Non-fictie

BOEKEN NR. 7, JULI 2019

Geert van Istendael: De grote verkilling

door Bart Vonck

Het reformisme voorbij?

Essayist Geert van Istendael slaakt in zijn nieuwe boek een hartenkreet: de haast volledig ontmantelde sociale zekering moet hoognodig en indien mogelijk snel weer op poten worden gezet. Dat stelsel is een bij uitstek Europese waarde, dat evenzeer deel uitmaakt van het Europese patrimonium als de negende van Beethoven. En het moet bovendien trots over de hele wereld worden verspreid om de slachtoffers van de neoliberale besparingsdrift en globalisering – die nu gevaarlijk en vervaarlijk naar extreemrechts zijn gaan overhellen - opnieuw naar het politieke midden te brengen. De auteur is een (sociaaldemocratische) verdediger van het Rijnlandmodel, een kapitalisme dat op een stabiele politieke consensus tussen de grootste partijen uit was en een afdoende bescherming bood aan wie met weinig financiële slagkracht door het leven moest.
 
In De grote verkilling (een beeld voor de nietsontziende afbraak van het sociale vangnet dat niet zonder slag of stoot verwezenlijkt werd) slaat de auteur een retorische toon aan. Van Istendael is een talige tovenaar die optimaal functioneert als hij tegen iets fulmineert of koppig een project blijft verdedigen dat wordt geofferd op het altaar van de godsdienst van het steeds gretiger om zich heen grijpende winstprincipe. Het financiële kapitalisme wil dat geld en koopwaar onbegrensd circuleren (zoiets heet ‘globalisering’) maar dat de migratie van wereldwijde slachtoffers van zo’n ongenadig systeem aan banden gelegd wordt, op menselijke of (vooral) onmenselijke wijze.

Tegenover de Europese Unie heeft de auteur een ‘double binding’ (zoals ook de Franse communist Etienne Balibar): de Europese gedachte wordt met verve verdedigd maar de huidige Europese instellingen worden grosso modo veroordeeld omdat ze een gedrochtelijk instrument zijn van het neoliberalisme. Deze omschrijving is misschien wat kort door de bocht, maar heeft wel het voordeel van de duidelijkheid.
 
Van Istendael is een overtuigde sociaaldemocraat die zijn politiek ideaal als volgt omschrijft:
 
‘Het betekent dat sociaaldemocraten, of noem hen socialisten, met alle mogelijke middelen die een democratie veroorlooft de belangen van de kleine vrouw en de kleine man moeten verdedigen, tot het uiterste, ook tegen de oppermachtige ideologische waan van de dag in.’
 
Die waan neemt hier verschillende vormen aan: het wild om zich heen grijpende winstprincipe, de wil om een exclusieve samenleving tot stand te brengen (tegen migratie en diversiteit in), en een strak ‘identiteitsdenken’ gehuldigd door ‘progressieven’ die in hun superioriteit politiek met overtuiging verwarren en voorbijgaan aan de reële noden van kleine mensen die nu te vaak hun toevlucht nemen tot extreemrechts.
 
De essayist Van Istendael is een ingenieuze stilist die begeesterend schrijft en een geheel eigen en sprankelend Nederlands hanteert dat zijn handelsmerk geworden is. Ik vind de retoriek soms iets te heftig (bijvoorbeeld in de vele herhalingen) maar het moet duidelijk zijn dat Van Istendael een van zijn dierbaarste idealen verdedigt. Iets wat overigens veel te weinig gebeurt. De kern van het boek staat aan het eind: een vlammend manifest waarin de sociale zekerheid verdedigd wordt en waarin de oorzaken van het verdwijnen ervan en de contouren van de actuele samenleving uitgeschreven staan. In ‘Het spookt in Europa’, de opmaat van het boek, wordt de lezer verwittigd: de auteur zal zijn ‘ruwste bek’ opentrekken. Daarna volgen negentig pagina’s waarin de afgang van de sociaaldemocratie (als variant van het politieke centrum) in Europa met cijfermateriaal wordt uiteengezet.
 
Na een verdediging van het ‘algemeen belang’, de politiek-filosofische ondergrond waarop de sociale zekerheid ontstond, onderzoekt de auteur het begrip ‘identiteit’ en hoe daarmee omgegaan wordt. Het ‘rare beest dat identiteit heet’ is een constructie die is gegroeid en bevochten. In een apart hoofdstuk behandelt Van Istendael ‘de grote versnippering’ (‘de wonderbare identiteitenvermenigvuldiging’) die de grote verkilling heeft versneld of zelfs veroorzaakt. Ongezouten giet de essayist zijn verontwaardiging uit over ‘de progressief liberale spraakmakende gemeente’ die naar haar navel staart en uit elke eigenaardigheid een identiteit heeft gepuurd (vleeseters, vegetariërs, flexitariërs, veganisten, of de lui die onder het label LGBTQ vallen…). Van Istendael: ‘De grote versnippering is het culturele middel bij uitstek om onze aandacht weg te trekken van de economische en sociale problemen die de grote verkilling over ons afroept en om deze vrijgekomen aandacht te richten, exclusief te focussen op onze eigen navel.’
 
De auteur maakt zo een onderscheid tussen ‘progressieven’ (‘minderheden die zichzelf hebben ontdekt als heel anders dan de anderen’) en ‘linksen’ (‘gaat volgens mij over arm en rijk, sociale afbraak, (…) klassenstrijd’). Progressieven klampen zich vast ‘aan een harde zijtak van een al te letterlijk opgevat calvinisme’, en prediken een ‘hypermoraal’; ze verzetten zich tegen ‘culturele toe-eigening’ en ‘zinken aan het eind van hun kruistocht weg in bloed en bodem’; ze sluiten ‘naadloos aan bij donkere denkbeelden van extreemrechts’. Ze ‘overwoekeren’ de democratie.
 
Na lectuur van de 24 pagina’s van het vloekschrift tegen (eigenlijk) de ‘bobo’s’ (‘bourgeois bohémiens’ of omgekeerd), ben ik duizelig. Van Istendael analyseert niet zozeer maar polariseert, heeft zijn besluiten al klaar staan, uitgaande van een beschrijving van een ‘kaste’ die, zo denk ik, hier en daar bestaat maar nooit het gewicht heeft (gehad) dat de auteur eraan toekent. Ik begrijp deze ideologische kronkel niet. De heftigheid waarmee de realiteit vertekend wordt is verdacht. Waarom zoveel overdrijving en woede? Ik kan mijn vinger niet op een afdoende oorzaak leggen. Totaal onbegrijpelijk is de stelling dat deze kaste haar inspiratie haalt uit de Verenigde Staten, ‘het centrum van de culturele hegemonie’. Van Istendael noemt zichzelf in dit boek een keer ‘reactionair’ (wat zelfs geen verdachte term hoeft te zijn). In dit thema is hij dat op negatieve wijze. Zijn overtrokken beschrijving (die ook in de volgende hoofdstukken nog breed uitgesmeerd verschijnt) schaadt de kracht van zijn analyse. Ook in zijn manifest serveert hij de ‘groenen en progressieve identitairen’ en hun ‘superioriteitsdenken’ af. Terwijl er net nu grote nood is aan samenwerking en overleg.
 
Via de heropbouw van de sociale zekerheid wil de auteur toch verbindingen aanbrengen tussen groepen die niet meteen in elkaars armen vallen. Hier rijzen echter vragen die de stelling van dit boek gedeeltelijk relativeren. Als sociaaldemocraat is Van Istendael een reformist die radicalere vormen van socialisme afwijst. Ik vraag mij af of hij zo oplossingen kan vinden voor de zeer diepe crisis waarin de wereld en Europa ondergedompeld zijn. Het zou mij te ver voeren mijn hele arsenaal aan ideeën hier uit de doeken te doen. Maar ik stel toch deze vraag: wat gebeurt er op het vlak van de analyse als je vertrekt van modellen die voorafgaan aan de Amerikaanse hegemonie die na de Tweede Wereldoorlog aan Europa opgedrongen werd? Wat als groei niet langer het na te streven criterium zou zijn? Wat als er gewerkt zou worden aan een brede alliantie van politieke krachten die de fundamenten van het kapitalisme echt in vraag stellen en de eng-communistische ‘oplossingen’ afwijzen? Van Istendael beschrijft de teloorgang van het sociale zekerheidsstelsel maar beroept zich voor de heropbouw ervan op sociaaldemocraten en aanverwante partijen die uit hun politieke puinhoop zouden moeten herrijzen. Ik vraag mij ernstig af hoe dat zal gebeuren. Is het politieke midden nog levensvatbaar? Is het niet realistischer te pleiten voor een nieuwe visie die velen zou kunnen verenigen die zich tegen het botte winstprincipe keren? Zijn de hier zwaar getackelde ‘progressieven’ niet broodnodig in zo’n project?
 
Ik stip, niet exhaustief, nog enkele kritische bedenkingen aan bij dit boek dat door vriend en vijand gelezen zou moeten worden. In zijn bibliografie vermeldt Van Istendael de Duitser Wolfgang Streeck die in zijn boek Gekaufte Zeit. Die vertragte Krise des demokratischen Kapitalismus (verschenen in 2014 en intussen ook in het Frans vertaald) een veel radicalere analyse maakt van de huidige fase van het wilde kapitalisme. Ik vind Streecks doorlichting meer dan de moeite waard. Maar dan moet de sociaaldemocratie zélf in vraag worden gesteld. Van Istendael lijkt mij nog te veel het product van deze stroming van het politieke midden (dat bijna helemaal uiteengespat is omdat het in de praktijk een waterdrager van het kapitalisme is). De analyse moet ook beginnen bij het einde van De Tweede Wereldoorlog (of zelfs nog eerder). De Amerikaanse hegemonie is in de kern en in de uitwerking kapitalistisch. En de kern van dat systeem - steeds meer winst – leidt tot de toestanden die de auteur aanklaagt. Bovendien staan we voor de onuitgegeven uitdaging van de hele klimaatkwestie. De Club van Rome wilde grenzen aan de groei. Vandaag moet die groei nog veel kritischer onder de loep genomen worden. En wat gebeurt er als we die groei een halt moeten toeroepen?
 
Wat mij ook verbaast is dat de auteur de ontwikkelingen in Spanje en Portugal niet beschrijft. In het laatste land is er door een politieke samenwerking tussen communistisch en sociaaldemocratisch links een alternatief voor de Europese besparingspolitiek tot stand gekomen. De Portugese socioloog Boaventura de Sousa Santos pleit voor meer sociaaldemocratie en minder Noord-Europese arrogantie, en verklaarde onlangs in een zeer behartigenswaardig artikel in De Groene Amsterdammer (06.06.2019) dat ‘Portugal laat zien dat het neoliberalisme een leugen is.’ De Sousa beweert onder meer dat het ‘project van de Koude Oorlog’ (dat Van Istendael van zeer nabij heeft meegemaakt, en ook in dit boek beschrijft) goed werkte ‘zolang de Berlijnse Muur overeind stond. Maar toen de muur viel, stortte niet alleen het sovjetsocialisme in. Ook de sociaaldemocratie kwam ten val. Die was overbodig geworden, want het kapitalisme had geen rivalen meer.’ En ontwikkelde zich tot het neoliberalisme dat een permanente crisis nodig heeft om zich te verwerkelijken. En alle voorgaande politieke systemen vernietigt.
 
De grote verkilling is een interessant boek dat ook naar een onontbeerlijk weerwoord moet leiden. Alleen zo kunnen we elkaars blinde vlekken vermijden. Ik hoop dat in de periode van ideologische verwarring en verblinding die de onze is (nog meer na de uitslagen van de verkiezingen van 26 mei) Van Istendaels standpunten geen slag in het water blijken te zijn maar een steen in de vunzige kikkerpoel waarin wij ons nu bevinden. Om ons daaruit op te trekken hebben we zoveel mogelijk bondgenoten nodig en een nieuw en gedurfd politiek project.
 
Geert van Istendael: De grote verkilling, Atlas/Contact, Amsterdam, 2019, 269 p. ISBN 9789045039404. Distributie VBK België

deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri