Poëzie

BOEKEN NR. 11, DECEMBER 2017

René Char: Woede en mysterie

door Laurent De Maertelaer

René Char, magiër van het onzekere
 
Uitgeverij IJzer werkt gestaag en onverdroten aan een heuse René Char-bibliotheek. Na de eerste integrale vertaling van het vroege, surrealistische De onbeheerde hamer, inclusief het toemaatje Eerste molen (respectievelijk Le marteau sans maître, 1934 en Moulin premier, 1936 ), is er nu — amper een jaar later — Woede en mysterie, Chars belangrijkste werk en volgens de publiekspeiling van Le Monde in 1999 een van de beste 100 boeken van de twintigste eeuw.
 
Wellicht om aan te geven dat er nog delen zullen volgen, is Woede en mysterie op een identieke manier als De onbeheerde hamer uitgegeven: het is wederom een gebonden editie met stofomslag en leeslint, in een strakke, sobere vormgeving en verschenen in een gelimiteerde, genummerde oplage (311 voor De onbeheerde hamer, 100 meer voor Woede en mysterie). Bovendien gaat het telkens om een tweetalige editie met integrale vertalingen die voorzien zijn van een uitgebreid notenapparaat, een korte inleiding, een nawoord en een beknopte bibliografie. Beide vertalingen zijn van de hand van Anno Lampe, die ook de inleidingen, de toelichtingen en noten verzorgt.

In de Poëziekrant (‘René Char jammerlijk verknoeid’, jaargang 41, nummer 4) maakte dichter, criticus en literair vertaler Bart Vonck brandhout van Lampes vertaling van Le marteau sans maître. Vonck eindigt zijn vlammende recensie met de woorden: ‘Ik hoop dat uitgeverij IJzer goed nadenkt alvorens ze ook de vertaling van Fureur et mystère aan deze moordende hand uitlevert.’ Niet dus, want Lampe vertaalde Woede en mysterie en helaas is ook die vertaling in hetzelfde bedje ziek. Meer dan eens — toegegeven, minder dan in De onbeheerde hamer — zijn de keuzes van de vertaler onbegrijpelijk of doen ze op zijn minst de wenkbrauwen fronsen.  
 
In ‘Violences’ bijvoorbeeld wordt ‘Des fleurs serviles se recueillent’ vertaald als ‘Slaafse bloemen concentreren zich’. ‘Concentreren’ is een verrassende vertaling van het werkwoord ‘recueillir’ (verzamelen, plukken). Een beetje verder, in ‘Envoûtement à la Renardière’ vertaalt Lampe ‘Dès lors que les routes de la mémoire se sont couvertes de la lèpre infaillible des monstres […]’ als: ‘Sinds de wegen van het geheugen werden bedekt met de onvermijdelijke melaatsheid van de monsters’. ‘Infaillible’ betekent ‘onfeilbaar’, ‘foutloos’, niet ‘onvermijdelijk’. Dit zijn maar enkele voorbeelden uit de eerste bundel ‘Seuls demeurent’. Lampe trekt zijn wispelturige vertaallijn over het hele boek door. Eerlijkheidshalve dient gezegd dat Lampes vertaling vaak ook elegant, vindingrijk en raak is. Jammer genoeg ontsieren fouten zoals deze hierboven deze inspanning.

In de inleiding bij De onbeheerde hamer stelde Lampe (een microbioloog en kunstverzamelaar) dat zijn vertaling probeert ‘een hulpmiddel te zijn, een interpretatie van niet-alledaags Frans.’ Deze stelling parafraseert hij in de inleiding bij Woede en mysterie: ook hier gaat het over ‘hulp’ en ‘een houvast’ bieden, alsof de vertaler zichzelf opnieuw wil indekken. Ondertussen is duidelijk dat Lampe het Italiaanse traduttore, traditore (‘vertaler, verrader’) aanhangt. Daarentegen, in de twee erg uitgebreide notenapparaten (voor elk deel telkens tussen de 70 en 80 pagina’s) maakt Lampe veel goed: deze zijn bijzonder leerrijk en verhelderend, garanderen een diepere lectuur en zetten aan tot nadere beschouwingen. Lezers die het Frans voldoende beheersen om de vertaling te toetsen aan het origineel, zullen zich af en toe ergeren aan de bokkensprongen van de vertaler. Wie het Frans minder machtig is, zal erover lezen en de diepgang van Chars verzen waarderen mede dankzij de toelichtingen.
 
Fureur et mystère bevat verschillende dichtbundels die Char schreef tussen 1938 en 1947. Woede en mysterie bestaat uit drie grote delen: ‘Seuls demeurent’ (1938-1944), ‘Feuillets d’Hypnos’ (1943-1944) en het zelf ook weer uit drie delen bestaande derde deel: ‘Les loyaux adversaires’ (zonder jaartal), ‘Le poème pulverisé’ (1945-1947) en ‘La fontaine narrative’ (1947). De afzonderlijke delen verschillen sterk van elkaar wat vorm en inhoud betreft. Elk deel krijgt in het notenapparaat een uitgebreide inleiding, de meeste van de gedichten worden apart toegelicht.
 
Het eerste deel van Woede en mysterie, de bundel ‘Seuls demeurent’, bestaat uit drie subdelen. Het eerste, ‘L’avant-monde’, is een geheel van tweeëndertig prozagedichten over de creatieve daad van het dichten en de dichter als activist. Char gebruikt hier vooral beelden uit de sterrenkunde en de mythologie, maar ook de natuur krijgt een prominente plaats. Het tweede deeltje, ‘Le visage nuptial’, is een lyrisch intermezzo van vijf liefdesgedichten. Het wordt gevolgd door het laatste onderdeel van ‘Seuls demeurent’, ‘Partage formel’: vijfenvijftig aforistische fragmenten waarin Char de balans van zijn dichterschap opmaakt, afgesloten met het mooie prozagedicht ‘Mission et révocation’.
 
De kern en het absolute hoogtepunt van Woede en mysterie is het tweede deel, ‘Bladen van Hypnos’. Deze indrukwekkende bundel omvat tweehonderdzevenendertig aantekeningen (‘feuillets’ of ‘bladen’) en een afsluitend gedicht ‘De eiken roos’, gemaakt tussen 1943 en 1944. De reeks toont aan wat poëzie in oorlogstijden voor Char betekende. In die woelige periode was hij de leider van een verzetsgroep die wapendroppings organiseerde vanuit het dorp Céreste in de Provence. Prachtig is het gedicht aan Marcelle Pons, Chars geliefde en mede-maquisard (‘ma renarde’ noemde hij haar, naar het vos-embleem van de maquis). Het oorlogsdagboek De ziel van het gebergte van Marcelles dochter Mireille Sidoine-Audouy (eveneens uitgegeven door IJzer en vertaald door Anno Lampes partner Lex Plompen; Lampe zelf schreef een nawoord) is essentiële secundaire lectuur voor een goed begrip van de raadselachtige bundel. De belangrijkste thema’s in ‘Bladen van Hypnos’ zijn de plaats van poëzie en de dichter in tijden van oorlog (de verbeelding, de schoonheid, de muze), de verzetsbeweging (de kameraadschap tussen de strijders, de tactiek van de maquisards, grafmonumenten voor gesneuvelde kameraden, de minachting voor collaborateurs), het mystieke van de natuur en de onschuld van het kind.
 
Na de apocalyptische gedichten van ‘Bladen van Hypnos’ volgt met ‘Loyaux adversaires’ een lyrische, bijna idyllische onderbreking van dertien gedichten. In het volgende onderdeel, ‘Le poème pulvérisé’ plooit de dichter Char op zichzelf terug. In deze twintig teksten, meestal in proza, dagzoomt het mysterie. Het gedicht is meer dan esthetiek, het is de plaats waar schoonheid, liefde en het onzekere elkaar ontmoeten. Het ‘verpulverde gedicht’ bouwt op ‘het oude’ verder aan ‘het nieuwe’. Het is ook de bundel waarin Char de fysieke liefde tussen man en vrouw onverbloemd bezingt. De negen gedichten van 'La fontaine narrative’ sluiten Woede en mysterie af. Poëzie is een eeuwige 'bron', die steeds zal blijven ‘verhalen’.
 
Tijdens de oorlog wilde Char niet publiceren, maar om een stem te geven aan zijn woede over de oorlogswaanzin bleef hij wel schrijven. Voor hem zijn poëzie en waarheid synoniemen: de verbeeldingskracht van de dichter schept hoop op een nieuwe toekomst. Die ongrijpbare kracht is het mysterie: ‘Woede en mysterie, om beurten verleidden en verteerden ze hem [de dichter]’.
 
Char vertalen is zeker een uitdaging. Hij staat te boek als een moeilijk dichter en dat is niet onterecht. Maurice Blanchot schreef over hem: ‘[…] sa poésie est révélation de la poésie, poésie de la poésie.’ Zijn stijl is compact, meerduidig, aforistisch en sterk metaforisch. Hij gebruikt vaak filosofische beelden, verwijst naar mythologie, alchemie of religie, plaatst zijn poëzie in een groter perspectief. De intense muzikaliteit, met de vele speelse klankeffecten, en de aangehouden luciditeit maken Chars gedichten dan weer toegankelijk, vooral in zijn schitterende liefdesgedichten en onvergelijkbare verzen over de natuur. Zijn poëzie heeft de reputatie hermetisch te zijn. Niets is minder waar: Char wil wel degelijk een boodschap overbrengen, begrepen worden, het mysterie oproepen. Dat vraagt soms een extra inspanning van de lezer. In gedicht XLI uit de bundel ‘Partage formel’ klinkt het als volgt:
 
‘In de dichter huizen twee zekerheden: de eerste geeft onmiddellijk haar hele betekenis prijs in alle varianten waarin de externe werkelijkheid zich voordoet; ze graaft zelden diep, is alleen adequaat; de tweede bevindt zich geïntegreerd in het gedicht, ze verwoordt de bevelen en interpretaties van de machtige en grillige goden die in de dichter wonen, geharde zekerheid die niet verslapt of uitdooft. Haar hegemonie is kenmerkend. Uitgesproken beslaat ze een aanzienlijk gebied.’
 
De tweede betekenis moet de lezer zien te achterhalen. Wanneer die onderliggende betekenis — ‘de hoogste graad van het begrijpelijke’ — zich openbaart, dan is dat een moment van epifanie. Onversneden en puur leesgenot. Die gelukzaligheid overvalt eveneens de dichter:
 
‘Dichter zijn betekent zin hebben in een gevoel van onbehagen, waarvan de beleving [consommation], te midden van de wervelingen van al wat bestaat en wordt voorzien [pressenties], op het moment van verdwijnen [,] het geluk oproept.’
 
En zo is Chars poëzie niet enkel synoniem met woede en mysterie, maar ook met waarheid en zielsverrukking. In Blad 237 luidt het: ‘In onze duisternis is er niet een ruimte voor Schoonheid. Alle ruimte is voor Schoonheid’. Dat is exact wat Chars poëzie voor elkaar krijgt: plaats maken voor een unieke en onevenaarbare schoonheid.
 
René Char: Woede en mysterie, IJzer, Utrecht 2017, 464 p. ISBN 9789086841523. Vertaling van Fureur et mystère door Anno Lampe. Distributie: EPO 

deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri