Letterkunde

BOEKEN NR. 3, MAART 2018

Alice Nahon, Manu Van Der Aa (red.): Brieven van Alice Nahon

door Stefan van den Bossche

In 2008 verscheen Ik heb de liefde liefgehad, de knappe en uiterst leesbare biografie van Alice Nahon (1896-1933) van de hand van Manu van der Aa. De auteur publiceerde intussen ook de biografie van de culturele en artistieke duizendpoot Paul-Gustave van Hecke. Met de uitgave van de beschikbare brieven van Alice Nahon keert hij naar een van zijn eerste liefdes terug. Hij doet dat aan de hand van een erg fraai vormgegeven brieveneditie waarin hij de teruggevonden brieven van de jonggestorven dichteres annoteert en kadert. Dat gebeurt bovendien op een inlevende manier, met veel stielkennis en zonder poeha. Het verscherpt het beeld van de dichteres en levert erg fraaie illustraties en kanttekeningen op bij haar tragische levensverhaal.
 
De Antwerpse Alice Nahon, geboren op de Grote Markt, was de dochter van  Gerard Nahon, een uit het Nederlandse Alphen afkomstige boekhandelaar die in de Scheldestad De Nederlandsche Boekhandel oprichtte. Moeder was onderwijzeres. Alice was de derde van een kroostrijk gezin van tien kinderen. Het gezin verhuist geregeld in het Antwerpse, onder meer naar Mortsel. Alice verblijft in Putte, Overijse (Vlaams-Brabant) en in het Antwerpse Stuivenbergziekenhuis waar ze haar opleiding als verpleegster aanvat, een studie die ze echter om gezondheidsredenen spoedig moet opgeven.  
 
In 1920 en 1921 verschijnen haar eerste, fel gesmaakte dichtbundels: Vondelingskens en Op zachte vooizekens. Ze verblijft op dat ogenblik in het Sint-Jozefinstituut in het Limburgse Tessenderlo, waar ze onder het alziend oog van de zusters augustinessen resideert tussen terminale tuberculosepatiënten. Dat weerhoudt haar er niet van om amoureuze relaties aan te knopen met de flamingant Geert Pynenburg, de avonturier Paul Pée en de avant-gardekunstenaar Michel Seuphor.
 
Alice lijkt in haar brieven altijd opnieuw op zoek naar liefde en aandacht, en laat niet na zichzelf daartoe te relativeren als 'kwajonk' en als een literair nog onvolgroeide jonge vrouw die nog veel - blijkbaar vooral van mannelijke collega's en vrienden - te leren heeft. Haar correspondenten mogen haar vrijpostigheid vooral niet ten kwade duiden, want hun liefde en aandacht verliezen zou voor de dichteres een persoonlijke ramp betekenen. Dat laatste heeft veel te maken met het voortdurend isolement waarin de ziekelijke schrijfster zich bevindt: in sanatoria, kloosters of rondzwervend in hotels in Frankrijk (Roquefort), Zwitserland of elders, op zoek naar gezonde lucht die haar longen moet zuiveren. De brieven die ze begin 1923 vanuit Luzern schrijft, zijn tegelijk doormenselijk en schrijnend, maar wel erg mooi en eens te meer getuigend van een grote hang naar vriendschap, gehoor en (literaire) erkenning.
 
In de brieven van Nahon passeert zowat de halve artistieke scene van het Kempense interbellum: de nagenoeg vergeten dichter Jef Leynen (1880-1936) - wellicht haar grote liefde en aan wie ze een aantal hartverscheurende brieven heeft gericht - Gerard Walschap en zijn vrouw Matje Theunissen, Michel Seuphor, Emmanuel de Bom, Lode Baekelmans, de componist Alfons Moortgat of de schrijver en musicus Joris Vriamont die haar liefst op een afstand hield, en voorts nog een flink aantal vrienden en vriendinnen, naast heel wat schrijvende priesters en religieuzen.
 
Alice Nahon had mensen nodig, zoveel is zeker, en het lijkt erop dat ze niet altijd gekregen heeft waar ze om heeft gevraagd. Haar zwakke gezondheid - er werd lange tijd ten onrechte aangenomen dat ze aan tuberculose leed - is daarvan de voornaamste reden, maar wellicht ook haar wat opdringerige, zelden aflatende attitude. Daarbij speelt ze ongegeneerd haar vrouwelijkheid uit: 'Ook moet mijn vrouw-zijn soms vechten tegen het zuiver artiest-zijn van m'n ziel', schrijft ze in mei 1923 aan Joris Vriamont. En verder: ''N vrouw legt teveel kracht in heur intieme leven en, indien die vrouw artieste is, moet heur talent er immer onder lijden.'  
Het 'kleine deel' dat voor een vrouw is weggelegd, is voor Nahon naar eigen zeggen onvoldoende om haar 'geestelijk houvast' te bieden. Ook haar eigen talent vindt ze doorgaans onvoldragen.
 
Begin 1927 krijgt de vaak in geldnood verkerende Nahon een baan aangeboden als bibliothecaresse in de volksbibliotheek van Mechelen. Ze vestigt zich in de Dijlestad maar keert geregeld naar haar geboortestad Antwerpen terug. In Mechelen leert ze de 23 jaar oudere, gehuwde Prosper Verheyden kennen. Hij ontfermt zich over haar, wordt verliefd op haar en helpt de nieuwe en wat meer expressionistisch georiënteerde dichtbundel Schaduw (1928) te publiceren. Hij klopt aan bij vader Nahon om geld voor Alice op te eisen.
 
De matte receptie van Schaduw ontneemt haar de lust om nog gedichten te schrijven. Ook haar gezondheid blijft sputteren. Ze wordt door het Mechelse stadsbestuur per 1 december 1930 op pensioen gesteld. Op dat ogenblik heeft ze een tijdelijk onderkomen gevonden in de kapelwoning van het kasteel Cantecroy in Mortsel, eigendom van de excentrieke arts Arthur de Groodt. Begin 1931 wordt de dichteres opgenomen in de Eeuwfeestkliniek. Het lijkt erop dat Nahon zwanger is geworden en er complicaties zijn opgetreden. Mogelijke vader is Prosper Verheyden, die haar tot haar vroegtijdige dood op 21 mei 1933 zal blijven bijstaan.  
 
Alice Nahon zal bekend blijven omwille van de vele straten die her en der naar haar zijn vernoemd, maar evenzeer voor de onvergetelijke versregels  
 
‘t Is goed in 't eigen hart te kijken
Nog even voor het slapen gaan
Of ik van dageraad tot avond
Geen enkel hert heb zeer gedaan'.
 
Het lijkt ook wel de kwintessens van dit boek met brieven van dat fragiele, 'weemoedig kwijnmeisje' dat ze voor velen in den beginne was, en van de onconventionele dame met een tot de verbeelding sprekend liefdesleven en de ambitieuze vrouw die zich probleemloos door het artistieke parcours van de jaren ‘20 voortbewoog.
 
Ik wil met plezier een lans breken voor deze schitterend uitgewerkte en uitgebalanceerde brieveneditie. Ze toont een vrouw en dichteres die - ondanks haar fascinerende persoonlijkheid en haar uiterlijke schoonheid - wegens een aantal redenen niet tot de literaire canon kon of mocht doodringen, waardoor het hier gepresenteerde beeld vreemd genoeg ook een grote documentaire waarde krijgt, onder meer in functie van het levensverhaal van haar helden. Manu van der Aa toont op een overtuigende wijze aan dat in de archieven onvermoede schatten rusten, materiaal dat lezers en onderzoekers een beter zicht verschaft op het literaire reilen en zeilen van een bepaalde periode en op de grote maar vaak ook kleinere kantjes van bepaalde literaturen en kunstenaars. Dit boek is zonder meer een absolute aanrader en laat zich bijzonder vlot lezen, een zeldzame kwaliteit voor een brievenuitgave.
 
Manu van der Aa (red.): Brieven van Alice Nahon. 'Mijn ziel ligt overhoop zoals de koffer men niet beantwoorde brieven', verz. en geann. door Manu van der Aa, Turnhout, eigen beheer, 2018, 240 p. ISBN 9789090308135 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 11, DECEMBER 2018

Berta Isla

Javier Marías

De klaverknoop

Paul Demets

Het amusement

Brecht Evens

International Bakery (voorheen Cinema Royale)

David Nolens

Michael Ondaatje

Blindganger

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 11, DECEMBER 2018

De blauwe vleugels

Jef Aerts, Martijn Van der Linden (ill.)

De pittige pruim die een pop werd

Vojtěch Mašek, Chrudoš Valoušek (ill.)

De torens van Beiroet

Paul Verrept

De waarheid volgens Mason Buttle

Leslie Connor

Het mysterie van niks en oneindig veel snot

Jan Paul Schutten, Floor Rieder (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri