Poëzie

BOEKEN NR. 7, MEI 2016

Lotte Dodion: Kanonnenvlees

door Yvan de Maesschalck

‘Wie zich altijd glad wil houden snijdt zich aan zijn spiegelbeeld’

Veel o’s op een rij, dacht ik onwillekeurig toen ik de debuutbundel van Lotte Dodion voor het eerst zag. Dat in het omslagbeeld diezelfde o in vergrote vorm terugkeerde, deed me even vrezen dat het om een bundel zou gaan waarin vooral geritmeerde klanken de dienst uitmaken. Zelfs een oppervlakkige lezing van Dodions gedichten maakt evenwel meteen duidelijk dat er wat gestoeid wordt met alliteraties en binnenrijm, maar ook dat een overdosis niet wordt geserveerd. Dat is op zich merkwaardig want de jonge dichteres heeft zich tot nu toe vooral laten gelden als een bevlogen beoefenaar van slam poetry en als podiumbeest. In Kanonnenvlees koppelt zij een ongedwongen, ongekunsteld register aan een opmerkelijk talent om beelden van diverse aard consequent uit te werken. Het resultaat is poëzie die beklijft en een eigen stem laat horen.

Lotte Dodion slaagt er voortreffelijk in de vele clichés waaraan de taal zo rijk is opnieuw glans te verlenen. De naamloze figuren die hier aantreden – meestal wij, zij, ik en jij – worden in een context geplaatst waarin onderlinge verstandhouding uitgesloten lijkt. De taal waaruit deze gedichten is opgetrokken roept de gedachte op aan oorlog, rivaliteit, tweedracht. Een herinnering aan of evocatie van een eerste schooldag wordt in onvervalst legerjargon gevat:

‘de mars naar school moet in tempo
verlegen voeten sneller in het vizier
van monden die goed gewapend zijn [...] ik zet een stap terug
salueer een laatste keer
ingerukt
mars’

Dat geldt ook voor het titelgedicht, dat onder meer kan gelezen worden als een aanklacht tegen het anonieme systeem dat zijn machteloze/onwetende onderdanen genadeloos de dood injaagt:

'we worden in stelling gebracht
van groot naar klein
zwijgend zij aan zij
zullen elkaar nu om en om
voor de voeten vallen
als rottend fruit
als je goed ruikt
is er nog een zweem van zoet
we zijn een vreemd soort kindsoldaten
zweren trouw aan dit kapotte gezin
in goede en kwade dagen
hoe hard ook alles ontploft
zolang wij maar een zachte landing bij elkaar
wij sluiten steeds de rangen'

De poging om een kwalijk riekende geur te verdoezelen is des mensen, maar herinnert ook aan het georganiseerde misbruik dat ervan is gemaakt. In het gedicht ‘Dat ik het niet geweten heb’, dat een zwaarbeladen historische reminiscentie oproept, toont welke extreme vorm dat misbruik kan aannemen:

‘dat ik het niet geweten heb
wat orde was
en of die er moest zijn
ze hielden ons klein dus
wij kleurden buiten lijntjes
met krijtjes van jullie as
wasten onschuld met mensenvet
naast ons bed de nachtlampjes
van jullie vel getrokken

ik heb
geen licht meer aangeknipt
geen zeep meer aangeraakt
proper wil ik nooit nog zijn
ik moet mij ruiken / om te weten dat ik besta’.

Lijntjes, krijtjes, nachtlampjes: bedriegelijk lief klinkende verkleinwoorden die in de mond van nazibeulen smaken naar schimmel en as.

De oorlog die mensen uitvechten doet zich in vele vormen voor en wordt op vele fronten beslecht. De burgeroorlog tussen als helden voorgestelde verliezers:

‘mensen zijn als vlaggen
draaien waaien met de wind mee
verklaren met veel fanfare
dat we winnaars zijn
we staan er verloren bij’.

Of de familiale, dan wel existentiële oorlog die voor een rechtbank wordt uitgevochten:

‘geen minnelijke schikking
geen bekentenis
maar ik wist
hier beginnen we af te sterven
levenslang zit er voor ons niet in’.

Of nog, de culturele of psychologische oorlog waarbij tot elkaar gedoemde wederhelften diepe wonden slaan om zichzelf eindelijk te kunnen aanschouwen:

‘Ik wil eindelijk je ogen zien
ik wil een litteken in spiegelbeeld
dezelfde wonde met je delen
dichter zijn dan ooit’ (in ‘Siamese tweeling’).

Niet toevallig vormt de door anderen toegebrachte wonde een centraal motief van de bundel.

Het is ook mogelijk om oorlog te zien als een ontspoorde variant van de vele spelvormen waar het leven uit bestaat. Het wrange zelfmoordgedicht ‘Aansluiting gemist’ laat dat scherp aanvoelen:

‘we zullen zeggen
dat je hoofd niet spoorde
je steeds van het een naar het ander
nooit ergens echt
je daar dan bij hebt neergelegd
als een uitroepteken / sorry dat ik zo in de weg lig’.

Ja, ‘nooit ergens echt’, omdat het leven zich nu eenmaal voordoet als een wreedaardig, burlesk of grotesk spel dat altijd weer diepe littekens achterlaat:

‘kom / we spelen een spel vanavond
zo vals we kunnen [...] wie wint
heeft alles te verliezen’.

Niet toevallig bevat de bundel menig gedicht waarin het beeld van een circus of arena wordt opgeroepen. ‘Brood en spelen’, ‘De messenwerper’, ‘Slangenmensen’, ‘De dierentemmer’, ‘Wij acrobaten’, ‘De poppenspeler’ en ‘De vrouw met de baard’ zijn maar enkele voorbeelden. Laatstgenoemde gedicht komt tot de volgende, even dreigende als treffende conclusie: ‘wie zich altijd glad wil houden / snijdt zich aan zijn spiegelbeeld’.

Kanonnenvlees is een bundel waarin een meer dan gezonde portie ontgoocheling en onmacht bovendrijft, maar ook een bundel die niet toegeeft aan defaitisme en wanhoop, zoals uit een aantal aangrijpende moedergedichten blijkt. Die constatering neemt niet weg dat in bijna elk gedicht scheiding, vervreemding of levenslange verwijdering de toon aangeven. Het briefgedicht ‘Houston we have a problem’, met de legendarisch geworden misquote als titel, vat de aanzuigkracht van de scheiding in een fraai kosmisch beeld:

liefste
ik weet dat je meer ruimte wilt maar hoeveel planeten wil je concreet
hoeveel lichtjaar moet ik van je verwijderd zijn
opdat jij weer kan zweven
[...]
je hoeft geen vlaggen te plantengeen hemellichamen te veroveren
hier is het mijne
ik ben zwaartekracht
ik hou je voeten op mijn grond
maar als jij per se de ruimte wilt
als je denkt te zijn vastgeroest in je baan
loop naar de maan
word vergeten

Met Kanonnenvlees heeft Lotte Dodion in één haal haar poëtische handtekening gezet. Hoewel ze zich ver houdt van elke drang om te moraliseren en vooral haarscherp registreert waar het op staat, offreert ze een soort geëngageerde lyriek die het hele menselijke bestel in vraag stelt of toch in stelling brengt. Ik kijk alvast belangstellend uit naar haar volgende bundel.

Amsterdam : Atlas Contact 2016, 60 p. ISBN 9789025447038  

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 11, DECEMBER 2018

Berta Isla

Javier Marías

De klaverknoop

Paul Demets

Het amusement

Brecht Evens

International Bakery (voorheen Cinema Royale)

David Nolens

Michael Ondaatje

Blindganger

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 11, DECEMBER 2018

De blauwe vleugels

Jef Aerts, Martijn Van der Linden (ill.)

De pittige pruim die een pop werd

Vojtěch Mašek, Chrudoš Valoušek (ill.)

De torens van Beiroet

Paul Verrept

De waarheid volgens Mason Buttle

Leslie Connor

Het mysterie van niks en oneindig veel snot

Jan Paul Schutten, Floor Rieder (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri