, anderzijds wil hij vat krijgen op de stukgelopen relatie met Clio door zijn tijd met haar te herbeleven op papier. Ondertussen voert hij gesprekken met de personages in het hotel: de maître d’hôtel Montebello en diens piccolo Abdul, de Griekse reder Volonaki, de homo universalis Patelski, de Franse hermetische dichteres en feministe Albane, een Amerikaanse familie en hun aangenomen dochter, de lolita Memphis.  
 
Dat bonte gezelschap uit de kadervertelling levert een veelheid aan verhalen en belevenissen waarmee het liefdesverhaal, dat de kern vormt van het boek, doorweven wordt. Hilarisch is de beschrijving van het avontuurtje dat Pfeijffer beleeft met Memphis en de reactie daarop van Albane. Diep-tragisch het verhaal van de vluchteling Abdul; ontroerend hoe Montebello zich over de ontheemde jongen ontfermt. De gesprekken met Volonaki hebben dan weer iets van platoonse dialogen: Pfeijffer is de aangever voor geleerde betogen over verschillende actuele maatschappelijke kwesties.
 
Door een stom toeval ontmoet Pfeijffer Clio, een ravissante Genuese kunsthistorica, en hij krijgt een relatie met haar. Als zij een job krijgt in Venetië volgt hij haar. Ze beleven passionele momenten, maar hebben ook slaande ruzies: Clio is gefrustreerd dat ze geen wetenschappelijke baan heeft, is stik jaloers en verwijt Pfeijffer egoïsme. Ondertussen is zij op zoek naar het laatste schilderij van Caravaggio – een heus detectiveverhaal ontspint zich, waarin Clio met de hulp van Pfeijffer als Sherlock Holmes met Watson de meest krankzinnige theorieën bedenkt en vervolgens controleert. Hij gaat de vertaling van La Superba presenteren in Skopje en stapt in een project van een geschifte filmmaker die een documentaire wil maken over toerisme. Fout loopt het als Clio wordt uitgenodigd om te solliciteren voor het nieuwe Louvre in Abu Dabi. Zij twijfelt, maar Pfeijffer moedigt haar aan en ze vertrekken samen naar de woestijn. Daar blijkt al gauw dat dit niet alleen een onleefbare stad is, maar dat een museum op die plek ook nog eens je reinste onzin is. Alleen is dat buiten Clio gerekend, die er een chique functie aanvaardt. Het lokt Pfeijffer een liefdesverklaring uit aan het oude continent; hij kan niet aarden buiten Europa en keert terug naar Venetië waar hij hun gezamenlijke appartement verlaat en een kamer neemt in Grand Hotel Europa.

Uiteraard is het aftandse hotel in de zinkende stad, met z’n vaste gasten uit een voorbije tijd, een metafoor voor hoe het er met Europa aan toe is: Europa, dat is het verleden; de toekomst wordt elders gemaakt. Niet voor niets laat de nieuwe Chinese eigenaar de bloemen vervangen door plastic exemplaren, laat hij het portret van Paganini weghalen voor een foto van Parijs, laat hij de Chinese kamer ombouwen tot een Engelse pub en moet de kroonluchter er een worden van Swarowski-kristal. Hij maalt niet om de traditie, hij is uit op gewin en daarom moet het hotel aangepast aan de wensen van de hedendaagse toerist. En daar klikt de thematiek van de ondergaande Europese cultuur mooi in elkaar met die van het massatoerisme en de immigratie. Want Europa lijkt het museum van de wereld te zijn geworden – een plek waar je kan ervaren ‘hoe het vroeger was’. Het toerisme, dat heuse volksverhuizingen op de been brengt die steden als Venetië, Cinque Terre of Amsterdam overspoelen, behoort tot de pool van het verleden. De immigratie, die niet minder mensen in beweging brengt, is de toekomst. Ze zou kunnen zorgen dat er opnieuw mensen, vers bloed en verse ideeën naar Europa komen en bijgevolg productiviteit ontstaat.  
 
Die tegenstelling beheerst ook het koppel: Pfeijffer, de classicus, loopt er het hele boek bij als een anachronisme: steeds in een pak met stropdas, geparfumeerd, bijzonder elegant in de omgang en zich bedienend van ronkende volzinnen waarin hij haast nooit rechtuit zegt wat hij denkt. Clio, de kunsthistorica van adellijke afkomst, gaat eigentijds gekleed, maakt scènes zoals we die kennen uit soapseries en kiest er uiteindelijk voor om Europa te verlaten met het oog op haar toekomstige carrière – ironisch genoeg als kenner van kunst uit het roemrijke Italiaanse verleden. Zij verlaat Europa, dat op figuurlijk vlak aan het verdorren is, voor de woestijn, waar in principe niets groeit, maar waar alles mogelijk schijnt te zijn.
 
Toerisme zou het onderwerp worden van de roman die Pfeijffer aan het schrijven was, maar, zo legt hij zelf uit, dat is ‘slechts het symptoom voor iets groters en ernstigers, zoals gasten op een begrafenis het symptoom zijn van de dood. Dat wil ik in mijn boek onderzoeken. Het moet gaan over Europa, de Europese identiteit, die verstrikt is in het verleden, en over de uitverkoop van dat verleden op een geglobaliseerde markt […]. Het moet een liefdesverklaring worden aan Europa vanwege wat het ooit was, dat op dit moment vanwege wat het ooit was onder de voet wordt gelopen door de laatste en definitieve barbaarse invasie. Het wordt een triest boek over het einde van een cultuur.’
 
Een sfeer van ondergang hing er al in het Grand Hotel Europa en in Venetië (letterlijk, want het is een ondergaande stad), maar heerst in het hele boek op elk niveau: van de mislukking van relaties op het intermenselijke vlak, over de onder de voet gelopen bezienswaardigheden in Europa tot de afbrokkeling van de Europese waarden en normen waarvoor de antieke cultuur, de kunst uit de renaissance en de negentiende-eeuwse omgangsvormen in het hotel symbool staan. Een sleutelpassage is die waarin Pfeijffer en Clio een tentoonstelling van Damien Hirst bezoeken, en hij beseft dat diens werk (met beschadigde en met patina bedekte monumentale bronzen beelden die zogenaamd uit een scheepswrak zijn opgevist, maar eigenlijk als dusdanig door de kunstenaar geconcipieerd zijn) de perfecte hedendaagse kunst is en als voorbeeld moet dienen voor de eigen schrijfpraktijk: ‘Groots moet het zijn, en overdadig, een overweldigende orgie van fantasie met de technische perfectie van de commerciële kitsch.’ Meteen de beschrijving van Grand Hotel Europa.
 
Dat boek is een snoeiharde kritiek op de Europese zelfvoldane inertie die nefast is op verschillende terreinen. Pfeijffer behandelt brandende kwesties waarmee we in het Westen geconfronteerd worden en waar we geen greep op krijgen zoals de uitwassen van het neokapitalisme, de angst voor verandering, de doorgeslagen meritocratie, het immigratievraagstuk, het massatoerisme, het milieuvervuilende ongebreidelde luchtverkeer, de parallelle economie die ontstaat door airbnb, de structurele onderfinanciering van de conservering van ons erfgoed, de illusie als zou Europa een kenniscentrum zijn, de gebakken lucht van de hedendaagse conceptuele kunst en het anachronisme dat klassieke muziek is. Het boek zit vol essayistische passages die een lucide analyse geven van deze en andere problemen waarmee Europa dagelijks worstelt.
 
Daarnaast bespeelt Pfeijffer zijn geliefde thematiek van de poreuze grenzen tussen feit en fictie. Uiteraard blijkt dat in eerste instantie uit het feit dat de schrijver zich hier opnieuw opvoert als hoofdpersonage, en een en ander als waar gebeurd wordt voorgesteld. Niet alleen zijn er de vele passages vol feitelijkheden die eerder op een essay of een journalistiek artikel lijken, ook zegt de schrijver niets te verzinnen, maar enkel te noteren wat echt is gebeurd. Laat dat laatste nu ook de bewering zijn van de auteur waarmee The Grand Budapest Hotel opent, de film van Wes Anderson uit 2014 over een schrijver die een kamer boekt in een hotel dat zijn grandeur verloren heeft en daar een verhaal te horen krijgt over een butler met dezelfde keurige manieren als Montebello, en een piccolo met dezelfde migratieachtergrond als Adbul. Niet voor niets heet een van de hoofdstukken ‘Intertekstualiteit’, met name dat waarin Abduls vluchtverhaal ontleend blijkt te zijn aan de Aeneïs – of hoe verhalen een universele waarheid bevatten die de realiteit weet te vatten. Want dat is wat Pfeijffer van literatuur verlangt: dat ze inzicht biedt in de werkelijkheid en empathie opwekt.
 
Grand Hotel Europa zal vast niet de populariteit van La Superba verwerven. Daarvoor is het boek te dik (de doorsnee lezer houdt niet van boeken van meer dan 300 bladzijden), bevat het te veel passages die op essays lijken en is het soms wat drammerig doordat de problematiek van het massatoerisme telkens opnieuw aan de orde wordt gesteld aan de hand van telkens andere voorbeelden. Bovendien lijkt Grand Hotel Europa zowel qua compositie als thematiek sterk op La Superba. Om al die redenen geloof ik niet dat het verkoopsucces geëvenaard zal worden, al zou dat jammer zijn, want Grand Hotel Europa is een schitterend boek: stilistisch meesterlijk, compositorisch briljant, raak in zijn kritiek, vaak hilarisch (zelden zo vaak hardop gelachen tijdens de lectuur van een boek) en Pfeijffers bekende thema’s worden er in een andere context en een andere toonaard verder uitgewerkt. Als enige punt van kritiek zou je kunnen aanhalen dat Pfeijffer in zijn drang naar transparantie – eigenlijk is dit een complex boek over ingewikkelde problemen – net iets te veel expliciteert. Zelf zegt hij ergens in het boek ‘Ik houd van betekenis’ – dit boek bulkt van de betekenis, en voor wie iets zou ontgaan, wordt het wel uitgelegd of herhaald.
 
Ilja Leonard Pfeijffer: Grand Hotel Europa, De Arbeiderspers, Amsterdam 2018, 552p. ISBN 9789029526227. Distributie L&M Books 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 6, JUNI 2019

Ik zal de wereld nooit meer zien. Aantekeningen uit de gevangenis

Ahmet Altan

Kamer in Oostende

Koen Peeters

Lief slecht ding

Frank Keizer

Onrustige dagen

F.B. Hotz, Thomas Heerma Van Voss (sam.)

SS Proleterka

Fleur Jaeggy

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 6, JUNI 2019

* De eerste avonturen van de Rode Ridder, 1959-1961

Een ridder voor alle seizoenen

De boom met het oor

Annet Schaap, Philip Hopman

Mijn mama

Annemarie van Haeringen

Poëzie hardop

Hans Hagen, Monique Hagen, Maartje Kuiper (ill.)

Twee maal op reis door het brein.

Verdwalen in Breinstein of inzicht in het hoofd

naar overzicht


‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri