Vertaald proza

BOEKEN NR. 8, SEPTEMBER 2020

Tove Ditlevsen: Kindertijd

door Katja Feremans

Tove Ditlevsen (1917-1976) groeide op in een arbeidersgezin in Kopenhagen. Als kind al speelde ze liever met woorden dan dat ze zich vermaakte met leeftijdsgenootjes. Enkel met de guitige Ruth trok ze graag op, zoals blijkt uit Kindertijd, het eerste deel van haar autobiografische drieluik. Kindertijd en ook het tweede deel Jeugd schreef ze toen ze vijftig was. Vier jaar later, in 1971, voltooide ze het voor december aangekondigde slotstuk Afhankelijkheid, waarin ze inzoomt op haar drie mislukte huwelijken en haar alcohol- en drugsverslaving. In 1976 pleegde ze zelfmoord door een overdosis slaappillen te nemen.   

De in Denemarken door een breed publiek gelezen Tove Ditlevsen debuteerde in 1939 met een poëziebundel. Vervolgens bracht ze ook romans, kortverhalen, kinderboeken, essays en memoires uit, alles samen goed voor een dertigtal publicaties.
 
‘Haar ritme zal altijd in mijn bloed kloppen,’ schrijft Tove Ditlevsen over de Istegade, een straat achter het hoofdstation in het centrum van Kopenhagen. Ze herinnert zich hoe ze er als vijfjarige aan haar moeders hand liep en grotemensendingen leerde, zoals wat de prijs was van een ei en hoeveel een pond margarine of paardenvlees kostte. Op alles wat geen eten was, dong haar moeder af met een brutaliteit, waarop de winkeliers wanhopig te kennen gaven dat ze over de kop zouden gaan, als ze zo doorging. Zwaarmoediger was de sfeer in de cafébuurt van de Istegade. Daar troepten namelijk de talloze werklozen samen die Kopenhagen een eeuw geleden telde.
 
Ook haar vader, een stoker – Tove noemde hem op school een machinedrijver, omdat ze dat beter vond klinken – werd op zijn drieënveertigste ontslagen en moest op zoek naar een nieuwe baan. Hij zette zich naast zijn werk in voor de socialistische zaak en hield van lezen, twee bezigheden die geenszins de goedkeuring wegdroegen van Toves moeder. Als jonge vrouw ging zij graag uit dansen, maar na haar huwelijk zag ze zichzelf aan huis en haard gekluisterd, een bestaan waar ze niet echt vrolijk van werd.
 
De spanning was dan ook vaak te snijden in hun tweekamerappartement in een woonblok in de arbeiderswijk Vesterbro. Ook bij de buren rommelde het voortdurend. De man en de vrouw onder hen werkten bij Carlsberg, dronken de dag door biertjes en als de avond viel, begonnen ze steevast te ruziën. Er vielen daarbij geregeld klappen, waarin ook hun dochter deelde. Ketty, de knappe vrouw in de woning naast de hunne, was een lichtekooi. De lasterpraat aan haar adres draaide erop uit dat ze op een dag samen met haar moeder op straat werd gezet. En dan was er nog de kinderlokker, die op de binnenplaats rondsloop. Toen Tove op het politiekantoor over hem aan de tand werd gevoeld, wist ze niet goed raad met de vraag of hij zich al dan niet voor haar had ontbloot. Ze antwoordde ontkennend, want ‘ontbloot’ riep bij haar enkel de associatie op met de zin ‘daarom ontbloten wij ons hoofd, als de vlag wordt gehesen’. En Tove had de kinderlokker nog nooit zijn pet zien afnemen.
 
Die laatste passage is tekenend voor de humor in het boek, maar ook voor het belang dat Tove als kind al hechtte aan taal. Zo botste ze bij het lezen van de dissidente, Russische schrijver Gorki bijvoorbeeld op het woord ‘kommer’ en vroeg ze aan haar vader wat het betekende. Aan zijn uitleg voegde hij toe dat Gorki een groots dichter was. ‘Ik wil ook dichter worden,’ reageerde Tove prompt. Haar moeder en haar broer lachten haar uit, haar vader zei streng dat ze zich niets in het hoofd moest halen.
 
Haar vader had zelf ooit zijn schrijversdroom opgeborgen. Van hem heeft Tove haar melancholische karakter en haar voorliefde voor literatuur. ‘Geen enkele volwassene kan het lied in mijn hart en de woordenslingers in mijn ziel verdragen’, merkt ze in Kindertijd op. Amper tien was ze, toen de woorden die door haar heen stroomden, al hun neerslag vonden in gedichten. Er zijn er een paar opgenomen in Kindertijd. Het zijn sentimentele rijmelarijen die gaan over hunkering en liefde – verder is er van die pathetiek in Kindertijd overigens geen spoor meer.
 
Kindertijd eindigt wanneer Tove veertien is. Een voortzetting van haar schoolcarrière aan het gymnasium zit er vanwege de gebrekkige gezinsfinanciën niet in. Ze stelt zich in op een baan als huishoudster bij een alleenstaande moeder met een zoontje. Hoe dat afloopt, lezen we in Jeugd, het tweede deel van de Kopenhagen-trilogie.
 
Heerlijk en authentiek is de sfeer die de Deense schrijfster oproept in haar poëtische proza. Daartoe dragen de krachtige beelden bij, die ze creëert om met de blik van haar veel jongere zelf het verleden terug te halen. Het volgende fragment vat zowel haar toon als de kwestie van de te overbruggen tijd mooi samen:  
 
‘Donker is je kindertijd en hij huilt klaaglijk als een diertje dat in een kelder opgesloten zit en is vergeten. Hij ontsnapt uit je keel als je adem in de kou, en soms is hij te klein, dan weer te groot. Hij past nooit precies. Pas als hij ooit is afgeworpen als een dierenhuid, kun je hem in alle rust bestuderen en erover praten als een ziekte waarvan je bent genezen.’
 
Tove Ditlevsen: Kindertijd, Das Mag, Amsterdam 2020, 143 p. ISBN 9789493168367. Vertaling van Barndom door Lammie Post-Oostenbrink

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 8, SEPTEMBER 2020

De bruidsvlucht

Annemarie Estor

Het hellen van een leven

Luis Carrasco

Kindertijd

Tove Ditlevsen

Oorlogsdagboek. Met brieven van Jack Hamesh

Ingeborg Bachmann

Solituden, songs

Jacques Hamelink

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 8, SEPTEMBER 2020

Alfabet

Charlotte Dematons

Dit is Jeruzalem

Stanislav Setinský

En de wereld zei ja

Kaia Dahle Nyhus

Het verlangen van de prins

Marco Kunst

Oliver Twist

Tiny Fisscher (bew.), Annette Fienieg (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri