Nederlands proza

BOEKEN NR. 1, JANUARI 2018

Tommy Wieringa: De heilige Rita

door Ine Kiekens

2017 was voor Tommy Wieringa een vruchtbaar jaar. In maart verscheen De dood van Murat Idrissi en in oktober was het de beurt aan De heilige Rita. In deze laatste roman volgen we het wel en wee van het 49-jarige hoofdpersonage Paul Krüzer die al zijn hele leven bij zijn vader in Mariënveen woont. Deze fictieve plaats situeert zich op de grens tussen Nederland en Duitsland en wordt omschreven als een verstild dorp waar de tijd is blijven stilstaan:  
 
‘Dat was de stand van zaken in dit deel van het land: wel een wolf, maar geen pinautomaat. Die hadden ze uit het dorp weggehaald. Te weinig transacties. […] Als je wilde, kon je nu tot vijftig euro extra pinnen bij de Plus. Zo leefde je in een krimpregio om de gebreken heen’.

Paul is wat men noemt een achterblijver: hij is in zijn geboortedorp blijven wonen en heeft zijn ouderlijke huis nooit verlaten. Daaruit vloeien de twee centrale thema’s van de roman voort: migratie en generatiekloof.
 
Het thema migratie vormt een rode lijn in het oeuvre van Wieringa. In het al genoemde De dood van Murat Idrissi of de veelgeprezen prijswinnaar Dit zijn de namen bijvoorbeeld spelen vluchtelingen een centrale rol. In De heilige Rita is het thema migratie voornamelijk vanuit het omgekeerde perspectief benaderd, namelijk dat van Paul, die nooit elders dan in Mariënveen heeft gewoond. Hij is diegene die geconfronteerd wordt met hoe anderen naar zijn dorp immigreren en hij observeert welke impact dat op het leven daar heeft.  
 
In feite kan Paul weinig positiefs over de ingeweken buitenlanders vertellen en dat is mede gegroeid door een traumatische ervaring uit zijn jeugd. Bij een vliegtuigongeluk belandt een Russische man in de tuin van de Krüzers en nadat die van zijn verwondingen hersteld is, trekt hij bij de familie in. Van het een komt het ander: de Rus en de moeder van Paul worden op elkaar verliefd en verlaten Mariënveen, waardoor Paul en zijn vader alleen achterblijven. Op die manier werd Pauls moeder hem op jonge leeftijd afgenomen en het feit dat hij daarvoor de Rus verantwoordelijk stelt, maakt dat hij voor Russen geen enkel goed woord over heeft. Wanneer hij een Russische man op café ontmoet, kan hij dan ook niets positiefs in hem zien:  
 
‘Toen Paul Krüzen uit gespreksflarden opmaakte dat het om een Rus ging en niet om een Pool, knorde hij van afkeuring. Russen, hij moest ze niet, hier niet en in de all-inclusiveresorts in Thailand of de Filippijnen niet, waar hij eens per jaar een paar weken met Hedwiges Geerdink verbleef’.
 
Ook andere nationaliteiten die naar Mariënveen komen, moeten het na een zekere tijd ontgelden. Zo is er de Thaise Lalita, die Paul in een bordeel had ontmoet en op wie hij stapelverliefd was geworden. Ze was bij hem ingetrokken, maar profiteerde van zijn financiële goedheid. Het duurde dan ook niet lang voor hij haar aan de deur zette. Verder is er ook de Pool Adamczyk, op wier diensten Paul een beroep doet wanneer hij zijn inboedel wil laten beveiligen met camera’s en hoogtechnologische snufjes. Op de volgende afspraak komt de Pool niet opdagen en hoewel het in roman niet expliciet wordt vermeld, past het binnen Pauls visie dat op dergelijke buitenstaanders niet kan worden gerekend. Tot slot zijn ook de Chinezen aan de beurt, die voor ‘ondankbare hondenvreters en ei-voor-kip-verkopers’ worden uitgescholden, wanneer ze besluiten om hun bar in Mariënveen te sluiten en naar Arnhem te verhuizen.
 
Veeleer dan echte klachten aan het adres van de immigranten moet Pauls afkeuring beschouwd worden als een confrontatie met zichzelf: ‘Zo gingen zijn verwijten rond, wrokkig en bedroefd, de lamentatie van een achterblijver’. Daaruit blijkt dat Paul allesbehalve tevreden is met zijn huidige levenssituatie. Dat hij bij zijn vader is blijven wonen, is door het vertrek van zijn moeder organisch gegroeid. Eerst zorgde zijn vader voor hem en naarmate de tijd verstreek, werden de rollen omgekeerd. Op die manier verspeelde Paul de kans op een zelfstandig bestaan. Dat dit zou gebeuren, is iets wat hij al vroeg beseft:
 
Nadat ze die avond het eerste gedeelte van Emmanuelle zagen, realiseerde hij zich dat zijn vader en hij zich feitelijk in hetzelfde schuitje bevonden. Na het vertrek van zijn echtgenote had zijn vader zich niet meer met andere vrouwen beziggehouden. Ze waren een mannenhuishouden en het leek ondenkbaar dat er zich ooit nog een vrouw in het besognes zou mengen.
 
De verstandhouding tussen vader en zoon loopt duidelijk niet altijd op wieltjes. Hoewel Paul zich als een goede mantelzorger gedraagt, is van een hartelijke relatie geen sprake. Vaak praten ze naast elkaar heen en Paul ergert zich op verschillende momenten aan de traditionele gebruiken van zijn vader. Hij wil er zich dan ook graag van distantiëren:
 
Lang geleden had Paul pasta en rijst aan het menu toegevoegd, zijn opstand tegen het regime van aardappelen. Al hield hij zelf ook het meest van aardappelen, je moest je ertegen verzetten. Je werd er simpel van.
 
Het is weliswaar pas naar het einde van de roman toe dat blijkt hoe verbitterd Paul tegenover zijn vader staat:
 
‘Dus ze zorgen goed voor je?’ vroeg hij. ‘Uit de kunst,’ zei zijn vader. ‘Toppersoneel.’ […] ‘En als je ’s wat nodig hebt, geen probleem hoor, meneer Krüzen. Topservice, ik kan niet anders zeggen.’ Een beetje zoals thuis dus, dacht Paul bitter, die zich niet kon herinneren ooit één woord van waardering gehoord te hebben.

Toch valt door de roman heen op hoe sterk hij op zijn vader lijkt. Ze delen hun scherpe afkeer voor Russen, blijken allebei onderhevig te zijn aan een uiterst sterke vorm van heimwee en kiezen in tijden van nood voor het gebed, ook al stond Paul eerder wat schamper tegenover religie: ‘En zat Paul vroeger achter in de kerk te hartenjagen, nu bad hij voorin om wraak’.
 
Het thema van de generatiekloof komt ook herhaaldelijk in andere romans van Wieringa terug en vormt dus een andere rode lijn in zijn oeuvre. In Joe Speedboot bijvoorbeeld is zichtbaar hoe een jongere generatie zich met afwisselend succes van hun ouders onafhankelijk wil maken en ook in De dood van Murat Idrissi zet Thouraya zich fel af tegen de levensstijl van haar ouders.
 
De vertelkracht van Wieringa zorgt ervoor dat De heilige Rita aangenaam en vlot wegleest. De schrijfstijl van de roman is gezapig en gebalanceerd. Dat het verhaal niet chronologisch wordt verteld, zorgt daarnaast voor een zekere spanningsboog. Wieringa wisselt af tussen scènes uit Pauls jeugd en diens volwassen leven. De afkeer die Paul voor Russen heeft, bijvoorbeeld, laat zich pas later verklaren wanneer de scènes over het vliegtuigongeluk en de scheiding tussen zijn ouders worden verhaald. Ook de verklaring voor de titel van de roman is iets wat in mondjesmaat wordt aangereikt en pas naar het einde van de roman helemaal duidelijk wordt.  
 
Toch dringt de vraag zich op of Wieringa zich hier wel op zijn sterkst laat zien. Doordat het verhaal vrij breed uitgesponnen is, verliest het eigenlijk wat van zijn scherpte: het verhaal creëert zichzelf zonder dat de lezer echt veel moeite moet doen. Mij lijkt het dat Wieringa overtuigender was in De dood van Murat Idrissi, waar hij een veel suggestievere pen hanteerde.
 
Tommy Wieringa: De heilige Rita, De Bezige Bij, Amsterdam, 2017, 285 p. ISBN 9789023458753. Distributie WPG Uitgevers 
  
Meer besprekingen over Tommy Wieringa

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 8, SEPTEMBER 2018

De lange weg naar Rome

Francesca Melandri

De verloren toon

Lida Winiewicz

De zee heeft honger

Kira Wuck

Vaderland

Fernando Aramburu

Want de avond

Anna Enquist

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 8, SEPTEMBER 2018

Het meisje en haar zeven paarden

Hadi Mohammadi, Nooshin Safakhoo (ill.)

Neverworld Wake

Marisha Pessl

Tierenduin

Geert Vervaeke

Wit konijn, Rode wolf

Tom Pollock

Ze gaan er met je neus vandoor

Ted van Lieshout

naar overzicht


‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri