Non-fictie

BOEKEN NR. 10, NOVEMBER 2019

Elma Drayer: Witte schuld: Over identiteitspolitiek

door Christophe Van Eecke

Blanke zielen: Over de waanzin van identiteitspolitiek
 
Identiteitspolitiek is het fenomeen waarbij mensen zich politiek en sociaal organiseren en engageren rond een aangeboren of gedeeld kenmerk zoals hun ras, sekse of seksuele identiteit. Het concept werd voor het eerst geformuleerd in – waar anders? – de Verenigde Staten, met name in de context van het feminisme en de zwarte burgerrechtenbeweging. Sinds het losbarsten van de discussie rond Zwarte Piet – u weet wel: die donkere bink van een schoorsteenwerker die menig homofiel kinderhart sneller heeft doen slaan met de belofte van zijn meedogenloos harde roede op hun billen – is identiteitspolitiek ook stevig ingeburgerd geraakt in de bredere Nederlandse en Vlaamse cultuursfeer – of althans: de praktijken die verbonden worden met identiteitspolitiek zijn aan een duidelijke opgang bezig, terwijl het theoretische concept zelf vooral in bepaalde feministische en academische kringen de ronde doet.
 
In haar boek Witte schuld, waarin ze een aantal eerder gepubliceerde columns en artikels heeft samengevlochten tot een lang essay, laat Elma Drayer in een toegankelijke, pittige en soms ook uitdagende stijl haar kritisch licht schijnen over dit fenomeen dat haar, om een hele reeks legitieme redenen, diep verontrust. Drayer neemt de controverse rond Zwarte Piet als uitgangspunt voor haar betoog omdat ze op die manier haar analyse kan koppelen aan een chronologisch overzicht van hoe de discussie (met name in Nederland) vorm heeft gekregen. Daarbij hanteert ze een enigszins nauwe definitie van identiteitspolitiek die voor haar eigenlijk vooral verwijst naar de huidige antiracismebeweging. Toch is Drayer er zich duidelijk van bewust dat de reikwijdte van het concept veel breder is en toont ze geregeld aan hoe ook belangrijke strekkingen binnen het feminisme en de genderbeweging ten prooi zijn gevallen aan het identiteitsdenken.
 
Zuivere Intenties
Alles begon voor Drayer met de Zwarte Piet-discussie. Drayer wijst er terecht op dat in dit hele debat de intentievraag cruciaal is. Veel mensen die de traditie willen bewaren houden er hoegenaamd geen racistische motieven op na. Tegelijk wordt Zwarte Piet door veel andere mensen als aanstootgevend ervaren. ‘Goede bedoelingen zijn op zichzelf geen excuus,’ schrijft Drayer hierover, ‘maar tussen opzettelijk en onopzettelijk bestaat wel degelijk verschil. Zouden de tegenstanders [van Zwarte Piet] erkennen dat de meeste voorstanders niks kwaads in de zin hebben – de angel zou eruit zijn. Zouden de voorstanders erkennen dat ook onbedoelde krenkingen kunnen krenken – idem’.
 
Door intenties centraal te stellen, raakt Drayer hier meteen een cruciaal punt dat veel breder gaat dan alleen maar de discussie rond Zwarte Piet. Steeds meer mensen voelen zich immers steeds makkelijker steeds dieper in hun identiteit gekwetst (en zowaar zelfs getraumatiseerd) door steeds alledaagser en onbenulliger gebeurtenissen zoals een onvertogen woord, een beeld dat hen tegenstaat, of zelfs een onschuldige of nooit kwaad bedoelde uitspraak die om een of andere reden niet goed valt. Daarbij wordt de partij die aanstoot geeft, vaak meteen ter verantwoording geroepen alsof zij opzettelijk een groot onrecht hadden begaan, terwijl die mensen zich vaak van geen kwaad bewust zijn. Kortom, veel mensen slagen er blijkbaar in zich gekwetst te voelen zonder dat er een intentie tot kwetsen is. Dat er vanuit identiteitspolitieke hoek doorgaans meteen van opzet, bewuste botheid of zelfs kwaadwillige immoraliteit wordt uitgegaan, helpt hoegenaamd niet: wie zich op zo’n manier persoonlijk aangevallen weet, schiet onvermijdelijk in een defensieve kramp – en de discussie wordt een scheldpartij.
 
Net omdat identiteitspolitieke activisten gemotiveerd zijn door een bijna heilige overtuiging van hun absolute morele gelijk neemt hun optreden vaak de vorm aan van een agressie: wie het niet met hen eens is, is niet zomaar een opponent met een andere visie, maar een ‘probleem’ – en een moreel probleem nog wel. In het Engels is het woord problematic (in deze context ontleend aan de theorieën van de marxist Louis Althusser) in dit opzicht een bijzonder giftige pijl: als van iets of iemand wordt beweerd dat het of hij of zij ‘problematisch’ is dan betekent dat automatisch dat dit iets of deze iemand moreel verdacht en eigenlijk verwerpelijk is. Afgemeten aan de toets van het eigen absolute morele gelijk schiet het ‘problematische’ fataal tekort. Tegen een dergelijk oordeel is in de praktijk geen verweer of argument mogelijk. Sterker, elk verweer levert vanuit identiteitspolitiek oogpunt alleen nog bijkomend bewijs dat men inderdaad niet deugt en dat ook op kwalijke manier weigert in te zien en te erkennen. Voor wie als problematisch wordt afgeschilderd, biedt enkel nog een onvoorwaardelijk en vernederend publiek mea culpa mogelijk hoop op enige redding. Deze laatste is echter nooit verzekerd.
 
Door iedereen die het niet met hen eens is te ‘problematiseren’ gaan identiteitsdenkers mee in de zero-sum-logica van het feminisme. Dat is het principe dat een positief en een negatief elkaar neutraliseren: +1-1=0. In de feministische praktijk is dit de gedachte dat elke vooruitgang voor de vrouw (+1) moet worden afgekocht met een achteruitgang voor de man (-1). Mannen moeten ruimte maken voor vrouwen (Check your privilege!), want nu is het, na eeuwen onderdrukking, de beurt van de vrouw. De idee dat er misschien best wel plaats genoeg is voor iedereen, is anathema in dit denken, dat wezenlijk op een misplaatste wraakfantasie berust. Immers, de mannen die vandaag opzij moeten gaan voor de vrouw zijn zelf niet verantwoordelijk voor de onderdrukking van de vrouw in het verleden (net zoals de vrouwen van vandaag niet die vrouwen zijn die in het verleden werden onderdrukt). Bovendien zijn ze vaak zelf feminist, staan ze elke week in de sportclub ongegeneerd met hun beste homovriend onder de douche, en halen ze drie keer per week hun lunch bij de Pakistaan of de Chinees. Nu moeten zij zelf collectief onschuldig in de hoek gaan staan, waardoor de dynamiek van uitsluiting wordt omgekeerd in plaats van opgeheven.
 
Sterker, het hele discours van een ‘witte schuld’ waar je als blanke (en dan vooral als blanke man) niet aan kunt ontsnappen betekent volgens Drayer ook ‘de terugkeer van de erfzondeleer, nu gehuld in een identiteitspolitiek jasje,’ want ‘in het identiteitspolitieke universum dragen uitsluitend witte mensenkinderen schuld’. Een dergelijk denken is impliciet racistisch: het presenteert niet-blanke mensen als bijna bovenaards zuiver terwijl blanke mensen bij definitie met de erfzonde belast zijn. Daarbij wordt ook aan de historische feiten voorbijgegaan, want de meeste van onze blanke voorouders, ook de mannen, waren helemaal niet geprivilegieerd: ze waren straatarm, werden onderdrukt, en leefden doorgaans korte levens getekend door miserie en ontbering (in het geval van mannen en jongens ook een leven dat al te vaak eindigde aan het front, strijdend voor de zaak van de elite, die veilig thuis zat). Anderzijds hebben ook heel veel niet-blanke, niet-westerse culturen een geschiedenis die gekenmerkt is door imperialisme, slavernij, en patriarchaal geweld. Andere mensen uitroeien is helaas voor de identiteitspolitiekers niet het exclusieve voorrecht van blanke westerlingen met een piemel.
 
‘Collectieve schuld,’ schrijft Drayer terecht, ‘is een van de giftigste denkbeelden die de mensheid ooit heeft voortgebracht’ omdat het enkel meer verongelijktheid, achterdocht en agressie produceert. Vroeg of laat zullen verongelijkte heteroseksuele blanke mannen namelijk ook opnieuw hun plaats opeisen. Dat gebeurt nu al met de mannenrechtenbeweging en, meer algemeen, de opkomst van nieuwe-rechtse en nationalistische bewegingen die hebben ontdekt dat niet alleen niet-blanke niet-mannelijke niet-christelijke niet-westerlingen een identiteit en een cultuur hebben, maar ook christelijke blanke heteroseksuele mannen. Iedereen heeft immers een identiteit. Iedereen kan zich bovendien rond die identiteit organiseren voor politieke en sociale actie. En in de mate dat men zich onrechtmatig in de hoek gezet voelt, wordt die mogelijkheid tot organisatie rond de identiteit een morele of soms gewoon puur pragmatische imperatief. Resultaat van dit vrolijke opbod: cultuuroorlogen of culture wars (het Engels bekt onvermijdelijk beter).
 
Zuivere feministische pseudowetenschap
Een rode draad doorheen Drayers betoog is haar misprijzen voor het misprijzen dat de nieuwe ‘kritische’ school van identiteitspolitiek denken voor de traditionele wetenschappen aan de dag legt. Het identiteitspolitieke denken betrekt veel van zijn inzichten uit de zogenaamde ‘kritische cultuurtheorie’: een school van neo/post-marxistisch denken aangevuld met psychoanalytische perspectieven. Namen als Michel Foucault, Jacques Lacan, Judith Butler en Louis Althusser (om van Gilles Deleuze nog maar te zwijgen) ronken als sacrale hoornaars door dit intellectuele universum. De kerngedachte in deze benadering is het sociaal constructionisme, dat (in het spoor van Ferdinand de Saussure en als een zwakke verre echo van Nietzsche) ervan uitgaat dat de hele werkelijkheid door de taal wordt gecreëerd en dat er bijgevolg ook geen objectieve realiteit buiten de taal bestaat. Er zijn hoogstens ‘narratieven’ en ‘perspectieven’, maar beslist geen feiten.
 
Nu heeft de linguistic turn (zoals deze op taal gefocuste benadering ook wel wordt genoemd) ons heel veel interessante inzichten gegeven in hoe normaliteit en afwijking in een cultuur worden geproduceerd door allerhande manieren van spreken (zoals het wetenschappelijk of medisch discours die vaak een schijnbaar ‘objectieve’ verantwoording bieden voor diverse vormen van onderdrukking), het is echter duidelijk dat we binnen het identiteitspolitieke denken een versie van deze theorieën ontmoeten die tot in het absurde is doorgeschoten. Waar een interessante versie van de linguistic turn inzichtelijk maakt hoe taal menselijke relaties op een vaak dwingende manier vormgeeft, ontstaat in sommige kringen een radicaal sociaal constructionisme dat de hele werkelijkheid tot talige effecten wil reduceren en ervan uitgaat dat er geen werkelijkheid is buiten onze manieren van denken en spreken. Dat klinkt absurd, en het is het ook, maar binnen de wandelgangen van genderstudies en feminisme is dit zo stilaan het nieuwe normaal geworden.
 
Deze radicale opvatting is verantwoordelijk voor veel van de grootste onzin die in identiteitspolitieke kringen voor wetenschap doorgaat. Het koninginnenstuk van de waanzin is de gedachte, die tegenwoordig als absoluut axioma wordt gehanteerd in veel vrouwen- en genderstudies, dat het onderscheid tussen man en vrouw (de zogenaamde sexual binary) geen biologische basis heeft en louter een cultureel construct is. De invloed van dit soort ‘kritische inzichten’ is bijvoorbeeld duidelijk aantoonbaar in het debat rond transgenders. Het sociaal constructionisme beweert immers dat er geen enkel essentieel verband is tussen je sekse (je fysieke geslachtsorganen) en je gender (je subjectief beleefde seksuele identiteit). De suggestie van een dergelijk verband is louter ‘biologisch essentialisme’: in de ogen van de identiteitspolitiek een grove wetenschappelijke fout!
 
Maar dan komt de kat op de koord. Tegelijkertijd wordt immers wel geëist dat transgenders zonder meer toegang zouden krijgen tot een chirurgische geslachtsverandering om hun lichaam de ‘juiste’ sekse te geven die bij hun subjectief ervaren gender past. De transgender weet immers subjectief wat zijn/haar ‘echte’ geslacht is – en het is niet het geslacht waarmee ze geboren zijn. Helaas kunnen beide stellingen niet tegelijk waar zijn. De eis om het fysieke lichaam chirurgisch aan te passen aan de subjectief beleefde genderidentiteit impliceert ten eerste een vorm van ‘psychologisch essentialisme’ waar men de opponent ‘biologisch essentialisme’ verweet. Want waarom zou jouw individuele beleving een meer correcte norm zijn voor je ‘ware’ geslacht dan het lichaam waarmee je geboren bent? Waarom is jouw beleving een meer ‘ware’ bron van kennis dan jouw lichaam? Wat zou de wetenschappelijke toets zijn om tussen de twee te beslissen? Je kunt immers net zo goed beweren dat de oplossing erin bestaat om je denken en je beleving aan te passen aan het lichaam dat je nu eenmaal hebt.
 
Daarnaast impliceert de eis tot geslachtsverandering dat er net wèl een cruciaal verband is tussen sekse en gender: overeenstemming tussen sekse en gender is blijkbaar van fundamenteel belang voor het psychologisch welzijn van transgenders. Deze paradox is zichtbaar voor ieder zinnig mens, maar niet voor de identiteitspolitiekers. Begrijp me niet verkeerd: ik ben een groot voorstander van zelfbeschikking voor transgenders en ik steun hun verlangen naar erkenning en hun roep om fysieke transitie volledig. Maar laten we dan ook eerlijk toegeven dat het erkennen van de biologische realiteit van het sekseverschil, dat een universeel waarneembaar natuurlijk gegeven is, ook de stevigste wetenschappelijke basis biedt om te argumenteren dat een geslachtsverandering waarschijnlijk de beste manier is om die kleine groep mensen te helpen die zich niet goed voelen in het seksuele lichaam waarin ze geboren zijn. Dat er dan nog een kleine restgroep is die bij voorkeur ergens tussenin zweeft en zich graag ‘genderneutraal’ wil noemen, is prima (al is het mogelijk een passerende mode, net zoals biseksualiteit eventjes hip was in de jaren 1970), maar we kunnen echt de biologie niet gaan herschrijven enkel en alleen om een kleine minderheid op haar ideologische wenken te bedienen.
 
De radicale feministen en identiteitspolitie willen er echter niets van weten en verschuilen zich stoutmoedig achter de muren van hun eigen sociaal-constructionistische opvattingen: ideologische en politieke dictaten die als wetenschap worden gepresenteerd maar die door Drayer terecht ‘fopwetenschap’ worden genoemd.
 
Zuivere feiten
Laten we terugkeren naar de racismediscussie waar het voor Drayer mee begon. Een hoofdrolspeelster in dit debat is Gloria Wekker, een voormalig professor in de genderstudies die de expliciete antagonist is die Drayer met haar boek in het vizier neemt. Drayers titel Witte schuld spiegelt namelijk doelbewust de titel van Wekkers boek Witte onschuld (Amsterdam UP 2017), dat een referentietekst is geworden in het identiteitspolitieke denken in Nederland. De titel is trouwens veelzeggend: na een heftige publieke discussie is ‘wit’ in Nederland het nieuwe politiek correcte woord geworden voor ‘blank’, dat uit de beschaafde conversatie is geschrapt omdat het historisch te veel zou samenhangen met onfrisse koloniale praktijken en bovendien een ongemakkelijke connotatie van zuiverheid heeft. In België heeft een dergelijke taalzuivering niet op zo’n schaal plaatsgehad.
 
Drayer heeft zich naar die nieuwe taaltrend geschikt, maar neemt wel een volledig hoofdstuk de tijd om uit te leggen waarom dit soort taalzuivering in feite totale onzin is. De belangrijkste reden is uiteraard dat het omwisselen van woorden en het verbieden van bepaalde aanstootgevende uitdrukkingen op geen enkele manier de onderliggende kern van de problematiek oplost. Pittiger wordt het wanneer Drayer een reeks verbluffende citaten aanhaalt uit Wekkers werk en interviews – citaten die helaas zeer representatief zijn voor wat vandaag in de feministische wandelgangen steeds vaker voor cutting edge wetenschap doorgaat. ‘Ik ben niet van de objectiviteit,’ stelt Wekker bijvoorbeeld trots, want ‘objectiviteit is een schaamlapje voor de posities die mannen innemen’.
 
Met zo’n stellingname gaat natuurlijk meteen de hele wetenschap op de schop en zet men de deur wijd open voor relativistische onzin. Zoals Drayer schrijft: ‘Bestaat de waarheid niet, dan heeft de klimaatveranderingsontkenner evenveel gelijk als de hoogopgeleide bakfietsmoeder die haar kinderen niet inent’. Om nog te zwijgen van de Holocaustontkenner (want hoezo zou de Holocaust dan plots wel een ‘feit’ zijn en niet zomaar een ‘narratief’?) of de reporter die onversaagd de waarheid volgens Breitbart verkondigt. En kijk naar het verkrachtingsdebat. Overal in feministische en identiteitspolitieke kringen heet het dat ‘we have to believe the victims,’ wat in de praktijk betekent dat elke aanklacht van verkrachting a priori moet worden geloofd en dat elke beschuldigde man eo ipso schuldig is. Maar hoezo is een verkrachting een ‘feit’? De vrouw vertelt toch gewoon een ‘verkrachtingsnarratief’? De beschuldigde man vertelt een ander narratief. En aangezien er geen onafhankelijke feiten zijn om de narratieven aan af te toetsen, zie ik niet in hoe je ooit tot een serieuze juridische vervolging, laat staan waarheidsvinding en een veroordeling, zou kunnen overgaan.
 
Dat soort dwingende logische en rationele conclusies: neen, daar houden radicale feministen en identiteitsactivisten niet zo van. Dat alles een narratief is, betekent voor hen vooral dat hun eigen narratief het enig objectief juiste is, ook als het zichzelf tegenspreekt. Een feit is een fictie, behalve als de fictie de feministen goed uitkomt: dan is het een feit. Het is altijd het narratief van de ander dat fout, ideologisch, patriarchaal, of onderdrukkend is.
 
Zuivere veiligheid
Dat de kwade trouw in dit debat zich in grote mate in het identiteitspolitieke kamp bevindt, is nergens duidelijker dan in de manier waarop de zelfverklaarde kritische school niet alleen het debat kaapt, maar in de dagelijkse praktijk heel concrete stappen onderneemt om de maatschappij te zuiveren van alle opvattingen die hen tegenstaan en, nog erger, van alle mensen die afwijkende opvattingen verkondigen. Dan hebben we het over fenomenen zoals no-platforming (het ontzeggen van een publiek forum aan iedereen die een ongewenste mening verkondigt) of het promoten van het concept van de safe space. Dergelijke fenomenen zijn in Amerika al helemaal ingeburgerd en Drayer ziet de mode met diep onbehagen naar onze kusten overwaaien.
 
Om te beginnen met de veiligheidsgedachte: een safe space was oorspronkelijk een letterlijke fysieke ruimte waar minderheden en gelijkgezinden op een veilige manier onder elkaar konden zijn en vrijuit konden spreken over hun identiteit. Een clublokaal, als het ware. Vandaag heeft safe space een bredere en politieke betekenis, en vooral ook wat Drayer omschrijft als ‘een abstracte betekenis: in debatten mag geen plaats meer zijn voor mensen met opvattingen die minderheden als bedreigend zouden kunnen ervaren’. Elke uitspraak, elke opvatting, maar ook elk beeld of elke film die voor een minderheid of voor een kwetsbaar (lees: getraumatiseerd) persoon ongemakkelijk zouden kunnen zijn, moeten worden geweerd omdat ze een vorm van ‘geweld’ impliceren. Een ruimte of evenement waar dit soort ongemakkelijkheid systematisch buiten de deuren wordt gehouden, heet dan een veilige ruimte te zijn, waarbij ‘veilige ruimte’ eerder een metafoor is dan een geografisch te bepalen plaats. Dat concept is inmiddels heel populair aan universiteiten, waar het heel concreet betekent dat wie een onpopulaire mening heeft gewoon zijn mond moet houden, terwijl docenten er zich maar beter voor hoeden controversieel of ‘moeilijk’ materiaal ter sprake te brengen omdat ze in dat geval zouden kunnen worden beschuldigd van het ‘onveilig’ maken van de leeromgeving.
 
Het behoeft weinig betoog dat zo’n houding elk serieus intellectueel debat onmogelijk maakt. Als je echt ten gronde over iets praat, zal je bij definitie gevoelens kwetsen en ongemakkelijke waarheden benoemen. Wie dat toch wil doen, loopt het risico om als moreel monster te worden weggezet, en moet in elk geval zijn of haar gevoelige studenten vooraf waarschuwen met een trigger warning, zodat gevoelige zielen de moeilijke inhoud of stof desgewenst kunnen vermijden. Het lijkt evident dat intellectuele, maar ook persoonlijke, morele of psychologische ontwikkeling op die manier onmogelijk worden. Wie nooit over de schutting kijkt, blijft altijd aan zijn kleine erf gekluisterd, bang voor de Grote Boze Wereld. De trigger warning is dan ook een eerste belangrijk instrument waarmee het debat wordt gemanipuleerd. Uiterlijk is het geen vraag om censuur, maar in de praktijk wordt het dat wel. Immers, als jij die docent bent die constant trigger warnings moet geven, dan is er mogelijk toch iets mis met je. Vanwaar je fascinatie voor ‘problematisch’ materiaal? Waarom wil je je publiek constant zo’n ongemakkelijk gevoel geven? Waarom houd jij geen rekening met andere mensen? Waarom gaat jouw les altijd over wat jij wilt tonen en niet over wat ik wil zien?
 
De trigger warning is veel meer dan een eenvoudige uiting van bekommernis voor de gevoelige zielen in het publiek: voor de buitenwacht, en zeker voor de kritische kruisvaarders, is het een stigma, want hoe meer trigger warnings je cursus, betoog of film nodig heeft, des te verdachter is jouw persoonlijke moraliteit. In een context van precaire tewerkstelling, waar de academische en culturele sector met hun tijdelijke deeltijdse contracten in uitblinken, resulteert dit zeer snel in een impliciete angstcultuur: als je te veel studenten van het kruisvaarderstype tegen je in het harnas jaagt, zorg je voor onrust en verstoor je de orde, krijg je negatieve evaluaties en klachten bij de ombudsfiguur, en mag je dus stilaan voor de verlenging van je contract beginnen vrezen. Wie betaalt volgende maand de hypotheek? Welke reputatie gaat je bij je volgende sollicitatie vooraf? Wat wordt er in de wandelgangen over jou gefluisterd? Waarom sla jij je ogen niet onderdanig neer?
 
Wie zich door dit alles niet laat intimideren, wordt vervolgens gewoon buiten spel gezet. Dat is no-platforming: de eis dat er geen podium wordt gegeven aan meningen of ideeën die sommige groepen als beledigend, kwetsend of gewoon ongemakkelijk ervaren voor hun identiteit. Het overkomt de besten onder ons. Drayer haalt onder meer aan dat Germaine Greer een paar jaar geleden het slachtoffer werd van no-platforming omdat ze kritische vragen had gesteld in het debat rond transgenders. Inmiddels is het ook bij ons ingeburgerd dat controversiële sprekers, en dat zijn in de praktijk altijd rechtse of conservatieve sprekers, maar ook progressieve sprekers die ingaan tegen de feministische of identiteitspolitieke orthodoxie, er prat op mogen gaan dat er protest komt tegen een geplande voordracht (en dan vooral een voordracht aan een universiteit), niet zelden met een afgelasting tot gevolg. Kritisch denken doe je immers in hoofdzaak met gelijkgestemden, en een open debat wordt wel heel moeilijk als niet iedereen hetzelfde denkt.
 
Drayer geeft zelf aan dat ze heeft geaarzeld om zich in het debat rond Zwarte Piet en de identiteitspolitiek te mengen, want ‘uit ervaring weet ik onderhand dat me dan meteen de kleur van mijn huid wordt nagedragen – met een gretigheid die ik omgekeerd niet in mijn hoofd zou halen. Als witte journaliste heb ik namelijk geen recht van spreken’. Dat is een bekend refrein in identiteitspolitieke kringen: wie zelf niet zwart of transgender of Aziatisch of weet ik veel wat is, heeft geen recht om enige uitspraak te doen over die mensen en groepen. Dat betekent in de praktijk dat met name blanke heteroseksuele mannen hun mond moeten houden. Vreemd genoeg geldt die zwijgplicht niet voor identiteitspolitiekers. Hoewel hun kringen (troepen) overwegend uit vrouwen, gendertwijfelaars en niet-blanken bestaan, is de kern van hun activistisch discours hoofdzakelijk opgebouwd uit stellingen, zogenaamd kritische ‘inzichten’ en morele banvloeken over het gedrag, het denken, en het wezen van – juist ja – heteroseksuele blanke mannen. Misschien hebben de identiteitspolitiekers hier een morele kans gemist om te zwijgen?
 
Zuivere diversiteit door puur conformisme
De onderliggende logica is duidelijk: een ‘veilige’ ruimte is een ruimte waar alle wezenlijke diversiteit, elke relevant afwijkende mening, elke interessante dissonantie uit is weggevaagd. Het is de ultieme triomf van de politieke correctheid in Sovjetstijl: wie zich niet inschakelt in la meilleure façon de marcher wordt de wacht aangezegd. Conform or perish, luidt het dictaat van de nieuwe zelfverklaarde progressieve radicalen van de diversiteit. Drayer, en met haar de rest van dat deel van de mensheid dat met een minimum aan historisch bewustzijn is begiftigd, verbaast zich over de ommekeer die heeft plaatsgehad: tot in de zeer recente geschiedenis gold het verdedigen van de absolute vrije meningsuiting, het recht tot aanstoot geven, het verstoren van de gevestigde orde en het schoppen tegen heilige huisjes immers als het hoogste democratische goed. Het was de essentie van progressiviteit, gekoppeld aan een gezond wantrouwen tegenover elk gezag. Dat was de radicale erfenis van mei ’68.
 
Dat was toen. De zelfverklaarde ‘kritische’ geesten van vandaag willen alles uitgezuiverd en puur naar hun eigen model, verpakt in wol en met een grote roze strik eromheen, zonder uitdaging of tegenspraak. Echte wetenschap is enkel wat in hun ideologisch kraam past, en een docent, auteur of spreker die een andere mening heeft, en met name een mening die ingaat tegen de Stenen Tafelen zoals gebeiteld door Judith Butler en Michel Foucault, is niet alleen een pseudowetenschapper maar een moreel verdacht persoon. De kritische kruisvaarders eisen verder dat het gezag hen beschermt tegen morele en psychische kwetsuren door allerhande maatregelen te nemen die het ongewenste buiten moeten houden: het zijn de instellingen die ervoor moeten zorgen dat niets hun cocon van zelfbevestiging verstoort. Ook die paradox ontgaat hen: hoewel onze kritische helden met hun feministische retoriek constant ‘het patriarchaat’ bekritiseren, eisen ze wel dat het systeem (lees: het patriarchaat) in loco parentis de rol van beschermende vader (pater) opneemt.
 
Dat deze helden van het kritische denken, steeds in de weer om overal ‘de macht’ te ‘deconstrueren’, zelf bovendien een paradoxale directe lijn met die macht hebben, is een ironie die hen zelf lijkt te ontgaan. Het is een directe lijn die aan Amerikaanse universiteiten steeds vaker resulteert in het op een zijspoor zetten of onder valse voorwendselen (of op grond van gefabriceerde aanklachten) om morele redenen ontslaan van ‘problematische’ docenten en professoren. Die praktijken zijn inmiddels uitgebreid gedocumenteerd in boeken als Frank Furedi’s What’s Happened to the University? (2017) en Laura Kipnis’ Unwanted Advances (2017) – boeken van auteurs die hoegenaamd niet van rechtse sympathieën kunnen worden verdacht. In het geval van Kipnis was de ontknoping bepaald pikant: zij werd naar aanleiding van haar kritische publicaties zelf aangeklaagd voor het creëren van een ‘onveilige ruimte’ aan haar universiteit. Drayer rapporteert op haar beurt over de drek die ze online over zich heen heeft gekregen naar aanleiding van haar columns, de ene vunzigheid al kleurrijker dan de ander. Een groot poëet van de blogosfeer noemde haar zowaar een ‘dwangmatige lipsticksmeerder die er elke dag Sieg Heil uitkotst’.
 
Zuivere Apartheid
Hoewel de toon van Drayers boek vaak los en journalistiek is, slaagt de auteur er toch in om een heel precieze analyse te maken van de giftige dynamiek die de identiteitspolitiek aanstuurt (zelf noemt ze identiteitspolitiek ‘het giffabriekje’). Aan het slot van haar betoog komt Drayer tot de conclusie dat de identiteitspolitiek aanstuurt op een nieuwe vorm van apartheid. Vooral vanuit de zwarte gemeenschap komt namelijk steeds vaker de roep tot volledige segregatie. Er is een toenemende tendens om zich volledig terug te trekken in de eigen (etnische) gemeenschap, in die mate dat sommige zwarte activisten zich vanuit identiteitspolitiek principe zelfs afkeurend opstellen tegen gemengde huwelijken. Gloria Wekker, die uit Drayers betoog heel amusant naar voren komt als het enigszins ontspoorde orakel van de gekleurde kritische denker 2.0, ziet een zwarte echtgenote bijvoorbeeld vooral als een vorm van ‘seksueel kapitaal’ voor haar blanke echtgenoot: het is blijkbaar ondenkbaar dat hij zijn zwarte echtgenote ook gewoon als gelijkwaardige partner zou kunnen beschouwen. ‘En ik nog denken,’ schrijft Drayer sarcastisch, ‘dat alleen leliewitte malloten rassenreine ideeën propageren’.
 
Wie het identiteitspolitieke spel speelt, speelt moreel hoog spel. Het morele universum van de identiteitspolitiek kent immers maar twee soorten mensen: wij en zij. Blanke zielen en zwarte zielen. En alle zwarte zielen die zich niet willen laten zuiveren tot blanke zielen moeten uit de sociale wereld worden weggezuiverd zodat de hele kosmos een vrije en blije safe space wordt voor die wonderlijk diverse groep van absoluut unieke individuen die allemaal hetzelfde denken, hetzelfde voelen, en allemaal, tot de laatste m/v/x, geplaagd worden door datzelfde trauma, datzelfde ongemak, datzelfde dwingende verlangen dat niets of niemand in hun omgeving iets anders zou zijn dan een perfecte spiegel voor hun eigen volmaakt blanke ziel.
 
Elma Drayer: Witte schuld. Over identiteitspolitiek, Atlas/Contact, Amsterdam, 2019, 190 p. ISBN 9789045031774. Distributie VBK België 

deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri