Poëzie

BOEKEN NR. 8, SEPTEMBER 2017

Charlotte van den Broeck, Lies van Gasse: Ooghoek. Twee dichters, een dreef en een dorp

door Yvan de Maesschalck

‘Kijk, vanaf hier kan je het bijna zien, het haperende beeld van de herinnering’.  

Wie in de zomer en het najaar van 2017 de Kooldreef in Beernem opzoekt, wordt onder meer vergast op veel schaduw en een merkwaardige poëtische installatie. Aan de stammen van de monumentale eiken die beide kanten flankeren zijn kijk- en luisterkastjes aangebracht waarin ‘gedichten, geluidsfragmenten en illustraties’ huizen van de hand van Charlotte van den Broeck en Lies van Gasse. Beide dichters worden op de website van de initiatiefnemer, vzw Màrmelade, trefzeker omschreven als ‘jonge culturele wolvinnen’.
 
Ondanks hun onbetwistbaar jonge leeftijd hebben ze allebei een aanzienlijke staat van dienst. Het crossmediale project in Beernem ligt in de lijn van projecten die Van Gasse alleen of met andere kunstenaars realiseerde. Het volstaat te denken aan de indrukwekkende Hausertentoonstelling en het daarmee verbonden Boek Hauser (2013), een coproductie met Annemarie Estor, of aan Nel. Een zot geweld (2016), een graphic novel die ze samen met Peter Theunynck tot stand bracht. Onlangs publiceerde zij een zinderende bundel stadsgedichten onder de titel Wassende stad (2017). Van den Broeck van haar kant trok met haar debuut Kameleon (2015) en de tweede bundel Nachtroer (2017) meteen de aandacht, ook van vakgenotes als Lotte Dodion, Shari van Goethem en Lies van Gasse. Gevolg is onder meer het project ‘Ooghoek’, waarvoor ze elk een reeks Beernemse dorpsgedichten schreven.
 
De gedichten die kunnen gelezen en beluisterd worden in Beernem zijn inmiddels door PoëzieCentrum in de fraai verzorgde en door Lies van Gasse uitbundig geïllustreerde bundel Ooghoek op de markt gebracht. De cyclus ‘Geleider’ van Van den Broeck begint en eindigt met een gedicht waarvan het eerste woord een genderneutrale aanspreking is: ‘Lieve’ richt zich wellicht tot de lieve lezer, toehoorder, passant, maar ook dorpsbewoner. Het eerste gedicht ‘Uitkijkpunt’ is een mijmering over de absolute zekerheid dat de blauwe planeet ‘niet de beste van mogelijke werelden’ is (zoals de filosoof Leibniz voorhield). De aarde is niet veel meer dan een ‘mislukte planeet, slechts een proefversie / van beter, gunstig leven // ergens’. Het openingsgedicht plaatst de ruimtelijkheid van de aarde in een kosmisch perspectief, maar vanaf het tweede gedicht wordt dat perspectief versmald tot of toegespitst op het dorp en enkele bijzondere ijkpunten ervan.
 
Opvallend in bijna elk gedicht van Van den Broeck zijn de intimistische toon en het besef dat elke plek, weze het een psychiatrische instelling, een duiventil, een hotel, een restaurant of een achtertuin, een (af)gesloten eenheid met bewaarfunctie is. ‘Sint-Amandus’, waar mensen met psychische problemen gehuisvest zijn, wordt zo getypeerd:  
 
‘tegenover het hotel waar ik logeer, bewaren ze mensen in breukgetal
een schreeuw op sterk water, een doffe blik die niet door het raam geraakt’ 

In ‘Wokpaleis’ komt de ik-figuur ‘klem’ te zitten ‘tussen wat gezegd moest en wat van de mond werd geveegd’. In ‘Miserietocht’ ‘balanceert het dorp, weggestoken / achter gestekelde brem, doorn en eikenbos’. Het dorp heeft iets van een vesting, van een onneembare burcht met een ruige of geheimzinnige buitenkant, die doet gissen naar de onbekende binnenkant.
 
Dat laatste is wat Van den Broeck bij uitstek doet in haar gedichtenreeks: speuren naar wat binnenskamers gebeurt, want ‘achter het uitzicht waakt de binnenkant, daar / zou het kunnen zijn geweest, thuis, die verzamelnaam voor gewoonten, kijk / vanaf hier kan je het bijna zien, het haperende beeld van de herinnering’ (in ‘Kooldreef’). Soms gaat het om gebeurtenissen die wonden hebben geslagen en onbespreekbaar sluimeren in de herinnering. Zo lijkt het in ‘Gaarde’ te gaan om de zelfmoord van een gekoesterde zoon en om familiegebonden associaties van de ik-figuur:
 
De huizen lopen aan de achterkant uit in moestuinjes
in de kroppen sla herken ik de trekken van mijn vader
die boven zijn akker naar binnen buigt, het binnenste hart
verstopt achter de schutbladen van tegenslag
en moeizaam bij elkaar druppelende dagen
zoals het water in de blauwe regenton maar langzaam
de naam van een zoon verdrinkt
zo ken ik hem: naar binnen gebogen
zo vouwt hij zijn stem op, slaat soms de hark wat letters
in ongewisse grond en vast heeft hij nog dromen
maar nooit vertelt hij waarover
moeder wordt elke nacht wakker van knappende koorden
ze moet de touwbrug over het ravijn oversteken
tot bij haar echgenoot, ze kan nooit verder dan het midden komen
de grond in de diepte
wordt niet bestuurd door wat er groeit, maar door wat er op te pletter valt
 
In de reeks ‘Die stiekeme blik’ van Lies van Gasse verwijst de titel van elk gedicht naar een lichaamsdeel, zoals inleider Jooris van Hulle in zijn voorwoord trouwens opmerkt. Het openingsgedicht ‘Schaambeen’, dat de tijd als het ware op zijn kop zet, was eerder ook in Wassende stad al opgenomen. Het registreert de langzame groei van een baby in omgekeerde zin: als een terugkeer naar de embryonale omgeving van de baarmoeder. Het vegetale motief (‘je viel uit de lucht als takken’) keert in menig gedicht van Van Gasse terug. ‘Elleboog’ begint zo:

‘Het is herfst in de binnenstad, / en ik denk aan mijn lichaam, / dat bladeren verliest’ en in ‘Voorarm’ herinnert de ik-figuur zich de arm die haar als baby ondersteunde: ‘de knoestige, warme tak onder mijn buik, / het lichaam dat me de hoogte in wiegde’.
 
Voor de ik-figuur is kijken naar de buitenwereld van anderen een vorm van herinneren/herdenken, van terugkeren naar het nog jonge eigen verleden:  
 
‘Eens per week maak ik een tocht
naar een leven dat ik vroeger heb geleid.
 
Onze wereld is zo klein.
 
Tussen de takken, achter glas,
kijk ik naar wat geschilderd staat daarbinnen’ (’Die stiekeme blik’).
 
Soms leidt het voyeuristisch observeren tot een gedeeld blikveld waarin de uiterlijke gestalte van een poserende vrouw en de innerlijke gestalte van de ik-verteller op elkaar aansluiten. Misschien gaat het om een soort ‘eeuwig moment’ – een term van Maarten ’t Hart – waarop het zomerse heden, het gekoesterde verleden en de liefdevolle toekomst elkaar kortstondig doordringen. Van Gasse vertaalt die romantische gedachte in ‘Binnenoor’) subtiel als volgt:
 
Tussen de takken, achter glas,
staat een donkere vrouw.
Ze veegt een doek over je blik,
kijkt naar het geschilderde gras daarbinnen.
Kader in kader kijk ik, onuitgenodigd,
naar een herinnering aan een herfstdag,
naar twee gestalten die, wit van liefde,
de ogen aan een krans van takken klitten.
Nu is het zomer in Beernem.
Warm ruisen treinen in mijn binnenoor.
Een donkere vrouw veegt de spons
over een al te koude herfst.
De schilder koopt zich een fijner penseel,
oefent zich in groener gras
.
In het dorp dat Van Gasse evoceert of schildert ‘druppelt het kind dat voorbijkomt’, ‘regent het man met hond’ – een echo van Tsjechovs tot cliché gestolde ‘dame met het hondje’? – , heerst een stilte die tot ingehouden ademen aanzet. Het gedicht ‘Vinger op de zich strekkende hals’ begint met een half-welkome, half-vermanende invitatie: ‘Kom binnen, vreemdeling, / maar adem niet.’ Een gematigde versie van diezelfde invitatie sluit ook het gedicht af: ‘Kom binnen, vreemdeling, / maar adem niet te luid en niet te lang. / Nog even is het stil in huis’. Het dorp verleidt de ik-figuur ook tot een mijmering over wat dit dorp zo uitzonderlijk of aanstekelijk maakt. Is Beernem ‘doorzichtiger’ of ‘statiger’ dan ‘het andere, enkele straten verder’? Een vraag zonder antwoord, tenzij het gebroken hart mag spreken, zoals in het gedicht ‘Aorta’: ‘Het allermooiste hart is het hart dat opgespannen staat van liefde. / De allermooiste wond is de wond die open valt van tijd’. Verzen die terugkeren in het slotgedicht ‘Tong’, waarin een ik-figuur in een verlaten pand vruchteloos uitkijkt naar de terugkeer van een wellicht harteloze geliefde:
 
Ik vraag me af wanneer je voetstappen de trap weer zullen kraken.
Ik wacht, maar ik heb al zo vaak en lang gewacht
en vraag me af wanneer de ochtend weer zal klaren.
De laatste dagen zwelt de deur, en angstig kijk ik door de kieren van dit huis.
De brievenbus eet kranten, ik proef de snee die je hebt nagelaten, kus de wonde.
De allermooiste wonde is de wonde die open valt van liefde.
 
Zowel Van Gasse als Van den Broeck hebben gedichten geschreven die de lokale realiteit van Beernem poëtiseert en er tegelijk een universele dimensie aan verleent. Ze zijn dan ook terecht gebundeld in een typografisch heel verzorgde uitgave. Wie beide dichters graag leest, moet zich deze innemende gedichten beslist aanschaffen.

Charlotte van den Broeck en Lies van Gasse, Ooghoek. Twee dichters, een dreef en een dorp, PoëzieCentrum en Màrmelade, 2017, 53 p. ISBN 9789056551674

deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri