Misdaad

BOEKEN NR. 8, SEPTEMBER 2017

Deon Meyer: Koorts

door Jooris van Hulle

In het korte openingshoofdstuk van zijn roman Koorts laat Deon Meyer de zevenenveertigjarige Nico Storm aan het woord in een soort intentieverklaring rond wat hij voor ogen heeft:  
 
‘Ik wil je vertellen over de moord op mijn vader. […] Mijn memoires, mijn moordverhaal. En mijn onthulling, zodat iedereen de waarheid kan weten.’  
 
Dat Meyer zijn roman introduceert als ‘een moordverhaal’, kan worden gezien als een captatio benevolentiae aan het adres van de lezer, die de auteur in de eerste plaats kent als misdaadschrijver die onder meer met zijn Bennie Griessel-reeks internationaal wist door te breken. In zijn ‘Dankwoord’ wijst Meyer erop dat ‘Koorts vier jaar van onderzoek en schrijven heeft gevergd.’ Het resultaat liegt er niet om: een vuistdikke roman, die mede door de aanpak en de visie die erin wordt verwoord, wel eens geijkt zou kunnen worden als het ‘magnum opus’ binnen het oeuvre van deze Zuid-Afrikaanse auteur.
 
De Amanzi-kroniek
In wezen kan Koorts worden gelezen als een post-apocalyptische roman: een allesverwoestend virus (de Koorts) heeft niet alleen Zuid-Afrika, maar de hele wereld getroffen. Wie wist te overleven, dankte dat alleen aan een zeldzaam voorkomend immuunsysteem. Samen met zijn vader Willem trekt ik-verteller Nico naar een plek bij de Vanderkloof-stuwdam om daar een nieuw leven op te bouwen:
 
‘We willen hier een nieuw begin maken. We willen een gemeenschap stichten met moraliteit, met de juiste principes, mensen die om elkaar geven.’
 
En verder luidt het: ‘We willen alle goede mensen hierheen lokken.’ Al snel komen overlevenden van de wereldramp naar de kloof afgezakt en ontstaat een samenleving die hoe dan ook aan regels en wetten – tot zelfs een grondwet toe – nood zal hebben. En de naam die de nieuwe plek krijgt, luidt ‘Amanzi’, het Zoeloe- en Xhosawoord voor ‘water’. Een perfecte naam binnen het opzet van vader Storm: water als leven brengend en levensnoodzakelijk element op het Afrikaanse continent, en bovendien recht doend aan de twee grootste stammen in Zuid-Afrika.  
 
Wat verder volgt, tekent, met de aanvullingen bij het ik-relaas van Nico door de getuigenissen van mensen in het Amanzi-geschiedenisproject, de groei en uitbouw van de gemeenschap, waarin politiek en godsdienst hun plaats moeten zien te vinden. Binnen deze optiek bevat de roman een aantal fundamentele bedenkingen over het functioneren van de democratie. Deon Meyer belicht het probleem onder meer vanuit het tegenlicht. Zo legt hij Domingo, een lid van de gemeenschap dat pas aan het slot van de roman ook echt wordt getekend vanuit zijn verleden, deze bedenking in de mond: ‘Zelfs in een volmaakte wereld is democratie een puinhoop. Deze wereld is totaal naar de kloten. Wat hier nodig is, is een welwillende dictator.’ Een uitspraak die in het licht van actuele politieke tendensen tot nadenken stemt. En dat pastor Nkosi een gemeenschap wil waarin godsdienst primeert boven het staatsbelang en de scheiding tussen kerk en staat afwijst, prikkelt al evenzeer.
  
Beschaving versus geweld
Hoe nobel ook, misschien zelfs naïef-idealistisch, de betrachtingen van Willem Storm mogen zijn, zijn samenleving komt onder druk te staan. Concreet neemt die bedreiging vorm aan in de overvallen die gepleegd worden door de KTM-bendes, groepen van motorrijders die erop uit zijn te moorden en te stelen. Ook hier vormt Domingo de tegenstem in het geheel van de Amanzi-leefgroep. Hij is er, mede door de ervaringen uit zijn verleden, van overtuigd dat beschaving slechts een flinterdun laagje vernis is:  
 
‘We zijn dieren. Sociale dieren. Gedomesticeerde sociale dieren. Dun laagje beschaving. Zachtaardige dieren zolang de wereld oké is, zolang de sociale omstandigheden onverstoord en normaal zijn. Maar als je de omstandigheden verstoort, dan slijt het laagje vernis eraf. Dan worden we wild, dan worden we predators, killers, jagen we in troepen.’
 
Vandaar zijn mantra waarvan hij Nico tracht te overtuigen: ‘The other guy wants to kill me. Als ik aarzel ben ik dood.’ Voor de opgroeiende Nico – hij is zestien, zeventien als het drama rond zijn vader zich afspeelt – is het moeilijk kiezen: moet hij zich, mede door de afwezigheid van de moederfiguur, inschrijven in de zachtaardigheid van zijn vader, of is het eerder van belang een ‘vechter’ te zijn in alle betekenissen van het woord?  
 
Meyer duidt de psychologische Werdegang van zijn ik-verteller in afgemeten bewoordingen, zonder daarbij te oordelen of te veroordelen. Ook over zijn land spreekt Meyer op een ingehouden manier. Over de omgeving van de Vanderkloof stuwdam, zegt de vader: ‘Godsamme, Nico, wat is dat mooi. […] Ik denk dat het zo was voordat de Europeanen kwamen. Afrika.’ Maar ook, ditmaal bij monde van een ander lid van de gemeenschap:  
 
‘Nero vertelde me dat dit volgens hem het grootste probleem in het Zuid-Afrika van voor de Koorts was. De schade die het gezinsweefsel in de achtergestelde gemeenschappen had opgelopen was zo groot dat de samenleving gewoon niet kon herstellen.’
 
Het land en zijn blijvende problemen…
 
Literaire krachttoer
Voor de uitwerking van de ideeën heeft Deon Meyer een sterk literair kader gecreëerd. De 120 hoofdstukken van Koorts zijn, spelend met flash-backs en vooruitwijzingen die als cliffhangers fungeren, gevat binnen de lineair-chronologische structuur van de opeenvolgende jaren die worden aangegeven met concreet te duiden verwijzingen naar de dierensymboliek: het Jaar van de Hond, het Jaar van de Kraai, het Jaar van de Jakhals… De afwisseling van ik-fragmenten, waarin Nico de plot voortstuwt, met getuigenissen die werden opgetekend uit de mond van verschillende leden van de Amanzi-gemeenschap, zorgt ervoor dat het geheel caleidoscopisch wordt en de lezer op die manier meer krijgt aangereikt dan een louter individuele benadering van de problematiek.

Verdere staat Deon Meyer ook stil bij het schrijven zelf. Zo bv. deze uitspraak: ‘Nostalgie is de grote verleider van de schrijver van memoires.’ En over het belang van fictie:  
 
‘Pa zei dat we het enige organisme zijn van wie het gedrag drastisch kan veranderen doordat we fictie kunnen scheppen. Fictie die zo groot en sterk is dat mensen er in steeds grotere groepen door worden verbonden, om tot steeds grotere dingen in staat te zijn.’
 
En wat Domingo in zijn rechtaan rechttoe visie vertolkt over Facebook:  
 
‘Dat was voor mij het toppunt van wat er mis was in de maatschappij, want je hebt al die friends, maar dat zijn geen echte friends, dat zijn mensen voor wie je een foto kan posten van je ontbijt en je schattig katje. […] Dat deden ze alleen omdat ze je nodig hadden als publiek. […] De maatschappij was zo onpersoonlijk geworden
dat we onszelf moesten laten bevestigen door zoiets als Facebook.’
 
Zo houdt Koorts de lezer een spiegel voor. Wat die erin ziet, lijkt niet steeds even fraai.

Deon Meyer: Koorts, Bruna Amsterdam 2017, 544 p. ISBN 9789400508262. Vertaling van Koors uit het Afrikaans door Martine Vosmaer en Karina van Santen . Distributie: WPG Uitgevers


deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri