VSB Poëzieprijs 2018

BOEKEN NR. 2, FEBRUARI 2018

Marije Langelaar: Vonkt

door Dirk De Geest

De jongste bundel van Marije Langelaar kreeg de bevreemdende titel Vonkt mee, blijkbaar geen substantief maar een soort van imperatief. Het is een titel die in afzonderlijke letters, met telkens een andere kleurtint, op de cover staat afgebeeld. Die typografie suggereert een soort van vuurwerk, met een samenhang die als het ware wordt uiteengereten tot afzonderlijke flitsen. In zekere zin is dit inderdaad wat de dichteres met haar werk beoogt: vanuit een nauwgezette observatie van de werkelijkheid iets taligs tot stand te brengen dat verder reikt, nieuwe en onvermoede betekenissen activeert, andere vragen oproept bij de lezer en onverwachte horizonten opent.
 
Dat Langelaar zich met haar poëzie dergelijke ambitieuze doelen stelt, blijkt al uit de titels van de drie afdelingen: ‘Een afgrond omsingelen’, ‘Een slag op de trom’ en ten slotte ‘Love songs for the absolute’. Dat geeft aan hoe de dichter haar bestaan ziet in het licht van de leegte en de dreiging, maar tegelijk ook hoe haar mentale weerbaarheid onaangetast blijft. Veel gedichten spelen in op die spanning, met een dichterlijk ik dat zich gevangen voelt tussen dromen en de werkelijkheid. Daarbij wordt meermaals gealludeerd op een relatiebreuk en een scheiding. Irritaties en ontkenningen worden opgesomd, herinneringen blijken onvermijdbaar gekleurd door wat achteraf is gebeurd.
 
Toch is er geen sprake van een tranerige sfeer of een volstrekt passief ik. Daartoe is Langelaar zich te zeer bewust van het ruimere verband waarbinnen elk individuele bestaan zich afspeelt. Biografisch is er sprake van een kind, wat de relatie tussen de voormalige geliefden symboliseert maar het dichterlijke ik dwingt tot activiteit en het maken van plannen. Dat wordt uitvergroot tot een haast mythische samenhang met vroegere generaties, met de geschiedenis en de verre toekomst. Langelaar toont dat stilistisch door middel van overdrijvingen en groteske vertekeningen, die sterk beeldend zijn en op de lezer een grote indruk nalaten. De toon van de meeste gedichten is tragisch maar tegelijk ook ironisch. Die bewuste omgang met toon en beeld levert bij momenten ronduit grandioze poëzie op.

De opeenvolgende afdelingen laten overigens een zekere evolutie zien. De eerste afdeling spitst zich vooral toe op de breuk en gevoel van leegte dat daarmee aan de oppervlakte komt. De wereld wordt als het ware uiteengereten. Er is meermaals sprake van ‘vallen’ en ‘springen’, maar vooral van een bevreemdende, zombie-achtige sleur. Bij momenten lijkt het alsof het ik alle interesse in de buitenwereld heeft verloren, terwijl anderzijds die realiteit vertekend wordt tot een bedreigende omgeving.
 
De tweede afdeling lijkt daarentegen vooral een aantal ontsnappingsroutes in kaart te brengen. Het dichterlijke ik is opvallend vaak onderweg of begeeft zich naar ruimtes waarvan het enig heil verwacht, maar veelal mondt dat verlangen uit in dromen en kortstondige illusies. Het verleden blijft zijn wonden slaan. Die negativiteit wordt naar de slotafdeling toe echter omgezet in een hernieuwde vitale, haast biologische drang, waarin de aanwezigheid van een kind (en bijgevolg ook het besef van een dwingende toekomst) steeds dominanter wordt. Het ik ondergaat allerlei hoopvolle transformaties: het wordt een stad, een bloem… Die mentale weerbaarheid blijkt cruciaal en opent als het ware de weg naar een andere absolute ervaring.

Ook in haar jongste bundel maakt Langelaar bijgevolg ruim gebruik van materiaal dat zich autobiografisch laat lezen. Die gegevens vormen evenwel niet veel meer dan het vertrekpunt voor een eigen associatieve logica. De wereld van de dichter is slechts tot op zekere mate realistisch, want doorlopend gebeuren er onmogelijke dingen, droomervaringen, vreemde ontmoetingen. Die openen de weg naar een soort van parallel universum, vol symbolen en surrealistische verbanden. Op die manier wordt duidelijk hoe ons leven slechts zelden op zich staat, maar altijd vertakt is in een ruimer verband. De wereld verschijnt, tenminste voor wie daarvoor openstaat, als een oord vol activiteit en verwantschappen, tot in het oneindige toe. Die stap van het eigen ik naar het mentale evenwicht en de openheid voor alle zintuiglijke en intuïtieve ervaring lijkt de weg die de dichteres aan haar lezer wil weergeven. Bovenal gebeurt dat in een bezwerende taal, met beurtelings lyrische en verhalende fragmenten die de lezer meezuigen maar tegelijk nooit tot een sluitende definitie leiden. Poëzie wordt zo het mysterie van het bestaan, zoekend en ontvankelijk tegelijk.
 
Vonkt werd bekroond met de Jan Campert prijs voor poëzie 2017, De Awater Poëzieprijs 2017, en genomineerd voor de VSB Poëzieprijs 2018.

Marije Langelaar: Vonkt. Gedichten, De Arbeiderspers, Amsterdam 2017, 87 p. ISBN 9789029511681. Distributie L&M Books

Meer besprekingen over VSB Poëzieprijs 2018 

deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri