Vertaald proza

Markus Werner: Helling

door Erik de Smedt

Naar huidige medianormen schuilt er iets paradoxaals in het succes dat de Zwitserse schrijver Markus Werner (1944) te beurt valt. Van zijn zevende roman Am Hang, oorspronkelijk verschenen in 2004, werden 200 000 exemplaren verkocht, terwijl het aantal interviews dat de teruggetrokken auteur ooit heeft toegestaan, op één hand te tellen is. Werner noemt zichzelf een "buitensporig traag schrijver". In Helling, nu vertaald bij De Arbeiderspers, praten twee mannen over de liefde, het leven, de tijdgeest en de dood. Hun ontmoeting, hoe weinig er ogenschijnlijk ook 'gebeurt', leest als een thriller.

door Erik de Smedt

Tweemanspijn

Thomas Clarin, een advocaat midden dertig, gespecialiseerd in echtscheidingszaken, neemt zich voor tijdens het pinksterweekend in zijn buitenhuisje in Ticino te werken aan een historisch artikel over het scheidingsrecht. Op een hotelterras in Montagnola raakt hij in gesprek met een zwaargebouwde man, vooraan in de vijftig. Op het eerste gezicht hebben ze weinig met elkaar gemeen. Clarin is een man van de wereld. Hij neemt het leven licht op en is een overtuigde vrijgezel, die de ene vrouw na de andere consumeert. Zijn gesprekspartner die Loos blijkt te heten, noemt zichzelf te zwaar voor de lichte Eros. Clarin, die dagelijks vaststelt dat partners op een dood spoor terechtgekomen zijn, vindt dat het huwelijk te veel van de menselijke natuur vergt: "met die voortdurende tweemanspijn voor ogen werd ik er haast onontkoombaar toe gedwongen het huwelijk als een dwaalweg te beschouwen". Loos, die twaalf jaar gelukkig getrouwd is geweest, ziet het anders: "Voor mij was het een thuis". De huwelijksladder waarlangs volgens Clarin de meeste getrouwde stellen ijlings van de hemel naar de hel afdalen, verwerpt hij: "zo mechanistisch, ik had bijna harmonieus gezegd, gaat het niet die ladder op en af, er heerst koortsachtige activiteit, geen ordelijk eenrichtingverkeer met de hel als eindbestemming, want beide helften klimmen en dalen, daarbij kruisen ze elkaar, en zo nu en dan zitten ze misschien een poosje op dezelfde sport, wellicht bovenaan, waar ze vertrouwen en gevoelens van verbondenheid ervaren, waardoor ze, als ze weer van elkaar verwijderd raken, elkaar toe kunnen wuiven, ook wanneer er diverse sporten tussenliggen. In het gunstigste geval duurt die dynamische activiteit op de ladder een heel leven lang, en in uitzonderlijke gevallen ondervinden ze zelfs dat haat niet hoeft te doden, integendeel". Toch is ook aan zijn geluk een einde gekomen toen hij zijn vrouw een jaar geleden verloor. Sindsdien leeft hij bijna als een kluizenaar, die alleen nog praat op school, waar hij 'dode talen' doceert. Terecht merkt Clarin op dat het accepteren van het verlies voor Loos een daad van trouweloosheid zou zijn.

Bevlogen door de wijn bij hun gezamenlijke avondeten, begint Loos met Clarin van gedachten te wisselen over de tijd waarin ze leven. Loos legt genadeloos en sarcastisch de tijdgeest bloot. "Wie kan er nog aanvoelen wat er gaande is als de jongeren afgestompt raken van louter nerveuze bedrijvigheid, dat wil zeggen: apathie, en de ouderen van louter inschikkelijkheid?" Hij ziet de wereld als een kolkende overslagplaats "waar inmiddels bijna ieder mens zichzelf presenteert als een merk dat andere merken moet overvleugelen en aftroeven". Op Clarins vraag of het vroeger beter was, antwoordt hij nuchter de geschiedenis niet te beschouwen als een geschiedenis van het verval, maar evenmin als heilsgeschiedenis: "veeleer vatte hij historische ontwikkeling op als een jachtig proces van uitwisseling. Verdween er een kwaad uit het verleden, dan werd het vandaag nog vervangen door iets nieuws. Net als met het mond- en klauwzeer, het leek amper uitgeroeid of de gekkekoeienziekte dook op". Clarin biedt weerwerk, maar dat is olie op het vuur waarmee de pessimistische melancholicus zijn kritiek verscherpt.



Langzaam raakt Clarin in de ban van Loos en dringt aan op een weerzien de volgende avond. Hij slaapt slecht en probeert te raden hoe Loos een jaar geleden zijn vrouw heeft verloren: was ze ziek, heeft ze zelfmoord gepleegd of heeft hij haar dood op zijn geweten? En hij piekert over Valerie, een van zijn geliefdes, die hij een jaar geleden in hetzelfde hotel Bellevue waar ze nu zitten duidelijk heeft gemaakt dat hij niet van een duurzame relatie wilde weten. Ze verbleef in het aan de overkant van het dal gelegen kuurhotel in Caldemario, waar toen ook Loos' vrouw in behandeling was. In het tweede en langste deel van de roman lezen we het gesprek dat ze de volgende avond met elkaar voeren. De beide mannen worden gaandeweg persoonlijker: Loos vertelt in ontwapenende anekdotes hoe vindingrijk en levenswijs zijn vrouw was. Ze waren complementair voor elkaar, zij zorgde ervoor dat hun relatie spannend bleef. Clarin haalt jeugdherinneringen op aan zijn kuise vriend Giovanni Tasso, die hem steeds zijn overmatige vrouwenconsumptie verweet en op een dag met de beeldschone Magdalena naar huis kwam. Ogenblikkelijk wist Clarin dat hij bij die vrouw geen schijn van kans maakte, omdat hij de liefde miste die zij wilde. Een paar weken nadat hij getrouwd was met Magdalena, stierf Giovanni plotseling op de plek waar hij zich voor het afronden van zijn scriptie had teruggetrokken. In zijn camera vond men kort tevoren gemaakte foto's van een onbekende naakte vrouw, liggend op zijn bed. Clarin meent dat Tasso de controle over zijn driften had verloren en een publieke vrouw aan huis had laten komen. Loos echter komt voor de dag met een andere, veel fijnzinniger interpretatie die Clarin perplex doet staan. "Ik haatte hem. Ik haatte hem omdat hij me dwong mezelf voor de kop te slaan en mezelf te bekennen dat ik stekeblind was geweest voor Tasso's motieven". Dit verhaal binnen het verhaal fungeert als een spiegel.

Ondanks het feit dat Loos verdacht wordt gemaakt, merk je duidelijk voor wie de auteur sympathie heeft. Dat is des te opvallender omdat hij het verhaal laat vertellen door de steeds meer aan zichzelf twijfelende advocaat. Loos is in Jungiaanse termen de schaduw van Clarin, die deze in zijn drukke, al te vanzelfsprekende leven heeft verdrongen. In het slotdeel krijgt de womanizer de volle lading van Eva, een vroegere vriendin van één nacht die werkt in het kuurhotel van Caldemario waar hij op zoek gaat naar het verleden van Valerie en Loos' vrouw. Ze verwijt hem geen inlevingsvermogen te hebben en geen pijn te zien als iemand anders zijn gezicht niet vertrekt. "Ik kan je niet helpen, ik ben maar een ademhalingstherapeute, blinden kan ik niet genezen".

Een zwak punt van het boek is dat Clarins ontreddering en halve 'bekering' in de loop van het boek wat te vlot verlopen en Loos iets te gemakkelijk het gelijk aan zijn kant krijgt. Desondanks heeft Markus Werner met Helling een vlot lezende psychologische roman geschreven, die je na wat er in het laatste deel aan het licht komt - noodgedwongen maar met plezier - een tweede keer leest. Dan krijgen vele details een nieuwe betekenis. Hoe Loos' blik steeds weer afdwaalt naar de helling met het kuuroord, zijn turen door de telescoop en zijn hotelkamer die hij zijn 'wachttoren' noemt. De acht die hij in een schriftje tekent en die lijkt op een zandloper (het figuur van Loos vrouw, liggend echter ook het symbool van eeuwige verbondenheid). Uitlatingen als "Wees voor uw vriend een hard veldbed" en non-verbale reacties: een slok drinken na een suggestieve vraag van de ander is geen bevestiging, al lijkt dat bij een eerste lectuur zo. De kritiek op de tijdgeest is het overdenken waard en wordt scherp en geestig geformuleerd, in een kunstige afwisseling van directe en indirecte rede. Markus Werner heeft veel geleerd van zijn intussen wat in vergetelheid geraakte landgenoot Max Frisch, op wie hij ooit is gepromoveerd. Twee rode draden uit diens romans - "Ik pas verhalen als kleren" (Gantenbein) en het bijbelse "Gij zult u geen beeltenis maken" (Stiller) - zitten voor wie aandachtig leest voortdurend in Helling verweven.

Markus Werner, Helling, Amsterdam: De Arbeiderspers, 2006. 182 p., ¤ 17,95. Vert. van : Am Hang door Wil Boesten. Distributie: WPG uitgevers

Markus Werner, Helling, De Arbeiderspers Amsterdam, 2006, 182 p., € 17,95. ISBN 9029563990. Vert. van: Am Hang door Boesten, Wil

Oorspronkelijk verschenen in de Leeswolf 2006

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 8, OKTOBER 2021

Aria van professor Bentoné

Dirk Elst

Baron Bagge / Mona Lisa. Twee novellen

Alexander Lernet-Holenia

De gelukzalige jaren van tucht

Fleur Jaeggy

Gare du Nord. Belgische en Nederlandse kunstenaars in Parijs (1850-1950)

Eric Min

Het web van omtrek

Paul Demets

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 8, OKTOBER 2021

Brown girl dreaming

Jacqueline Woodson

De moestuin van Heer Hermelijn en Kereltje Konijn

Elle van Lieshout, Erik van Os, Marije Tolman (ill.)

De omhelzing

David Grossman, Michal Rovner (ill.)

Een tijger in je bed

Bibi Dumon Tak, Ingrid & Dieter Schubert (ill.)

Vluchtweg

Goedele Ghijsen

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri