Vertaald proza

Viola Roggenkamp: Familieleven

door Erik de Smedt

Viola Roggenkamp is de dochter van een joodse moeder en een Duitse vader. Ze was dertig jaar lang (hoofd)redacteur van het weekblad 'Die Zeit' en schrijft columns voor de alternatieve Berlijnse krant 'taz'. Ze maakte interviewboeken met vrouwen zonder kinderen, moeders van lesbische dochters en joden die vertellen over hun Mamme. In 2004 publiceerde ze Familienleben, een deels autobiografische familieroman over een gemengd joods-Duits gezin in de jaren '60 in Hamburg. In Duitsland vond het meteen weerklank. Het is nu vertaald door Jan Gielkens als Familieleven.

Een goed deel van de naoorlogse Duitse literatuur probeert in het reine te komen met het verleden: het massale nazidom, de oorlog, de holocaust. Duitstalige joodse auteurs lieten lange tijd nauwelijks hun stem laten horen, al hebben vooral dichters een belangrijke bijdrage tot de 'Vergangenheitsbewältigung' geleverd (Nelly Sachs, Paul Celan, Erich Fried). De meeste Duitstalige joden waren omgebracht of geëmigreerd. Blijkbaar hadden prozaschrijvers afstand nodig, in ruimte of tijd. De uitgeweken Stuttgartse advocaat Fred Uhlman bv. schreef zijn novelle Reünie in Londen. In de DDR vormde de Oost-Duitse prozaschrijver Jurek Becker, met Stefan Heym, een uitzondering. Hij beschreef o.m. de kampervaringen van zijn familie in gefictionaliseerde vorm in Jakob de leugenaar. Pas in de jaren '90 dook met Irene Dische (Vrome leugens) en Maxim Biller (Als ik toch eens rijk en dood was) een nieuwe generatie schrijvers op, die met joodse Witz, spottend en uitdagend, de ondergang en het overleven van joden in Duitsland evoceert. Ook Viola Roggenkamp (geb. 1948) behoort tot die 'tweede generatie' van na de holocaust geboren schrijvers.

Familieleven begint haast Proustiaans in de slaapkamer, waar de ikvertelster Fania (13) in bed ligt met haar oudere zus Vera (17). Van bij het begin merk je dat er iets aan de hand is. Vera kan alleen in het stikdonker slapen en haar moeder moet er iedere avond voor zorgen dat er geen kiertje licht naar binnen dringt. Ondanks de duisternis merkt ze dat er een spin boven hun bed zit. Jongere zus, moeder en grootmoeder moeten met vereende krachten, midden in de nacht, het diertje uitschakelen. De scène, die zich telkens herhaalt, is uiteraard symbolisch. Het gezin is getekend door de jodenvervolging. De man van Hedwig, de grootmoeder, heeft zijn joodse vrouw in de steek gelaten. De moeder, Alma, is getrouwd met de niet-jood Paul Schiefer. Hij werd in de jaren '30 door de nazi's onder druk gezet om zijn vrouw te verlaten, maar bleef bij haar. In dezelfde villa waar ze nu als huurders wonen, werd het koppel door een medebewoner wegens 'rasschennis' aangeklaagd. Ze zijn naar Polen gedeporteerd, maar hebben het kamp overleefd. Nu reist Paul vijf dagen per week Duitsland rond als handelsvertegenwoordiger in brilmonturen. Bij zijn klanten hoort hij zwijgend aan hoe de Duitsers vinden dat de joden het weer 'te goed' hebben. Intussen waakt zijn vrouw als een overbezorgde klokhen over haar twee dochters, die ze vertroetelt en beschermt uit angst dat hen ook maar iets overkomt. De dochters proberen loyaal te blijven tegenover het nest waar ze uit komen, maar tegelijk aan de verstikkende invloed ervan te ontsnappen.

Slechts mondjesmaat kom je te weten wat deze familie allemaal heeft meegemaakt. Het lijkt er aanvankelijk zelfs op dat Alma voor haar eigen kinderen en buren wil verbergen dat ze joods zijn. Op een ochtend vindt ze een kartonnen doos op de deurmat "met Hebreeuwse letters, en zodat iedereen het lezen kan staat bovendien in Latijnse letters op de doos wat erin zit." Het blijken matses te zijn, ongedesemde broden die door de Joodse Gemeente zijn bezorgd om fatsoenlijk Pesach te vieren. "Gehaast duwt mijn moeder me opzij en trekt de doos onze woning in, op haar voorhoofd een steile rimpel, een dreigende vinger in de richting van de hemel, ze roept door de woning om haar moeder, ze vervloekt die mensen, of die mensen niet kunnen aanbellen, en mijn grootmoeder komt eraan, met opgeheven handen". De hysterische reactie gaat nog een bladzijde door, theatraal, in conflict met de vader ("daar heb je niets mee te maken"), die het paradoxaal genoeg niets uitmaakt dat de mensen het zien. Hoofdstukken later pas, tijdens een van de copieus beschreven maaltijden, blijkt dat Alma haar lidmaatschap van de Joodse Gemeente heeft opgezegd omdat de joodse hulporganisatie haar man niet wilde binnenlaten, toen ze na de bevrijding naar Israël wilde emigreren. "Aan haar geliefde man hadden zij en haar moeder hun leven te danken, en nu eiste een jood van haar dat ze hem achterliet, haar man, die zijn leven op elk moment voor haar en uit liefde voor haar, steeds weer, zijn leven, daarvoor werd hij gearresteerd, zij natuurlijk ook, maar zij waren tenslotte joden, maar hij, mijn moeder kauwde en wurgde en slikte, haar mes ging door de lever, roze vleessap drupte op haar bord. Hij had in de gevangenis gezeten vanwege haar, hij had het helemaal niet hoeven doen, maandenlang alleen opgesloten, gefolterd en gekweld door de Gestapo, hij moest voor de rechter, hij werd vernederd, en mijn vader ving met zijn hand haar gesticulerende hand met het mes, het is goed lief, ik wilde het zo, zei hij, ze maakt zich los uit zijn greep, ach Paul, eet maar door, je lever wordt koud, smaakt ze je niet, die goede kalfslever, ik heb speciaal voor jou kalfslever gekocht, je hebt er nog helemaal niets van gegeten, en nooit heb je aan scheiden gedacht."

Dit lange citaat is een van de vele tirades in het boek, waarin zaken van leven en dood met schijnbaar banale details worden gecombineerd. De toon is vaak tegelijk lyrisch en no-nonsense, een zeldzame combinatie, die eigen is aan de joodse verteltraditie. Vaak wordt er evenveel gezegd als verzwegen, en het vreselijkste komt slechts terzijde, bijna schertsend ter sprake, in niet meer dan een tijdsaanduiding als "ze waren al opgehaald" of in het "Theresienstadtkransje" van de vriendinnen van de grootmoeder. Elders zegt de zwijgzame vader eens tegen Fania: mensen zijn nooit "het een of het ander". De huiseigenaar Hainichen die de villa wil verkopen, heeft ze zelf afhandig gemaakt van de vroegere joodse eigenaars, de Fingerhuts. Uitgerekend met die gewezen SS'er heeft Vera een relatie, die ze voor haar moeder geheim houdt. Onder één dak wonen een katholiek gezin Poolse vluchtelingen (Alma zal voor de moeder een abortus regelen), de ex-nazi Hainichen, de oorlogsweduwe Schmalstück en haar homoseksuele onderhuurder Sturmius Fraasch, "een oude nazi maar een arme sloeber". Als de antisemitische sfeer onder de Duitsers tijdens de Zesdaagse Oorlog omslaat in sympathie voor Israël, blijkt de eigenlijke reden dat men goedkope olieleveringen wil waarborgen, tegen de Arabieren. Tijdens een familiebijeenkomst komt de heftigste antizionistische kritiek van tante Rosa, een strijdbare linkse feministe die de Israëli's beschuldigt van agressie, foltering en Gestapomethodes en van plan is naar de DDR te gaan.

Behalve een bitterzoete familieroman en zedenschets over joden in het naoorlogse Duitsland is het boek ook een ontwikkelingsroman. Fania, het enige meisje van haar klas dat nog niet ongesteld is, wordt bijna verstikt onder de bemoeizucht van haar moeder en de labiliteit van haar oudere zus, die maar geen joodse man vindt. Ze is intelligent maar schrijfzwak, wordt op school getreiterd en koestert onder haar bed een verzameling weggegooide oude poppetjes. In haar dagdromen en nachtmerries verwerkt ze al het verwarrende wat ze om haar heen ziet en hoort. Hoewel de vertelde tijd grotendeels beperkt blijft tot het ene jaar 1967, ontbolstert ze langzaam en vindt haar eigen identiteit. Ze ontvlucht de geborgen maar besloten tuin van de villa in Hamburg, leert een klasgenote kennen aan wie ze bijles wiskunde mag geven en tot wier moeder ze zich aangetrokken voelt. Dat ze met deze Thea Bechler een lesbische relatie begint en door de lectuur van Goethes Wahlverwandtschaften haar disorthografie in het Duits overwint, is een van de weinige onwaarschijnlijke elementen in dit boek. Overtuigender is de verklaring voor haar schrijfmoeilijkheden die Fania via haar grootmoeder in de joodse traditie ontdekt. In een van de Boeken staat dat in het Hebreeuwse alfabet een letter ontbreekt. De kabbalisten schreven deze tekst over de ontbrekende letter "zonder deze letter, en dus met het ontbrekende, want het ontbrekende is iets dat je bij je draagt, de letter zal ooit komen en gevonden worden, geen klinkende klinker, eerder een knarsende medeklinker, sterk, worteldiep en duister [...]. Niets ter wereld was volkomen zonder deze letter, en elk litteken in zijn plaats betekende leven en overleven en interpretatie en betekenis." Viola Roggenkamps Familieleven is geen feilloze roman, maar net als de schriftuur van Fania "een kostbaar vat waar iets van betekenis in zit".

Viola Roggenkamp, Familieleven, Mouria Amsterdam, 2005, 351 p., € 19,9. ISBN 9045849925. Vert. van: Familienleben door Gielkens, Jan

Oorspronkelijk verschenen in de Leeswolf 2005

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 8, OKTOBER 2021

Aria van professor Bentoné

Dirk Elst

Baron Bagge / Mona Lisa. Twee novellen

Alexander Lernet-Holenia

De gelukzalige jaren van tucht

Fleur Jaeggy

Gare du Nord. Belgische en Nederlandse kunstenaars in Parijs (1850-1950)

Eric Min

Het web van omtrek

Paul Demets

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 8, OKTOBER 2021

Brown girl dreaming

Jacqueline Woodson

De moestuin van Heer Hermelijn en Kereltje Konijn

Elle van Lieshout, Erik van Os, Marije Tolman (ill.)

De omhelzing

David Grossman, Michal Rovner (ill.)

Een tijger in je bed

Bibi Dumon Tak, Ingrid & Dieter Schubert (ill.)

Vluchtweg

Goedele Ghijsen

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri