Non-fictie

BOEKEN NR. 11, DECEMBER 2017

E.M. Cioran: Een kleine filosofie van verval

door Jan Baes

Geboren in Roemenië als zoon van een pope, vertrekt Cioran (1913-1995) in 1937 naar Parijs om er de rest van zijn leven te blijven. In 1949 verschijnt zijn eerste, in het Frans geschreven boek, Précis de décomposition, dat nu voor het eerst, en in een vrij precieze Nederlandse vertaling van de hand van Pieter Appels, verschijnt onder de titel Een kleine filosofie van verval. Het is goed om weten dat hij deze bundel korte essays oorspronkelijk ‘Exercises négatifs’ wilde noemen.
 
In het toenmalige wereldje van filosofie en literatuur sloeg het in als een bom, ook al omdat het naadloos aansloot bij de denkmode van zijn tijd, het existentialisme; zij het dat Cioran zich van meet af aan verzette tegen iedere vorm van recuperatie. Niet voor niets zijn de denkers waarmee hij zich het meest vereenzelvigde Diogenes en Nietzsche. Helemaal in hun geest verwierp hij iedere uitleg of verklaring van zijn werk als nutteloos, erger nog, als een ontwijding ervan. Voor hem staat de tekst op zichzelf, is volkomen autonoom en verdraagt geen commentaar, een overtuiging die weinig enthousiasme wekte in de academische wereld.
 
Een gelijkaardig probleem stelt zich natuurlijk ook bij de vertaling van zijn teksten, zoals hier in het Nederlands; hoewel men zich ook de vraag kan stellen in hoeverre de Roemeen Cioran bij zijn overgang naar het Frans als schrijftaal, zelf ook geen risico’s nam. De soms hoge moeilijkheidsgraad, het hermetisme ook en zelfs het ongrijpbare van sommige van zijn formuleringen, wijst allicht op de moeilijkheid om zijn gedachten altijd accuraat om te zetten in de aangenomen taal.
 
Los daarvan staat Cioran - ook stilistisch - in een Oerfranse traditie die, met Montaigne, La Rochefoucauld, Chamfort, Valéry en vele anderen, meesters waren in de gebalde praktijk van het korte essay. Literair dikwijls even sterk als de uitgesproken filosofische gedachte of als de idee zelf, zoals Cioran het zou zeggen. Om te beginnen in de allereerste zin van het essay Genealogie van het fanatisme uit het eerste hoofdstuk Oefeningen in ontbinding :
 
‘Op zich is elk idee neutraal of zou dat moeten zijn; maar de mens bezielt het, projecteert er zijn vuur en waanzin in’.
 
Als ‘entrée en matière’ van de geest, één die er mag zijn, gelet op het spervuur van aforismen, bonmots en vlijmscherpe analyses dat er op volgt. Een kerngedachte ook die het hele werk van Cioran zal kleuren en in diverse gedaanten zal opduiken in de talrijke bundels die er tot aan zijn dood zouden op volgen.
 
Grasduinend doorheen deze eerste bundel vallen al gauw zinnen op als: ‘Er kan geen succes zijn in het leven van een dichter. Zijn kracht stamt uit al wat hij niet heeft ondernomen’, of ‘Alle inspiratie vloeit voort uit een vermogen tot overdrijven’, en ook ‘Het is ons recht ons een tijd in te beelden waarin wij alles zullen hebben overstegen, zelfs de muziek, zelfs de poëzie; waarin wij, hekelaars van onze tradities en onze hartstochten, een verloochening van onszelf zullen hebben bereikt dat wij, moe van een gekend graf, de dagen zullen doorkruisen in een versleten lijkwade’.
 
Het zijn gedachten over leven, kunst en kunstenaars die rechtstreeks verwijzen naar de diepere betekenis van Le temps retrouvé, het laatste deel van A la recherche du temps perdu. Cioran zet niet voor niets volgende citaat van Marcel Proust aan het begin van het tweede hoofdstuk: ‘Les idées sont des succédanés des chagrins’ (‘Ideeën zijn het surrogaat van droefgeestigheid’).

De idee van de absurditeit, de zinloosheid van het leven en de totale hulpeloosheid van de mens er tegenover - een hoofdthema in de naoorlogse Franse filosofie -, vindt in Cioran een medestander van formaat, zoals blijkt uit volgende ‘negatieve oefeningen’: ‘Het is omdat het op niets berust, omdat er zelfs geen schaduw van een argument voor te vinden valt, dat wij volharden in het leven. De dood is te exact, alle redenen bevinden zich aan zijn kant’.
 
De mens maakt geen enkele kans in Ciorans universum: ‘Ieder van ons is geboren met een dosis zuiverheid, voorbestemd om bedorven te worden door de omgang met mensen, door de zonde tegen de eenzaamheid’, en er is ook geen heil mogelijk want ‘Leven betekent: geloven en hopen - liegen en zichzelf beliegen. Daarom is het meest waarachtige beeld dat men ooit van de mens heeft gemaakt dat van de ridder van de Droevige Figuur’.
 
Ondanks alles blijven we doorgaan, want ‘Er bestaat een vulgariteit die ons om het even wat in deze wereld doet aanvaarden, maar die niet sterk genoeg is om ons de wereld zelf te doen aanvaarden. Hiermee kunnen we de kwellingen van het leven verdragen terwijl we het leven verwerpen’. De Nietzsche van ‘God is dood’ is nooit ver te zoeken:

‘Alle waarheden zijn tegen ons. Maar wij blijven doorgaan met leven, omdat wij ze op zich aanvaarden, omdat wij weigeren er de gevolgen uit te trekken’. Zelfs als die ultiem zijn: ‘Waarom heb je niet de kracht je te onttrekken aan de verplichting om te ademen ? Waarom nog die gestolde lucht ondergaan die je longen verstopt en je huid verplettert?’
 
Gelet op die overdracht van onvermogen rest ons weinig perspectief valt is de uitkomst te voorzien. Immers ‘Er bestaan harten waarin God niet kan kijken zonder zijn onschuld te verliezen’ en ‘Wanneer we ons niet van onszelf kunnen bevrijden, zullen we onszelf met alle plezier verwoesten’.

Het laatste essay uit deze eerste verontrustende bundeling stelt de van fatalisme en ‘droefgeestigheid’ doordrenkte vraag Quousque eadem? (Meer van hetzelfde…Hoe lang nog?).
 
‘Dat de ster waaronder ik ben geboren voor eeuwig vervloekt mag zijn, dat geen enkele hemel haar wil beschermen. Dat zij in de ruimte verbrokkelt als een eerloos stukje stof ! […] Hoelang moet ik nog tegen mezelf herhalen: ‘Ik verafschuw dit leven dat ik aanbid’?’
 
Conclusie : een subliem dwarsdenker en een weerbarstig pessimist.
 
E.M. Cioran: Een kleine filosofie van verval, Historische Uitgeverij, Groningen 2017, 279 p. ISBN 9789065545800. Vertaling van Précis de décomposition 

deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri