Letterkunde

BOEKEN NR. 2, FEBRUARI 2018

Madelon de Keizer: Als een meeuw op de golven. Albert Verwey en zijn tijd

door Yvan De Maesschalck

Het is een literair-historische gemeenplaats om de Tachtigers de meest spraakmakende generatie te noemen van de Nederlandse literatuur op het einde van de negentiende eeuw. Hoewel met de Tachtigers een veel ruimere groep kunstenaars wordt bedoeld, doet de term spontaan denken aan De Nieuwe Gids, waarvan de eerste jaargang de noodzakelijk geachte breuk met de traditie – onder meer belichaamd door het tijdschrift De Gids – met klem proclameerde. Wie zich evenwel verdiept in de ontstaansgeschiedenis van het jongerenblad of in de biografieën van Frederik Van Eeden, Willem Kloos, Willem Paap of Lodewijk van Deyssel, moet vaststellen dat zij naderhand niet bepaald in gesloten slagorde optraden. Daarvoor waren hun temperament en literaire talenten te uiteenlopend van aard. De onlangs gepubliceerde studie van Bart Slijper (De hemelbestormers. De revolutie van de Tachtigers, Prometheus 2017) heeft dat – eens te meer – aangetoond.
 
De bijna gelijktijdig verschenen biografie Als een meeuw op de golven. Albert Verwey en zijn tijd laat op een exemplarische manier zien dat Verwey (1865-1937) van meet af aan gestalte gaf aan een eigen visie, wat hij overigens met grote gedrevenheid tot de laatste snik volhield. Verwey heeft niet alleen een omvangrijk dichterlijk oeuvre – van Persephone (1885) over Goden en Grenzen (1920) tot De Ring van Leed en Geluk (1932) – tot stand gebracht, maar ook onophoudelijk zijn dichterlijke programma geëxpliciteerd in uitvoerige beschouwingen en betogen.  
 
Dat deed hij bijvoorbeeld – daarin gestimuleerd door Willem Kloos en zijn leraar Willem Doorenbos – in een stuk over de sonnetten van Shakespeare (1885), waarin hij betoogde ‘dat het werkelijk geluk lag in de geestelijke omgang met de vriend, een omgang die er een was van gemoed en verbeelding’. Onder invloed van zijn lectuur van achtereenvolgens Spinoza, Dante, Goethe en Shelley was Verwey er blijvend van overtuigd dat ‘dichters […] de geest van hun tijd dieper [peilden] dan gewone mensen’. Mede op grond van het spinozisme, dat hij deelde met Herman Gorter en Johannes van Vloten, de verlichte, erudiete vader van zijn echtgenote Kitty, trachtte hij ‘in de werkelijkheid tekens of symbolen [te] ontdekken’ die verwezen naar wat hij zo graag omschreef als ‘de Idee, waarin het tijdelijke en het eeuwige in een synthese waren gevat’.
 
Die idealistische opvatting van het dichterschap zou Albert Verwey nooit meer loslaten en onverdroten verdedigen in talloze redevoeringen, opstellen en inleidingen bij diverse uitgaven van zijn verzamelde gedichten. Ook in zijn besprekingen voor het Tweemaandelijksch Tijdschrift (1894-1901), De XXe Eeuw (1902-1909), het door hem geleide tijdschrift De Beweging (1895-1919) en zijn inaugurale rede als hoogleraar in Leiden op 14 januari 1925 beklemtoonde hij ‘de verbeelding als een autonome bron van kennis’ en formuleerde hij bij herhaling zijn opvatting dat ‘Tachtig zich in een traditie plaatste die terugging tot Spinoza’.  
 
Naar aanleiding van de luisterrijke hulde bij zijn zeventigste verjaardag wijdden verschillende letterkundigen (o.a. Garmt Stuiveling, P.N. van Eyck, Simon Vestdijk en Menno Ter Braak) bijdragen aan zijn dichterschap. Daarbij werd vooral Verweys streven naar eenheid tussen vorm en inhoud en naar een synthese tussen het leven en de poëzie nader toegelicht. Kort voor zijn dood op 9 maart 1937 verscheen bij Uitgeverij Becht nog zijn monumentale leeseditie van het werk van Vondel, een auteur voor wie hij, net als voor Potgieter, altijd een zwak had gehad en over wie hij herhaaldelijk had gepubliceerd. Op zijn uitvaart op 11 maart was een groot deel van de toenmalige letterkundige en academische beau monde (o.a. Johan Huizinga, Meno Ter Braak, Arthur van Schendel, Jacques Bloem en Martinus Nijhoff) aanwezig, maar ‘niet op de begrafenis was de tachtigjarige Kloos’ en ‘ook Van Deyssel, nu 72 jaar, ontbrak’.
 
Uit de biografie van Madelon de Keizer komt het beeld naar voren van een bevlogen maar niet onomstreden dichter en intellectueel die zich voortdurend positioneerde in het literaire en maatschappelijke landschap van zijn tijd, met evenveel oog voor nationale als Europese tendensen. Over Verwey is een overstelpende hoeveelheid getuigenissen, beschouwingen en recensies voorhanden die het ordenen ervan niet bepaald vergemakkelijkt. Bovendien maken de notities over zijn poëticale inzichten, die verschoven met de tijd, en zijn indrukwekkende briefwisseling met vele tijdgenoten, o.m. die met Van Deyssel, het niet altijd eenvoudig de biografische of literaire context ondubbelzinnig te typeren. Uit de opbouw van het boek blijkt duidelijk dat De Keizer geworsteld heeft met de ordening van de bronnen, die niet alleen van tekstuele maar ook van picturale en fotografische aard zijn.
 
De auteur heeft gekozen voor een gebroken chronologisch relaas en plaatst de figuur van Verwey in zeven breed opgezette, contrastieve hoofdstukken telkens tegenover een belangrijke tegen- of medestander. Achtereenvolgens focust ze op de verhouding van Verwey tot de bevriende schilder Jan Veth, zijn eerste mentor en latere opponent Willem Kloos, zijn vrouw Kitty van Vloten, zijn literaire antipode Lodewijk van Deyssel, de Duitse dichter en geestverwant Stefan George, zijn eigenzinnige literaire erfgenaam Pieter Nicolaas van Eyck en zijn eerste biograaf Maurits Uyldert. Deze werkwijze levert zeven welgevulde sneden/tranches uit het leven van Verwey op, gul gelardeerd met citaten uit dagboeken of beschouwingen van de contrastfiguren. Bovendien laat een dergelijke benadering toe de figuren en hun omgeving omstandig te situeren en contextualiseren. Dat is met name handig wanneer een verwarrende periode als de Eerste Wereldoorlog of de opgang van de NSDAP in Duitsland in beeld komt en Verwey zich genoodzaakt ziet zijn positie tegenover het Duitse nationalisme te verduidelijken of Stefan George en de zijnen (Karl Wolfskehl, Friedrich Gundolf e.a.) te wijzen op de dreiging die ervan uitgaat.
 
Toch vertoont De Keizers aanpak ook aperte nadelen, waarvan een zekere wijdlopigheid er een is. De visie van deze of gene recensent op een bepaalde bundel of een bepaald gedicht wordt vaak breed uitgesmeerd en geplaatst tegenover anders gestemde meningen of een (afwijzende) reactie van Verwey zelf. Dat leidt weliswaar tot diepgaand inzicht in de contemporaine receptie, maar een bondiger parafrase ervan zou de spankracht van het boek zeker ten goede zijn gekomen. De uitgesponnen weergave van Kloos’ reactie op Verweys Verzamelde Gedichten van 1889, waarbij de door Kloos onderscheiden ‘negen staten’ een na een worden opgelijst, is daar een voorbeeld van.

Daarnaast leidt het versnijden van Verweys biografie in zeven delen tot een werkstuk waarin als het ware zeven parallelle levens achter elkaar worden gemonteerd, met weliswaar één centrale figuur in het middelpunt, maar ook met talloze overlappingen en herhalingen tot gevolg. Van die herhalingen bulkt het jammer genoeg in deze overigens vaardig geschreven biografie. Zo wordt Verweys overtuiging dat Gorter na Mei (1889-1890) niets wezenlijks meer zou hebben geschreven iets te vaak vermeld. Ook P.N. van Eycks voorliefde voor de Franse poëzie (Verlaine, Rimbaud, Baudelaire) wordt de lezer herhaaldelijk onder de aandacht gebracht. Hetzelfde geldt voor de verwijzing naar Verweys politieke standpunt tijdens de Eerste Wereldoorlog, dat hijzelf als ‘onzijdig, maar niet onpartijdig’ omschreef.
 
Maar die bedenkingen doen niets af aan het feit dat Madelon de Keizer zich veel moeite heeft getroost om een veelkantig beeld te schetsen van een markante en door velen gerespecteerde persoonlijkheid, voor wie ethisch besef op dezelfde hoogte stond als zijn literair-esthetische opvattingen, die hier keer op keer aan uitvoerige citaten uit zijn poëzie worden getoetst. Bovendien levert deze biografie soms aardige anekdotes op die zonder een grondige bronnenstudie niet aan de orde zouden zijn gekomen. Het feit dat prinses Juliana bij hem lessen volgde en mede dankzij hem op ’31 januari 1930 […] in de senaatskamer van de Leidse universiteit een eredoctoraat’ werd overhandigd is er een van. Ook het feit dat hij aan Hein Boeken liet weten in ‘den onnozelen heer Hitler’ niet meer te zien ‘dan een armzalige epigoon van […] H.S. Chamberlain’ voegt een verrassend menselijke toets toe aan een figuur die een imposante/ontzagwekkende statuur niet kan worden ontzegd. Honderden noten, een uitvoerige bibliografie en een handzaam zaken- en namenregister sluiten deze belangwekkende studie af.
 
Madelon de Keizer: Als een meeuw op de golven. Albert Verwey en zijn tijd, Prometheus, Amsterdam 2017, 767 p. ISBN 9789044635201. Distributie Pelckmans Uitgevers 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 5, MEI 2018

Het genootschap van onvrijwillige dromers

José Eduardo Agualusa

Ik wordt

Harry Vaandrager

niets=iets

Wouter Godijn

Pachinko

Min Jin Lee

Terug naar Reims

Didier Eribon

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 5, MEI 2018

De muis en de muur

Britta Teckentrup

Ei! Ei!

Harriët van Reek en Geerten Ten Bosch

Het wonderlijke verhaal van Angelino Brown

David Almond

Liebermann. De zee van meneer Max

Koos Meinderts, Annette Fienieg (ill.)

Veertien

Tamara Bach

naar overzicht


‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri