Nederlands proza

BOEKEN NR. 10, NOVEMBER 2020

Harry Mulisch: Tien jaar later

door Herman Jacobs



Op 30 oktober was het tien jaar geleden dat Harry Mulisch (°1927), ‘de Grote Eén’, overleed. Zowel zijn uitgeverij, De Bezige Bij, als zijn biograaf (en oud-directeur van de Bij), Robbert Ammerlaan, heeft dat niet onopgemerkt voorbij laten gaan: er verschenen een (negentiende) herdruk van de vroege verhalenbundel Het mirakel (1955), nu uitgebreid met een nieuw verhaal, een biografische schets van de hand van Onno Blom, een bundel aforismen, én een door Ammerlaan bezorgde uitgave van brieven van (voornamelijk) Mulisch’ moeder, Alice Schwarz.  

Het heeft iets ontluisterends. Op pakweg mijn tweeëntwintigste vond ik dat frenetieke gehengst van ’m in zijn jonge jaren al bevreemdend (zij het, toegegeven, wel onderhoudend), maar als ik nu het volgende lees, in Onno Bloms De wondergrijsaard, dan verschijnt daarbij zeker geen grijns van bewondering op mijn gezicht, maar voel ik meer een vage afkeer:
 
‘Kunstenares Marthe Röling vertelde ooit aan het weekblad Viva dat zij op zestienjarige leeftijd door Mulisch was ontmaagd (dat moet dan in 1956 zijn geweest, toen de schrijver acht- of negentwintig was, hj). Ze waren elkaar in de Leidsestraat tegengekomen – “hij zag eruit als een homofiele balletdanser” – en ze was met hem meegegaan, en na nog een paar ontmoetingen had hij haar ontmaagd. “Ik kan me achteraf voorstellen dat een man zoiets zorgvuldiger doet. Dat hij je daarbij leert hoe lekker ’t kan zijn. Maar Harry was niet met mij bezig, maar met zichzelf.” (Iets soortgelijks wist bijvoorbeeld ook Annemarie Oster – niet door Mulisch ontmaagd maar wel ook in zijn bed beland – ooit te melden, hj.) En hij had zijn sokken aangehouden. Röling was daar toen door beledigd. “Nu denk ik: hij zal wel koude voeten hebben gehad.”
Tegen Max Pam zei Mulisch: “Als ik klaarkom denk ik onmiddellijk: hoe krijg ik haar zo snel mogelijk weer op de tram.”
De schrijver schaamde zich niet voor zijn veroveringsdrift. Al wilde hij wel toegeven dat zijn erotische klaploperij de spuigaten uit liep. “Het was één grote bevlieging. Dat zit in mijn karakter en heb ik van mijn moeder. Alice zei ooit van zichzelf: ik heb een obsessionele persoonlijkheid. Toen dacht ik: ik ook.”'
 
Tja. ‘De eerste (‘prooi’ van het nieuwe jaar, hj). Wilde niet weg. Het openzetten van de ramen om haar weg te jagen. Hysterische aanval. Chic ben ik niet,’ noteerde Mulisch op 7 januari 1958 in een dagboek. Inderdaad.
 
Maar dan lees ik ook dit, als een van de enkele ‘intermezzo’s’ die bezorger Robbert Ammerlaan heeft gemonteerd tussen de brieven van Mulisch’ ouders die nu bij Privé-domein zijn verschenen onder de titel Zo'n genie ben je nu ook weer niet (het betreft een fragment uit het vroege lange verhaal ‘Oneindelijke aankomst’ (1952)):
 
 
‘Er is nooit veiligheid geweest dan alleen in het bedrog van de herinnering. Was het angst waarvan ik rilde? Het vergoelijkende filter gleed weg uit mijn geheugen en alles lag in zijn naakte afschuwelijkheid. Ik zag de radeloze kilheid van de jaren waarin ik was opgegroeid, geen moedertjelief kon dat meer opheffen.’
 
Lief was dat moedertje niet erg geweest – van haar zoon bevallen op haar negentiende, had ze (haar bijna zestien jaar oudere) man en kind en Haarlem verlaten toen Harry net negen was, in 1936, en was ze in Amsterdam gaan wonen. Eén keer in de week, op woensdag, kwam ze hem in Haarlem bezoeken. Althans: ze bracht een boek voor hem mee, dat Harry dan prompt las – en als het uit was, in de tussentijd had ze zich met de Duitse huishoudster Frieda onderhouden, dan vertrok ze weer. Na het uitbreken van de oorlog, toen zijn moeder als joodse de stad niet meer uit mocht, ging de jongen haar dan in Amsterdam opzoeken, bij welke gelegenheden ze hem vaak meenam naar vrienden of naar een koffiehuis -- aan troetelen deed Alice Schwarz niet. (Toch zou ze op velerlei manieren door het werk van haar beroemde zoon blijven spoken. Al was het bijvoorbeeld maar in de initialen van enkele van zijn personages: Archibald Strohalm (titelpersonage van zijn eerste roman), Alexander Schneiderhahn (figuur uit Het stenen bruidsbed), Anton Steenwijk (hoofdpersonage van De aanslag)...)
 
Een slecht mens was hij niet: Mulisch heeft altijd contact gehouden met zijn moeder, die in 1951 naar de Verenigde Staten emigreerde en in San Francisco kwam te wonen, tot haar dood in 1996, waar hij haar verschillende malen bezocht. Toen hij als schrijver eindelijk geld begon te verdienen – eigenlijk pas echt vanaf de jaren zeventig, na bijna twintig jaar sappelen en ploeteren –, ondersteunde hij haar ook financieel. Een opvallend warmhartige persoonlijkheid was hij anderzijds ook niet. Het is niet anders. En het is verleidelijk om als verklaring daarvoor naar zijn kinderjaren en jeugd te kijken, die hij dus vanaf zijn negende doorbracht bij een steeds zwijgzamer wordende vader, met wie hij een haat-liefdeverhouding had, en Frieda, zijn surrogaatmoeder (en overigens niet de maîtresse van Kurt Mulisch) – naar wie hij zijn jongste dochter zou vernoemen. Om die laatste zelf even aan het woord te laten, zoals Ammerlaan haar citeert:  
 
‘Natuurlijk is het verschrikkelijk geweest. Je moeder die weggaat – dat is het allerergste. Natuurlijk is dat allesbepalend geweest voor zijn leven. Dat geslotene van hem kwam daar echt vandaan. Ik ben er wel eens over begonnen, maar hij had geen zin om daarover te praten. Hij was zo kwetsbaar. Ik dacht: als je eenmaal aan die muur gaat morrelen, stort alles in elkaar.’
 
Maar warm of koel, chic of niet: zijn beste werk heb ik altijd inspirerend gevonden. De wrangheid van het leven (de scheiding van zijn ouders, de oorlog, waarin vrijwel zijn integrale familie aan moederskant door de schoorsteen is gegaan en hij zelf op het nippertje ontkwam aan de zeer reële kogels van een Duitse soldaat die hem op de avond van 4 mei 1945 (!) na ‘spertijd’ onder vuur nam, de ellendige laatste jaren van zijn vader, die in 1957 zou overlijden...) heeft hij nooit ontkend of weggemoffeld, maar bij Mulisch hoor je uiteindelijk een groot ‘Ja!’. ‘Met alles loopt het slecht af – maar óók met het slechte. En dat is dus góed,’ om eens uit een van de interviews die ik met ’m heb gemaakt te citeren. Je mag dat aandoenlijk geformuleerd vinden, het is toch ánders dan het ‘Néé, ach, schei toch alsjeblieft uit, het is allemaal één grote rotzooi’ van Reve en Hermans.
 
Wie niet zo bekend zou zijn met leven en werken van ‘de Homerus uit Haarlem’ kan die leemte opvullen met zowel Ammerlaans uitvoerige inleiding bij de uitgave van de brieven van Mulisch’ moeder (en enkele van zijn vader; Mulisch’ eigen brieven aan zijn moeder zijn verloren gegaan – zonderling genoeg, want Alice Schwarz hield alles bij) als ook Onno Bloms De wondergrijsaard, dat oorspronkelijk ‘Het late leven van Harry Mulisch’ als ondertitel had zullen krijgen. Ammerlaan behandelt hoofdzakelijk kindertijd en jeugd van de schrijver, Bloms boek, waarin de klemtoon op de periode na 1970 ligt, vult dat heel aardig aan. De laatste twee hoofdstukken, over Mulisch’ laatste jaar, waarin de kanker die hij eerder tot twee keer toe de baas had weten te blijven hem alsnog velde, zijn sterfbed, en zijn openbare uitvaart (waarbij er – uiteraard, zeg je dan als mulischiaan – ook al was het een druilerige dag, een fantastische regenboog boven de Amstel verscheen nét op het moment dat de boot waarmee de kist van de schrijver naar kerkhof Zorgvlied werd vervoerd voorbij kwam varen), zijn hier en daar zelfs aangrijpend.
 
Er zijn trouwens meer hoofdstukken waarin je toch emotioneel geraakt wordt. De man die, hoewel niet, zoals Reve, krenterig, niettemin te beroerd was om honderd gulden te storten toen Adriaan van Dis, ver, ver weg in de twintigste eeuw, een soort ‘honderd-maal-honderd’-actie had opgezet om Salman Rushdie te steunen nadat de sinistere despoot Khomeiny, afijn, u weet wel, die zelfde man kon ook verrassend genereus, en zelfs ronduit lief zijn, zoals Connie Palmen zal kunnen getuigen. Maar toen, ’t is waar, was hij wel al een eind in de zestig.
 
De brieven van Alice Schwarz, overigens (en zoals gezegd ook enkele van Kurt Mulisch), zijn onderhoudend, maar niet wereldschokkend. In de inleiding tekent Robbert Ammerlaan aan: ‘Hoe de gevoelens te beschrijven die Mulisch voor zijn moeder koesterde? Waarschijnlijk zo: hij was gesteld op zijn moeder. Het begrip ‘houden van’ was in huize Mulisch niet aan de orde. Gevraagd of hij van huishoudster Frieda (die hem had opgevoed) net zoveel had gehouden als van een moeder, antwoordde hij: “Nee, maar ik hield ook niet echt van mijn moeder. Ik hield van mijn hond. Houden van is iets voor pubers.”’ Dus is het ook weer niet zo vreemd dat zij er regelmatig over klaagt dat Harry zo zelden terugschrijft.  
 
Twee citaten die haar wel enigszins typeren, het eerste uit een brief van januari 1954, waarin ze haar zoon verder ook kapittelt over zijn geschimp op de ‘crypto-fascistische’ VS (‘Dit is een goed land en Californië is een aards paradijs. Nergens ter wereld heeft de gewone man en de arbeider het zo goed als hier’):
 
‘Hoor je wel eens iets van Ineke (Van Zweden, de vaste vriendin die niet zo lang tevoren met Mulisch gebroken had, hj). Of heb je een andere girl-friend? Ik heb geen vriend, Amerikaanse mannen over het algemeen zijn onmogelijk voor mij. Ze vinden mij allemaal erg aantrekkelijk, maar zijn allemaal als de dood voor me en mijn brains. Net als Miller (Henry, de bekende schrijver, die ze persoonlijk kende en ook eens had bezocht in zijn woonplaats Big Sur; hij had eens opgemerkt dat ‘ik teveel brains had voor een vrouw, tenminste voor hem had ik teveel’, hj). Kann man nichts machen. Ik kan nu eenmaal ter wille van een man niet de dorpsidioot spelen.’
 
En dan, uit een brief van april 1959:
 
‘Met mij gaat het verder goed, al ben ik sinds twee jaar in dat heerlijke tijdperk dat men de overgangsjaren noemt, met al de symptomen van dien, slapeloosheid, fliegende Hitze, duizelig, migraines, nerveus, transpireren, enz. Daar ik weet wat de oorzaak is, maak ik mij verder niet druk, maar het is erg onaangenaam. In dat opzicht ben ik natuurlijk veranderd, al zie ik er prima uit en erg chic, en krijg ik veel complimenten van iedereen en dat wil wat zeggen in de chicste stad van de U.S.A.’
 
Niet dat Alice Schwarz een leeghoofd was, ze sprak vier talen, wist als telg uit de vooroorlogse joodse bourgeoisie heus haar weetje en was cultureel beslist geen beotiër, ze las ook de boeken van haar langzaam steeds beroemder wordende zoon en had er soms scherpzinnig commentaar op. Maar ze hield van het mondaine leven dat ze in haar jeugd had gekend; ze was als jonge vrouw ook echt een schoonheid geweest. Zeer tot genoegen van haar zoon trouwens, die als schooljongen trots was op zijn mooie jonge moeder, zo ánders dan de ‘groezelige dikke wijven’ waarmee de meeste van zijn klasgenootjes het moesten doen.
 
Mulisch’ werk zélf, intussen, al doet het in de Vlaamse boekhandel nauwelijks nog wat, is toch nog niet hetzelfde lot beschoren als dat van Vestdijk, dat, nadrukkelijk aanwezig als het ruim dertig jaar was geweest, na diens dood vrijwel van de ene dag op de andere als een steen naar de diepte zonk. Van De aanslag is de eenenzestigste druk leverbaar, van De ontdekking van de hemel verscheen zojuist de zevenenveertigste – en nu is er ook een negentiende druk van de vroege verhalenbundel Het mirakel, met die gewéldige ondertitel ‘Episodes van troost en liederlijkheid uit het leven van de heer Tiennoppen’.
 
Het is een wat ongelijkmatig werk, merk ik nu ik het na veertig jaar voor het eerst herlees. Deze achttien verhalen zijn absurdistisch-surrealistisch van aard, heel anders dan de ‘klassieke’ Mulisch die laten we zeggen vanaf Twee vrouwen (1975) ten tonele verscheen. Een aantal ervan – onhandig genoeg ook de eerste vier – zijn min of meer niemendalletjes, ze verschenen ook eerst in de krant Het Parool en andere bladen. Maar een paar ook zijn werkelijk schitterend. Daartoe behoort niet ‘Kroonprins’, al is dat wel een van de betere: zeer typisch Mulisch daarin is dat iemand een eigenlijk als grap bedoelde, willekeurig uitgesproken gedachte tot zijn eigen verbluftheid vervolgens werkelijkheid ziet worden. Heel aardig, maar misschien te zeer opgehangen aan zijn clou – neem die weg, en je houdt behalve sfeerschepping eigenlijk niet zoveel over. Maar het macabere ‘Broeder kanker’, en meer nog ‘Ademtocht’, het titelverhaal, en zéker ‘Gelijkenis’, misschien niet toevallig stuk voor stuk langere verhalen (sommige andere zijn nauwelijks twee pagina’s lang), zijn zéér de moeite. Echt, u moet ‘Gelijkenis’ gewoon eens lezen (en dat kan ook op de website dbnl.org, waar een tijdschriftversie van het verhaal te vinden is, die overigens alleen in een paar onbeduidende details van die in boekvorm verschilt). Het ‘teruggevonden’ verhaal ‘Nadering’, om daar ook nog iets over te zeggen, dat nu als achttiende in de bundel is opgenomen, is redelijk, maar echt veel eraan gemist hebben we al die tijd niet.
 
Voor de aforismenbundel Ik kan niet dood zijn ten slotte, waarin uiteraard ook een van Mulisch’ beroemdste uitspraken is opgenomen (‘Ik heb de oorlog niet zozeer “meegemaakt”, ik ben de Tweede Wereldoorlog’ – en dat klopt ook: hij was de zoon van een joodse moeder, die door toedoen van zijn collaborerende Oostenrijkse vader de oorlog heeft overleefd), hebben samenstellers Kitty Saal (Mulisch’ weduwe) en Johan Kuiper geput uit de opera omnia, maar ook uit nooit gepubliceerde aantekeningen, notities, zelfs krabbels van de schrijver. Voor de liefhebber valt hier veel te genieten – citeren is onbegonnen werk, maar vooruit, deze dan (waarvan ik overigens niet weet of ik het ermee eens ben, maar waaruit wel blijkt hoe absoluut de taal, dus het schrijven voor Mulisch was): ‘Het kwaad is met de taal in de wereld gekomen.’
 
(Het allerlaatste van de bundel, als ik het goed begrijp ook letterlijk het allerlaatste wat Mulisch ooit heeft geschreven, zomer 2010, op een blaadje van een blocnote van een Venetiaans hotel, vind ik zelfs verpletterend en zeer emotionerend:
 
‘… en als iemand vraagt: “Waar is de dood?”
– Zeg dan: “Hier. Hier is de dood.”’)
 
Harry Mulisch: Het mirakel. Episodes van troost en liederlijkheid uit het leven van de heer Tiennoppen, De Bezige Bij, Amsterdam 2020 142 p. ISBN 9789403112312. Distributie Standaard Uitgeverij
Harry Mulisch, sam. Kitty Saal, Johan Kuiper: Ik kan niet dood zijn. Aforismen, De Bezige Bij, Amsterdam 2020, 142 p. ISBN 9789403117317. Distributie Standaard Uitgeverij
Onno Blom: De wondergrijsaard. Portret van Harry Mulisch, De Bezige Bij, Amsterdam 2020, 256 p. ISBN 9789403112817. Distributie Standaard Uitgeverij
Alice Schwarz, sam. Robbert Ammerlaan: Zo’n genie ben je nu ook weer niet. Harry Mulisch en de brieven van zijn ouders, De Arbeiderspers, Amsterdam 2020 400 p. ISBN 9789029543033. Distributie L&M Books. 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 10, NOVEMBER 2020

Gesmoorde woorden

Olivier Rolin

Het verdriet van Spanje

Christiane Stallaert

Op weg naar De Hartz

Wessel te Gussinklo

Precieuze mechanieken. Nieuwe gedichten

Erwin Mortier

Tien jaar later

Harry Mulisch

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 10, NOVEMBER 2020

De Baron von Münchhausen

Wouter Deprez, Randall Casaer (ill.)

Gloei; interviews en gedichten.

Edward van de Vendel, Floor de Goede (ill.)

Het sleutelbeengebaar

Hilde Van Cauteren

Sterker dan elk afscheid

Enrico Galiano

Woorden temmen: Van kop tot teen

Charlotte Van den Broeck en Jeroen Dera

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri