Poëzie

BOEKEN NR. 13, DECEMBER 2016

Philippe Cailliau: Tot de stenen wortel schieten

door Jooris van Hulle

Aan de bundel Tot de stenen wortel schieten van Philippe Cailliau gaan twee motto’s vooraf. Anna Achmatova schrijft in haar gedicht ‘Ik heb niets op met martiale oden’ onder meer dit:  
‘Dan klinkt opeens, tot uw en mijn genoegen
Een vers op, teder en vol vuur.’
 
En uit ‘Mijn zolderpaleis is een waar paradijs’ van Marina Tsvetajeva citeert Cailliau:
 
‘Een dichter heeft altijd een voorraad in huis
Van woorden, die vuur evenaren.’
 
Het vuur van de verontwaardiging brandt in de verzen van Cailliau, onder meer in ‘Beheers de maskerade’, een cyclus van 6 gedichten die afwisselend bestaan uit 16 en 14 verzen: ‘Er is veredeld vuur / in ons, ook verontwaardiging’, en even verder luidt het: ‘Rechtlijnig komt de opwinding, de / verontwaardiging.’ In deze cyclus gaat de dichter op zoek naar een positionering in de maatschappij, gedragen door zijn geloof in de kracht van de poëzie. In de slotstrofe van gedicht 6 lezen we:

‘Met mateloze woorden heeft hij dit gedicht:
bezwering zit in de formule. Verzilveren laat poëzie zich
nooit. Vermurwen evenmin. Niet door vertedering,
niet door het wit tussen de regels op het witte blad.’
 
Het terugplooien op de schrijfact loopt als een rode draad loopt doorheen de bundel. Enkele keren kiest Cailliau daarbij voor een metaforische context die de meerduidigheid van zijn gedichten ten goede komt. Zo kan het gedicht ‘Ik weet je niet’ worden gelezen als een liefdesgedicht ( de bundel is opgedragen aan ‘Lieve’, ‘omdat woorden spreken / en in een ruimte zingen’), waarin het lyrische ik zich richt tot de geliefde. Maar er is meer aan de hand in dit gedicht: de ik kan mijns inziens even goed de dichter zelf zijn, wat meteen een zelfportret in spiegelbeeld zou opleveren. Die spiegel wordt dan het gedicht zelf, de poëzie wordt de geliefde, ‘de codex van mijn schriftfragment, / ben jij, steeds elke kaft opnieuw, mijn hoop, mijn wanhoop / in mijn bangste en vernietigendste dag.’ Weten en niet weten, hoop en vertwijfeling, de lijn naar de poëzie die strak wordt aangespannen en dan weer de drang zich te ontwortelen: het blijft de niet eindigende beurtgang van de dichter.
  
In ‘Wonen in een reistas’, de slotafdeling van de bundel, wordt de dubbele beweging die eerder werd aangezet in de beleving van emoties en de weergave van indrukken, concreet geëvoceerd in de ‘reis’ vanuit Brussel, waar Cailliau lange tijd woonde (‘Ik kwam hier wonen, maar ik sterf hier niet’), naar Oostende, de stad waar hij momenteel verblijft. Vooral de Oostendse verzen maken indruk: nu eens door de bijna aan den lijve te ervaren beschrijvingen (‘in natte bakken van de vismijn klapwiekt / tussen ijs nog vinnig leven’), dan weer door de historische terugblik, onder meer op de periode van het interbellum, toen exilkunstenaars als Stefan Zweig, Joseph Roth en Irmgard Keun er verbleven (‘Bescherming was de stad. Een toevluchtsoord / van wanhoop en het woord. De nazistempels / van het Interbellum’, en nog: ‘De orgelman moest / overschilderd met een joodse kleur’ – een verwijzing, meen ik, naar Felix Nussbaum) en door de persoonlijke lezing die Cailliau aan de stad geeft: ‘Geschuif / van vissersdorp naar adellijke stad, en / elke dichter wenst zijn bel-etage’ (met in dit laatste vers een knipoog naar Hedwig Speliers). En aansluitend aan het vuur-motief uit de motto’s bij de bundel, als hij het heeft over de vuurtoren: ‘De toren leidt de taal, dat is mijn vuur.’ In deze en gelijkaardige verzen toont Cailliau zich van zijn beste kant en laat hij de bewust gezochte en daardoor soms overtrokken zegging achterwege. In het drieledige gedicht ‘Beken wat angstig is’ wordt bijvoorbeeld beeld op beeld gestapeld (een vers als ‘te / veel is nooit genoeg’ zegt hier alles), terwijl de gezochte inversie in de openingsstrofe (‘Je kwijt / raakt hij’) nauwelijks betekenis en poëtische spankracht weet toe te voegen. Liever is mij een gedicht als ‘Erna’, een in stilte gedrenkt verwijlen bij de moederfiguur:
 
‘Moeder: nu gaandeweg
de grenzen zijn bereikt
waarop geen mens haar reistas
ongeopend laat, blijft weinig
noemenswaardig over. (…)
 
De poëzie van heel je leven,
het kleine handgebaar dat even <br /> elk van ons een teken geeft.’
 
Bergen op Zoom: Kleinood & Grootzeer, 2016, 71 p. ISBN 9789076644790 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 7, JULI 2019

De grote verkilling

Geert van Istendael

Kamers antikamers

Niña Weijers

Verlaten

Jane Harper

Verwondering

Aharon Appelfeld

Winterlaken

Micha Andriessen

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 7, JULI 2019

Adres onbekend

Susin Nielsen

Mag je haaien aaien?

Katrijn De wit, Inge Rylant (ill.), Laura Bergans (design)

Niet te stoppen

Angie Thomas

Ploef

Espen Dekko, Mari Kanstad Johnsen (ill.)

Zo slapen dieren

Jiří Dvořák, Marie Štumpfová (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri