Lucas Hirsch is als
dichter van veel markten thuis. Elke dichtbundel lijkt wel afkomstig van een
andere auteur en binnen eenzelfde bundel worden diverse stijlen en tonen
geëxploreerd. Dat is ook weer het geval met Ontsla
me van alles wat ik liefheb. Op het eerste gezicht lijkt het wel alsof
Hirsch zich heeft bekeerd tot de onmiddellijke belijdenislyriek. Schijn
bedriegt echter. De titel is al vrij dubbelzinnig doordat hij net wijst op het
willen afstand nemen van de geliefde. Daarenboven wordt hij op de titelpagina
verspreid over drie verschillende niveaus, waardoor een effect ontstaat van
spiegelingen en doosjes-in-doosjes. De hand van de dichter houdt een blad vast
waarop een hand een blad vasthoudt. Voor wie het nog niet heeft begrepen wordt
ook het auteursportret op de achterkant op dezelfde manier vervreemd, en
daarenboven poseert de auteur (?) langs de achterzijde met een bolhoed en een
zwart pak.
Al die verwijzingen naar
kunstenaars als Escher en Magritte zijn beslist niet toevallig. Ze onderstrepen
het effect van vervreemding dat de taal noodzakelijk met zich meebrengt. Wij
gebruiken wel woorden om er dingen, personen en gevoelens mee aan te geven,
maar in feite vallen wij niet (helemaal) samen met wat wij zeggen. Net die
onoverbrugbare afstand tussen het zogenaamd gezegde en het zogenaamd bedoelde
is wat de dichter Hirsch intens bezighoudt. Het is de afstand waarin een mens
zichzelf vindt en meteen weer verliest, en het is de breuk waardoor poëzie als
eigen taalvorm ontstaat. Dat verklaart de soms theatrale toon van Hirsch’
gedichten, en zelfs vooral op het ogenblik dat de dichter ‘intiem’ dreigt te
worden.
Het is, met andere woorden, niet
zo eenvoudig om Ontsla me van alles wat
ik liefheb op een adequate manier te karakteriseren. De bundel is sterk
retorisch, met veel oog voor typische literaire effecten: de woordkeuze is
afgewogen, de regelsplitsingen zijn doorgaans betekenisvol, de beelden zijn suggestief
maar tegelijk ook precies. Het dichterlijke ik beroept zich daarenboven op een
aantal poses; het is beurtelings verstild en luidruchtig. De teksten uit de
laatste afdeling zijn daarenboven allemaal geschreven voor dichters: overleden
vrienden, maar ook bijvoorbeeld een brief aan Pfeijffer over de taak van
poëzie. In die brief drukt de dichter op een virtuoze wijze zijn eigen
fundamentele angsten uit over zijn dichterschap. In ieder geval is er veel dat
wijst op een crisis, op een zoektocht naar een nieuwe, meer adequate
uitdrukkingswijze. De indruk ontstaat alvast dat Hirsch gedeeltelijk terugkomt
op de premissen van zijn eerdere, duidelijk barokke lyriek.
Wat daarvoor in de plaats komt,
is echter dubbelzinnig. De meeste gedichten lijken op een soort van
autobiografische belijdenis. De liefdesgedichten uit de eerste afdeling hebben
het over vervreemding en gebondenheid, over een relatie die afspringt op sleur
en gewenning. Het geeft aan de titel van de bundel een wrange bijklank, terwijl
de reeks ironisch ‘Adelende liefde’ heet. Aan het einde lijkt het er inderdaad
op dat het dichterlijke ik zichzelf en de ander heeft teruggevonden, na een
odyssee langs de drank die Bijbelse proporties aanneemt en vergeleken wordt met
het beleg van Jericho. De daaropvolgende afdeling bekijkt de ouders al even
kritisch. De vader wordt opgeroepen als een onbereikbare, tirannieke figuur met
een oorlogstrauma, de moeder als een kwetsbare vrouw in de schaduw van haar
man. Het afscheid lijkt ook hier allerlei tegenstrijdige emoties en indrukken
op te roepen.
In deze bundel is met andere
woorden niets wat het lijkt. Het sentiment van de dichter blijft gestileerd en
daardoor wezenlijk ‘vreemd’. Wel is de marge tussen exhibitionisme en
theatraliteit, tussen sentiment en taalconstructie in deze gedichten soms
bijzonder klein. Net dat intrigeert mateloos, maar het roept wel de vraag op
naar wat kan volgen in de toekomst. Hirsch staat duidelijk op een belangrijk
kruispunt in zijn schrijverschap.
Amsterdam : De
Arbeiderspers 2015, 55 p. ISBN 9789029504744
deze pagina printen of opslaan