Nederlands proza

BOEKEN NR. 9, OKTOBER 2017

Jannie Regnerus: Nachtschrijver

door Katja Feremans

Een ziekenboeg voor kunstwerken, zo noemt Hannah het restauratieatelier achter het Rijksmuseum in Amsterdam, waar ze onder het nagebootste daglicht priegelend met wattenstaafjes de vernislaag van schilderijen verwijdert, om vervolgens scheuren en barstjes in de verfhuid van de doeken te helen.

De levendigheid die terugkeert door de werken tot slot weer te vernissen, doet haar denken aan de glans en de diepte in de poëzie van de Friese dichter Blindman: door een oogziekte is zijn wereld rond zijn twintigste ontkleurd, ‘wat ervan overblijft is een grisaille, een onderschilderij in grauwtinten’. Toch straalt er immens veel kleur af van zijn verzen.

Hannah probeert te begrijpen hoe die sprekende beelden ontstaan in de beslotenheid van het verduisterde hoofd van de blinde dichter. Ze stelt zich voor dat er zich onder zijn schedeldak een museum bevindt, waar hij de tekeningen en schetsen heeft opgeslagen die hij als een bezetene begon te maken, zodra duidelijk werd dat hij de aandoening had die langs de bloedlijn van zijn moederskant willekeurig werd doorgegeven.

Nog een bedenking van Hannah: ‘Als kind heeft Blindman de akkers rond vaders boerderij met verbeelding ingezaaid, decennia later blijkt hoe groeizaam die zwarte bedding voor zijn poëzie is geweest’. In ruil voor zijn woordschilderingen die haar Friese geboortegrond na haar vijfentwintig stadse jaren weer tot leven brengen, helpt zij hem tijdens hun ontmoeting op de Waddeneilanden om vervaagde details boven te halen van schilderijen die hij ooit zag in het Rijksmuseum. In de ijle lucht boven de duinen tekent zich zo ‘Het melkmeisje’ van Vermeer af.

In deze fragiele roman draait er veel rond zien, maar ook rond (aan)geraakt worden. Er is bijvoorbeeld de scène waarin Ruben, Hannahs nieuwe liefde, samen met haar in de blindenkerk het parcours aflegt, dat bezoekers wil doen ervaren dat het donker van de nacht niets voorstelt vergeleken bij de inktzwarte duisternis die een blinde omringt.  

‘Ik voel zijn vingertoppen die voorzichtig mijn gezicht aftasten, […]. Zijn aanraking is teder, als van een moeder die voor het eerst haar pasgeborene bevoelt en daarmee het nieuwe leven bevestigt’.

Jannie Regnerus schiep Blindman naar het beeld van Tjsêbbe Hettinga (1949-2013), wiens verzameld werk Het vaderpaard / It faderpaard in 2017 is verschenen bij De Bezige Bij. Ze heeft de Friese dichter enkele keren ontmoet. Onder meer diens manier van voordragen is in die van Blindman geslopen:  

‘Op de lengte van een ademstoot laat Blindman zijn stem door de lucht wentelen, duiken en weer stijgen als de vogels in het gedicht. Terwijl hij me benevelt met een hymne over graan en een dampend paardenlijf sluit ik mijn ogen. Met gesloten ogen kan ik me nog scherper afstemmen op zijn frequentie en betreed ik de wereld van zijn binnenoog’.  

Al leunt Nachtschrijver dicht tegen de werkelijkheid aan, het is wel degelijk fictie.

In 2001 woonde Jannie Regnerus (1971), beeldend kunstenares en schrijfster, een jaar in Japan. Haar liefde voor dat land legde ze vast in Het geluid van vallende sneeuw. Die liefde werkt nog door in het vleugje Japan dat hier en daar in Nachtschrijver doorschemert. Aan haar wonderlijke belevenissen en ontmoetingen in Mongolië is haar eerste reisboek gewijd.

Nachtschrijver
is na De ent en Het lam haar derde roman. In dit beeldschone proza lichten woorden en zinnen op, net zoals het gespikkelde verenkleed van de jonge spreeuwen, dat in Hannahs bijzijn in een stationshal door de zon in een paarsgroene gloed wordt gezet.

Jannie Regnerus: Nachtschrijver, Atlas/Contact, Amsterdam 2017, 109 p. ISBN 97890254 44518. Distributie: VBK België


deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri