Letterkunde

BOEKEN NR. 2, FEBRUARI 2018

Lars Bernaerts, Tom Van Imschoot e.a. (red.): Legendes van de literatuur: Schrijvers en het artistieke experiment in de jaren zestig

door Christophe Van Eecke

Het verhaal van de na-oorlogse experimentele Nederlandse literatuur wordt vaak nog steeds gedomineerd door de Vijftigers en hun navolgers. Daardoor kan makkelijk een vertekend beeld ontstaan, alsof elders (en met name in Vlaanderen) niets bewoog en niemand aan de fundamenten van de traditionele literatuur zat te wrikken. In deze bundel wordt op zeer welkome wijze een gat gevuld in de historiografie van de experimentele literatuur in Vlaanderen in de jaren zestig. Een aantal auteurs, groepen en bewegingen die in de ‘grote’ historiografie vaak over het hoofd worden gezien, krijgen hier hun plaats in de literatuurgeschiedenis toebedeeld, van onder meer Celbeton (in Dendermonde) over Raaklijn (in Brugge; de naam leeft sinds 1961 voort in een iconische Brugse boekhandel waar ondertekende als student bijna wekelijks zijn collectie kwam uitbreiden) tot Contramine (in Antwerpen). Daarbij wordt ook veel aandacht besteed aan de kruisbestuiving tussen de literatuur en de beeldende kunst, die in die jaren zeer gangbaar was.
 
Precies het feit dat deze kunstencentra en figuren zich vaak in de marges van het literaire bedrijf bevonden, en daar ook vaak wat zijn blijven hangen, maakt de titel van het boek zeer pertinent. Een aantal van deze figuren zijn legendes in de zin dat hun namen circuleren, en dat er sterke verhalen aan vasthangen, maar dat relatief weinig lezers hun werk nog effectief lezen (waarbij het publiek voor experimenteel werk natuurlijk altijd al beperkter was dan voor traditionele literatuur). Maar ze zijn ook legendes in de zin dat hun geschiedenis vaak niet systematisch is geschreven, waardoor er nog wel eens iets wordt verteld, maar de feiten zelf in de misten der tijd beginnen te verdwijnen. Net daarom is Legendes van de literatuur zeer welkom: het stelt een boeiend en over het hoofd gezien verhaal op schrift en is een uitstekende status quaestionis van het onderzoek op dit gebied. Onderzoekers vinden in de referenties en noten ook een uitgebreid apparaat om hun eigen onderzoek bij te laten aanknopen.

Het boek bestaat uit twee delen. Het tweede deel bevat een aantal historiografische essays die elk de geschiedenis van een van de nieuwe kunstencentra vertelt die in de jaren 1960 ontstonden. Hiervoor wordt ook gesteund op nieuw bronnenonderzoek en op nieuwe interviews. Bijgevolg krijgt de lezer hier, soms voor het eerst, heel veel informatie bij elkaar die eerder verspreid zat in (soms moeilijk toegankelijke want weinig wijdverspreide) eerdere publicaties of archieven. Dit deel van het boek zal vermoedelijk vooral de academische lezer aanspreken, want vaak gaat het om een vooral uitwendige reconstructie van de geschiedenis van deze centra (wat waren de uitgangspunten, wie was betrokken, wie deed wat, waar kwam men samen, van waar kwam het geld, hoe lagen de relaties met andere kunstencentra?); namen en data spelen hier vaak een hoofdrol in de poging tot reconstructie. Maar het vlechtwerk dat hierdoor ontstaat, is wel bijzonder rijk en gedetailleerd.

Van een totaal andere aanpak getuigt het eerste deel van het boek, waarin interviews opgenomen zijn met zeven betrokkenen: Clara Haesaert, Mark Insingel, Claude Krijgelmans, Renaat Ramon, Pjeroo Roobjee, Gerd Segers en Lucienne Stassaert. Deze teksten (waarin het interviewmateriaal is verwerkt tot een doorlopende monoloog van de geïnterviewde, zodat de conventionele vraag-antwoord-structuur elegant wordt vermeden) bieden het vlees op het skelet van de essays en bevatten persoonlijke reflecties, herinneringen, anekdotes en her-evaluaties. Stassaert herleest bijvoorbeeld een groot deel van haar werk uit de jaren zestig en zeventig vanuit de vraag hoe zij zich tot het experiment verhield.  
 
Het gesprek met Roobjee is dan weer, en vermoedelijk onvermijdelijk, zeer levendig en biedt een bijna picareske inkijk in de Gentse literair-avantgardistische marges van deze periode. Zowel in de interviews als in de essays valt op hoe gretig men in ‘klein’ Vlaanderen de literaire en artistieke evoluties volgde, ook internationaal. Zelfs in Dendermonde city. En vermoedelijk (helaas) heeft Stassaert gelijk wanneer ze stelt dat er, ondanks de veelvuldige luidkeelse afkondiging van ons huidig pluralisme, in de jaren zestig veel meer literair-artistieke risico’s werden genomen door uitgevers (ook grote uitgevers) dan in de liberaal-geprofessionaliseerde uitgeverij van vandaag, waar consortia de dienst uitmaken. In dat opzicht zijn de letteren in hetzelfde bedje ziek als de kunsten en de academie.
 
Het boek is heel fraai uitgevoerd. Er zijn twee katernen met archiefbeelden die op aangenaam zacht papier zijn gedrukt, zodat bij de lezer een moeiteloos retro-gevoel ontstaat. Ook het ontwerp van de kaft (abstract) en het papier van de tekst (crèmekleurig) ondersteunen dit effect, waardoor dit boek aansluit bij de bredere tendens om ook literatuurhistorische studies als boek aantrekkelijk te maken. Wat het boek niet biedt, en dat toch een beetje is gemist, is een systematische bibliografie van de publicaties (of op zijn minst de boekpublicaties) die de kernfiguren in deze periode realiseerden. Ook de gewone geïnteresseerde lezer, die dit boek bijvoorbeeld ter hand neemt omdat hij/zij toevallig het werk van deze auteurs kent of waardeert, zou met zo’n overzicht gebaat zijn. Lezers die dit soort studies waarderen zijn bovendien sowieso gek op bibliografische overzichten – dat is nu eenmaal deel van de bibliofilie. En waar literatuur en beeldende kunst elkaar raken, zoals in deze experimentele sixties, leest de bibliofiele verzamelaar natuurlijk ook mee.
 
Lars Bernaerts, Tom Van Imschoot e.a. (red.): Legendes van de literatuur: Schrijvers en het artistieke experiment in de jaren zestig, Academia Press, Gent 2017, 180 p. [32 p.] ill. ISBN 9789401444682. Distributie: Lannoo 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 9, OKTOBER 2018

Blinde drift

Belinda Bauer

De rover

Robert Walser

Heel de tijd

Leo Pleysier

Onder een koperen hemel

Stefan Hertmans

Zeiseman

Martha Heesen

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 9, OKTOBER 2018

De invloed van Gregie De Maeyer (1951-1998) op de (Vlaamse) jeugdliteratuur

‘Het wezen van de dingen vervaagt naarmate het zichtbaar wordt’

De slaapster en de spintol

Neil Gaiman, Chris Riddell (ill.)

Op zoek naar Stella

Gerda Dendooven

Rivieren

Peter Goes

Tegenwoordig heet iedereen Sorry

Bart Moeyaert

naar overzicht


‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri