Vertaald proza

Johann Wolfgang Von Goethe, Aart J. Leemhuis (sam.), Friedrich Von Schiller: Goethe - Schiller

door Erik de Smedt

Op de Theaterplatz in Weimar staan ze broederlijk naast elkaar, in brons vereeuwigd: Goethe en Schiller, de boegbeelden van de klassieke periode in de Duitse literatuur. Goethe heeft beter standgehouden dan Schiller, die soms het slachtoffer lijkt geworden van zijn succes in de schoolcanon en bij de Duitse 'Bildungsbürger'. Rüdiger Safranski schreef de meeslepende biografie Schiller of De uitvinding van het Duitse idealisme, waarin hij de dichter en denker in de context van zijn tijd plaatst. Schillers 200e sterfjaar deed in ons taalgebied ook de beroemde briefwisseling tussen de twee olympiërs het licht zien en een hedendaagse vertaling van Don Karlos.

door Erik de Smedt

Tegen de onttovering

Met boeken over E.T.A. Hoffmann (de romantiek), A. Schopenhauer (het pessimisme), Fr. Nietzsche (het nihilisme) en M. Heidegger (goed en kwaad) schrijft Safranski gaandeweg een indrukwekkende Duitse ideeëngeschiedenis. In zijn nieuwste boek ontdoet hij Schiller van de moraliserende, burgerlijke stoflaag die zich op de stuk geciteerde dichter heeft vastgezet. De proloog wekt al verbazing. Als Schiller op 45-jarige leeftijd sterft, constateren de dokters bij de lijkschouwing zulke ravage in zijn lichaam dat ze zich afvragen hoe de arme man zo lang heeft kunnen leven. Safranski geeft hier een eerste definitie van Schillers idealisme: met de kracht van de geestdrift langer leven dan het lichaam het toelaat. Sinds 1791 leed Schiller aan chronische buikvliesontsteking. Al het werk dat hij nog tot stand heeft gebracht, heeft hij moeten bevechten door in de dagen dat hij per uitzondering geen klachten had te werken als een gek. De jonge Schiller, zoon van een regimentsdokter, droomde ervan predikant te worden. Hertog Karl Eugen van Württemberg besliste er anders over en stuurde hem naar zijn 'militaire kweekschool', waar gehoorzaamheid en discipline de plak zwaaiden. De hertog was alomtegenwoordig, tot in de eetzaal en de slaapzaal toe. Macht werd zo geen abstract, maar een intiem gegeven, waar je aan onderworpen was als aan het hoofd van de familie. Je moest je in de directe persoonlijke omgang tegenover die macht staande zien te houden. Als toneeldichter zal Schiller zich op een hoogvlakte plaatsen, "waar de macht van het woord tegen het machtswoord is opgewassen".



Wanneer de Karlsschule naar Stuttgart verhuist, wordt ze uitgebreid met een medische faculteit. Voor Schiller is dit de gelegenheid om de niet geliefde rechtenstudie op te geven en met de medicijnenstudie te beginnen. Hij krijgt er filosofie van de bevlogen Johann Friedrich Abel, die in plaats van het scholastieke deduceren de methode van de inductie invoert en Schiller in contact brengt met het geniebegrip. Safranski trekt hier een mooie parallel met Herder, die in 1769 tijdens een zeereis ontdekte hoe je als filosoof alles achter je kunt laten en een oneindige binnen- en buitenwereld kunt ervaren. De nieuwe, levende rede van de Sturm und Drang concentreert zich op het originele, unieke en individuele. Ze duikt enthousiast onder in het mysterie van de vrijheid. Die kan enkel gelééfd en niet gedacht worden, want het denken verstrikt zich vroeg of laat in de causaliteit. In zijn medisch-filosofische dissertaties (pas de derde werd aangenomen) buigt Schiller zich over de band tussen lichaam en geest. Ook als schrijver zal hij doordringen in de menselijke geest, om in de proefopstelling van zijn toneel "de ziel als het ware bij haar geheimste operaties te betrappen". Safranski doet in detail het verslag van Schillers geestelijke zoektocht en ontleedt stuk voor stuk zijn toneelwerken. Om te beginnen het in Goethes ogen chaotische Die Räuber, over de twee broers die de grens van de zelfdestructie en het nihilisme naderen, maar van wie de ene trots de vrijheid laat triomferen. In de toneelschrijver Schiller onderkent Safranski een sterke wil tot macht. De auteur streeft naar het gelukkige ogenblik waarop je in het theater de harten van zovele honderden kunt roeren en de toeschouwer "naar eigen goeddunken de hemel of de hel als een bal kon toewerpen".



De biograaf verweeft met honderden draden Schillers leven, denken en werk. Met Die Räuber heeft Schiller de tirannie van de hertog van zich afgeschreven. Maar in de werkelijkheid van alledag krijgt hij het zwaar te verduren: de hertog verbiedt hem elke verdere schrijverij van niet-medische aard. Schiller vlucht naar Mannheim, waar Die Räuber en het technisch gavere Verschwörung des Fiesko worden opgevoerd. Zijn toneelhelden worstelen met de vrijheid, maar ook Schiller zelf is met zijn praktische oefening in vrijheid, zijn vlucht, nog lang niet klaar. Teleurstellende ervaringen met het theater in Mannheim (de toneelspelers vonden Schiller arrogant en te veeleisend) brengen hem ertoe te formuleren wat hij verlangt: theater moet een esthetisch-morele tegenmacht vormen. Bewonderaars laten hem naar Leipzig komen, waar hij o.m. de Ode an die Freude schrijft. Safranski is er opvallend kort over. Hij besteedt veel meer aandacht aan het toneelwerk en het proza dan aan Schillers poëtische productie. Zeker: Schiller schreef te retorisch en pathetisch om een groot dichter te zijn, maar van een biograaf verwacht je toch dat hij ook dit (invloedrijke) aspect van het werk analyseert en beoordeelt. Hoewel Safranski niet onkritisch staat tegenover de geportretteerde (hij gaat o.m. in op zijn neiging tot overdreven voordragen), overweegt het enthousiasme. Schiller wordt de 'Sartre van de 20e eeuw' genoemd, 'een atleet van de wil' en 'een enthousiasteling van de vrijheid'. Tegen de onttovering van het christelijke monotheïsme en de wetenschappelijke rede, ontdekt Schiller het mythische Griekenland, dat de mogelijkheid biedt een gesprek met de natuur aan te gaan. Hij schrijft twee grote geschiedkundige werken over de Opstand in de Nederlanden en de Dertigjarige Oorlog. Hij is daarmee de eerste in de Duitse literatuur die geschiedschrijving tot een literair genre verheft.



Beslissend voor Schillers denken wordt de lectuur van Kant. Hij waardeert het subjectieve aspect van diens filosofie en gebruikt ze in zijn strijd tegen de moderne tijd waarin "rationele wetenschap, materialisme en nuttigheid domineren. De wereld is één groot werkkamp geworden, waarin aan de kunst alleen nog de rol van een fraai ogende bijzaak wordt toegekend." In Kants spoor concludeert hij dat ook het ondermijnende materialisme niet de werkelijkheid op zich is, maar slechts een interpretatie ervan, die namelijk waarbij de rede zich gewonnen geeft. Kants plichtenethiek corrigeert hij met zijn begrip 'gratie'. Het 'willen' moet door de kunst zo gecultiveerd worden dat wat je behoort te doen deel gaat uitmaken van wat je echt wilt. Het spel krijgt een cruciale rol toebedeeld, wordt het opvoedende element bij uitstek. In zijn Ästhetische Briefe luidt het: "de mens speelt alleen wanneer hij in de volle betekenis van het woord mens is, en hij is alleen helemaal mens wanneer hij speelt". De weg van natuur naar cultuur via rituelen, taboes en symboliseringen. De ernst van de driften (seksualiteit, agressie) en de angst voor het onvermijdelijke (dood, ziekte, verval) verliezen daardoor iets van hun dwingende, vrijheidsberovende macht. "De schoonheid is de weg die je moet bewandelen om bij de vrijheid uit te komen." Safranski tekent er fijntjes bij aan dat 'spelen' in onze amusementsmaatschappij eerder een deel is geworden van het probleem waar Schiller het als oplossing voor zag.



Schiller is intussen professor geschiedenis in Jena geworden en zal later dichtbij Goethe in Weimar gaan wonen. Tegenover de Franse Revolutie staat hij ambivalent. Hij juicht toe dat het juk van de tirannieke heersers is afgeworpen, maar betreurt dat de massa nog niet rijp blijkt voor de vrijheid. Hij ziet zijn opvatting bevestigd dat vrijheidszin gecultiveerd moet worden als ze niet wil omslaan in haar tegendeel. Safranski's biografie doet de figuur en het denken van Schiller voor onze tijd herleven, zonder plat te actualiseren of de schakeringen in diens wijd vertakte gedachtegang geweld aan te doen. Hij componeert feilloos, schrijft rustig en helder, aanstekelijk enthousiast. Mark Wildschut, die vroeger werk van Safranski en ook Heideggers Sein und Zeit heeft vertaald, heeft een vlot lezende en accurate vertaling bezorgd. Een paar keer fronste ik de wenkbrauwen. Is in de Ode aan de vreugde "deze kus van heel de aard'" (genitief) niet veeleer een kus "voor heel de aard'" (datief)? En de historische 'Fürstin' Eboli uit Don Karlos krijgt beter de titel 'prinses' dan het voor de hand liggende 'vorstin', dat verwarring schept met de echte koningin uit het stuk, Elisabeth.



Briefwisseling

Biograaf Safranski vertelt over de allereerste ontmoeting tussen Schiller en Goethe, in 1788 te Rudolstadt. Goethe verkeerde na de 'vrije levenslucht' die hij in Italië had geademd, in een neerslachtige stemming. Schiller hoopte, geestdriftig als hij was over Iphigenie, op een persoonlijk contact, maar Goethe ontweek hem. Hij wist niet welke weg Schiller sinds het door hem gehate Die Räuber had afgelegd en verloochende alles wat hem aan zijn eigen Sturm und Drangperiode kon herinneren. De haat-liefdeverhouding slaat vanaf 1794 om in één van de beroemdste vriendschappen uit de wereldliteratuur. Schiller vraagt Goethe om mee te werken aan zijn literair-filosofisch tijdschrift Die Horen, Goethe reageert positief. Enkele brieven verder schetst Schiller al een meesterlijke geestelijk portret van zijn tien jaar oudere correspondent: "U zoekt het noodzakelijke in de natuur, maar u zoekt dat langs de moeilijkste weg waarvoor iedere zwakkere kracht zich wel zal hoeden. U neemt de natuur in haar totaliteit om het afzonderlijke te begrijpen, in het geheel van haar verschijningsvormen zoekt u de verklaringsgrond voor het individu." Goethe beseft dat zijn werk baat zal hebben bij dit contact met 'wakkere mensen'.



De idealist en de realist komen tot een productieve en oprecht geïnteresseerde uitwisseling van gedachten, manuscripten, lectuur, filosofische beschouwingen en wetenschappelijke experimenten. Vooral Schiller wordt een bevlogen briefpartner die hoffelijk en scherpzinnig commentaar geeft op Goethes roman in wording Wilhelm Meister. Goethe is wat gereserveerder, maar wijst Schiller toch op manco's. Veel brieven behandelen diepzinnige poëticale en genrekwesties, sommige gaan grondig in op Goethes kleurenleer. Vol voorpret hebben de twee olympiërs het over hun Xenien, tweeregelige gedichten waarin ze tijdgenoten en tijdverschijnselen hekelen. Roemrucht is de reactie van Goethe toen Schiller ereburger van de Franse Republiek was geworden (het besluit was medeondertekend door de intussen terechtgestelde revolutionair Danton): "Met het decreet van uw burgerschap, dat u uit het rijk der doden is toegezonden, kan ik u slechts in zoverre gelukwensen dat het u nog onder de levenden heeft aangetroffen". Er zijn zowat 1000 brieven bewaard gebleven, de laatste dateert van april 1805, een paar weken voor Schillers dood. Aart J. Leemhuis selecteerde er bijna 300 van, die hij voorbeeldig heeft vertaald, ingeleid en toegelicht. De nummering van de volledige brievenuitgave is behouden, zodat je kunt vergelijken met de originele tekst, bv. op http://www.wissen-im-netz.info/literatur/goethe/briefe/schiller/. De gebonden uitgave mag er streng en saai uitzien, binnenin wemelt het van geestesleven op zijn best.

Actualisering

Vier jaar werkte Schiller aan wat eerst een familietragedie moest worden en allengs tot een politiek drama uitgroeide: Don Carlos (1787). Het stuk werd zo lang dat een volledige opvoering meer dan zeven uur in beslag zou nemen. Toneelgroep Amsterdam peilde in het najaar van 2005 naar Schillers actualiteit als toneelschrijver. Het gezelschap liet een nieuwe vertaling maken door Tom Kleijn, die zowat de helft van de tekst schrapte. Vergeleken met de vorige vertaling van Gerrit Komrij voor het Publiekstheater (1982), zijn nog heel wat regieaanwijzingen, monologische beschouwingen en nevenintriges gesneuveld. Ook de wijdlopige formuleringen zijn verdwenen. Tenzij je bepaalde befaamde scènes volledig wil terugvinden (de bevlogen dialogen tussen de markies van Posa en Don Carlos of Philips II bv.), moet gezegd dat het stuk er wel bij vaart. De afloop wordt dwingender, familiedrama en politieke tragedie krijgen iets van een spannende thriller. Aan het Spaanse hof spannen de behoudsgezinde krachten samen tegen de opstandige Nederlanden. Ondanks opflakkeringen van hoop en grootmoedigheid, gevoed door markies Posa, verliest de paranoïde koning achtereenvolgens zijn vertrouweling, zijn vrouw en zijn zoon Don Carlos. Die laatste heeft zijn geliefde Elisabeth aan zijn vader moeten afstaan, heeft geprobeerd haar liefde terug te winnen en is door zijn vriend, markies Posa, overgehaald om de leider te worden van de rebellie in de Nederlanden. Intriganten aan het hof hebben alles aan het licht gebracht, de onverbiddelijke koning blijft eenzaam achter en de grootinquisiteur doet zijn werk. Posa speelt een uiterst ambivalente rol. Hij offert zijn vriendschap voor Don Carlos op voor een berekenende machtsdroom. Schiller projecteert in dit stuk het vrijheidsdenken van de 18e eeuw in de historische gebeurtenissen van de 16e eeuw. Safranski commentarieert Don Carlos in het licht van wat enkele jaren later de Franse Revolutie zal tonen: "De revolutionaire moraal verraadt in het afzonderlijke geval wat ze voor het geheel zegt na te streven: de vrijheid. Enerzijds eist ze dat de mens een doel voor zichzelf wordt, anderzijds maakt ze van hem een middel in haar calculaties. Gewelddadigheid, heimelijkheid en heerszucht verschuilen zich graag achter het masker van de vrijheidsstrijd." In de heldere inleiding bij de tekstbrochure vraagt dramaturge Rezy Schumacher zich af of de veelgeroemde emancipatie van onze tijd ver genoeg is gegaan: "Zijn wij nog steeds gevangenen van systemen waartegen we weerloos zijn? Of wordt ons alleen maar wijsgemaakt dat we weerloos zijn?" Het zijn geen vragen van een standbeeld, maar van een klassieker die zijn canonisering heeft overleefd.

Johann Wolfgang Von Goethe, Aart J. Leemhuis (sam.), Friedrich Von Schiller, Goethe - Schiller, Damon Budel, 2005, 509 p., ill. € 34. ISBN 9055736058. Vert. door Leemhuis, Aart J.

Oorspronkelijk verschenen in de Leeswolf 2005

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 8, OKTOBER 2021

Aria van professor Bentoné

Dirk Elst

Baron Bagge / Mona Lisa. Twee novellen

Alexander Lernet-Holenia

De gelukzalige jaren van tucht

Fleur Jaeggy

Gare du Nord. Belgische en Nederlandse kunstenaars in Parijs (1850-1950)

Eric Min

Het web van omtrek

Paul Demets

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 8, OKTOBER 2021

Brown girl dreaming

Jacqueline Woodson

De moestuin van Heer Hermelijn en Kereltje Konijn

Elle van Lieshout, Erik van Os, Marije Tolman (ill.)

De omhelzing

David Grossman, Michal Rovner (ill.)

Een tijger in je bed

Bibi Dumon Tak, Ingrid & Dieter Schubert (ill.)

Vluchtweg

Goedele Ghijsen

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri