Poëzie

BOEKEN NR. 11, DECEMBER 2017

Yannick Dangre: Nacht en navel

door Dirk De Geest

Yannick Dangre is, ondanks zijn nog jeugdige leeftijd, ondertussen al de auteur van een drietal romans en een paar dichtbundels. In die zin komt in deze bundel dan ook geen beginnend schrijver aan het woord, maar iemand die al de contouren van een oeuvre met zich meebrengt.

Essentieel bij Dangre is de zoektocht naar identiteit. Voortdurend gaan zijn hoofdpersonages – in de poëzie is dat het dichterlijke ik – op zoek naar een plaats die ze als de ‘hunne’ kunnen beschouwen. Dat kan letterlijk een thuis zijn of een heimat, maar veel belangrijker is de plaats in een relatie, in een gemeenschap, in een tijdperk. De onwennigheid van de mens wordt telkens geanalyseerd op een manier die tegelijk toegankelijk is naar de lezer toe en toch ruimte laat voor mysterie en nadenken. Antwoorden blijken vaak vraagtekens te verbergen.
 
Dat laatste geldt zeker voor de gedichten, waarin Dangre naar mijn mening verder gaat dan in zijn proza. De gedichten uit Nacht en navel bieden daarvan een goede staalkaart. De titel – voor mij niet bijzonder smaakvol, maar wie ben ik – brengt op een provocerende wijze die binnen- en buitenwereld samen. ‘Navel’ verwijst naar het lichaam, naar de seksuele aantrekkingskracht, maar ook naar het navelstaren. De combinatie van nacht en nevel is daarentegen mythisch geworden voor de gruwelen van de Holocaust, en algemener voor het zinloos lijkende geweld in de moderne samenleving. Beide componenten worden in de bundel niet enkel naast elkaar geplaatst maar in feite ook met elkaar verwezen: de intimiteit en de maatschappij lijken in sommige opzichten elkaars spiegelbeeld: soms ontluisterend, elders vervormend en daardoor vervreemdend.
 
Formeel is de bundel haast perfect opgebouwd: vijf reeksen van telkens zeven gedichten worden geflankeerd door een openings- en een slotvers. De bundel opent met een gedicht over de naamloze vluchtelingen en de haast onverschillige wijze waarop wij het dagelijkse nieuws daarover achteloos registeren. Omgekeerd vormt het einde een passionele liefdesverklaring waardoor de privésfeer als het ware het slotakkoord vormt. Tegelijk gaat het niet om een zich opsluiten in het reservaat van de intimiteit, aangezien buiten- en binnenwereld elkaar onmiskenbaar beïnvloeden. Dat is al merkbaar vanaf de eerste reeks die een aantal erotische verzen groepeert; dat de geliefde ‘Lolita’ wordt genoemd is al een (zoveelste) knipoog naar de culturele bagage die de dichter meedraagt. Het zijn brede retorische gedichten vol beelden, op een haast hymnische toon die doet denken aan Nic van Bruggen, Herman de Coninck of Hugo Claus. De ironische toon leidt echter niet altijd tot beklijvende verzen, ook al omdat sommige beelden een averechts effect dreigen te hebben.
 
De reeksen waarin Dangre zich richt op de maatschappelijke realiteit zijn alvast homogener van toon, maar ook hier maakt de dichter soms een bizarre indruk in de hoop de lezer te imponeren. Zo laat hij zich nadrukkelijk inspireren door de terreurdreiging van IS en de aanslagen (ook in Zaventem). De reeks ‘Moi je m’appelle’ gaat resoluut op zoek naar de dieperliggende motieven van de terroristen (die zichzelf veeleer zien als bevrijders en revolutionairen), maar doet dat door een aantal protagonisten in de ik-persoon aan het woord te laten.
 
Op die manier tracht hij een meer empathische blik van binnenuit tot stand te brengen, door hun motieven nader te belichten. Het blijkt dat zij zich ergeren aan aspecten van het alledaagse Westen en dan telkens hun bekering of hun daad ervaren als een keerpunt. Toch brengt die verrassende perspectiefwisseling weinig diepgang met zich mee, en de reeks laten eindigen met een verbaasde Allah is niet echt een climax. Naar mijn mening valt Dangre minder uit zijn rol wanneer hij zich niet als een Dichter met hoofdletter wenst te gedragen, maar nauwgezet registreert wat zich rond hem en aan hem voordoet. In de centrale reeks verkent hij zo op indringende wijze de twijfels rond zijn eigen dichterschap en zijn eigen jeugd. Ook de reeks gedichten rond steden – van Aleppo en Molenbeek tot Vaticaanstad – is tegelijk bescheiden en intens van toon.
 
Dangre heeft talent, dat staat buiten kijf, maar hij weet niet altijd evengoed te doseren. Zijn gedichten gaan soms alle kanten uit (ook binnen een zelfde vers), maar op andere plaatsen wordt de lezer geraakt door pertinente beelden, fraaie opmerkingen, een nieuw en plots inzicht. Als de dichter erin slaagt wat kritischer te staan tegenover zijn eigen vingeroefeningen zal zijn poëzie misschien zelfs onmisbaar worden.
 
Yannick Dangre: Nacht en navel, De Bezige Bij, Amsterdam 2017, 59 p. ISBN 9789023449867. Distributie: WPG UItgevers

deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri