Vertaald proza

BOEKEN NR. 3, MAART 2018

Maurice Pons: De seizoenen

door Jan Baes

‘In het onlogische moet strenge logica zitten en in het fantastische een minutieus realisme. ’ Zo vat Maurice Pons (1927-2016) de strekking van zijn roman samen wanneer Mirjam De Veth, de vertaalster van Les saisons, hem komt opzoeken in het Normandische Moulin d'Andé waar hij in een bijgebouw van een oude watermolen verblijft. Op uitnodiging van Maurice Pons werkte Georges Perec er ook enige tijd, kort nadat hij in 1965, met Les choses, de Prix Renaudot wegkaapte voor de roman van Pons. Hun vriendschap resulteerde overigens in aanwijsbaar literaire beïnvloeding.
 
De seizoenen zelf is ontstaan na een ontmoeting met André Swarz-Bart, schrijver van De laatste der rechtvaardigen, een aangrijpend relaas over het jodendom en de jodenvervolging. De tragiek van de Holocaust, samen met de gruwel van de Algerijnse oorlog die Pons als jongeman van nabij meemaakte, liggen aan de basis van zijn politieke engagement en leverden meteen ook de inspiratie voor verschillende van zijn werken, en zeker ook voor deze roman.
 
Niet dat het hier expliciet over die genoemde maatschappelijke en menselijke tragedies gaat. De seizoenen blijft in de eerste plaats een universele allegorische vertelling, een donkere, danteske fabel, net zoals dat het geval is voor Het slot van Kafka of Het verslag van Brodeck van Philippe Claudel, die beide een zelfde onheimelijke en absurdistische sfeer uitademen.
 
Toch is De seizoenen een autonoom en literair eigenzinnig werk, met aparte accenten en een specifiek taaleigen dat een realistische en preciese stijl koppelt aan zuinig woordgebruik en een opvallend beeldend vermogen. Niet voor niets maakte François Truffaut  dankbaar gebruik van Virginales (1955), een gelauwerde novelle van Pons voor zijn film Les mistons.
 
De seizoenen (voor het eerst vertaald in 2007 en nu herdrukt onder auspiciën van uitgeverij Vleugels die goed op weg is om heel wat vergeten pareltjes uit de Franse literatuur op te diepen) vertelt het verhaal van een, door een vaag gehouden kampverleden, getraumatiseerde jongeman Siméon die, na een zware tocht door de bergen en aan het eind van zijn krachten, aankomt in een uiterst armmoedig dorpje dat bijna volledig is afgescheiden van welke bewoonde wereld dan ook.
Het klimaat is er bijzonder zwaar met afwisselend veertig maanden onophoudelijke regen, gevolgd door veertig maanden ijzige vrieskou, waarvan een aantal met metershoge sneeuwval die het voor de doodarme bewoners onmogelijk maakt de miserabele ruines, die men daar woningen noemt, te verlaten.
 
De dorpelingen, een allegaartje van ongeletterde, dikwijls mismaakte en gedegenereerde mensen, kunnen in dat ruige klimaat alleen maar overleven met het weinige dat de natuur hen biedt, d.w.z. linzen, hun enige voedselbron. Siméon, die uiteraard met wantrouwen en ook met agressie wordt ontvangen (hij wordt meteen bekogeld met een schapenschedel die hem een ernstige voetwonde bezorgd), zal al gauw merken dat er naast linzensoep en linzenpap niets anders te krijgen valt, of het moest de linzenbrandewijn zijn waarmee de bewoners van tijd tot tijd hun miserie trachten te vergeten.
 
We maken kennis met een aantal even pittoreske als burleske figuren zoals de twee douaniers Aoste en Escladoss, de enige autoriteit in het gehucht, de vroegrijpe meisjes Louana en Cherline die de vreemdeling het eerst zagen, de duivel-doet-al Croll die de verdere verotting van Siméons teen tracht tegen te gaan, de magere Clara Dogde waarop Siméon stapel verliefd wordt nadat hij haar per ongeluk naakt heeft gezien, de weduwe Ham en haar zogenaamd hotel-café waarboven Siméon kan verblijven en werken aan de grote roman over zijn de dood van zijn zusje Enina ; een roman die de wereld moet redden maar die nooit verder komt dan de eerste zin.
 
Siméon die ondanks alle goede wil de ‘vreemdeling’ blijft, zal er toch in lukken - na het wonderlijke bezoek van twee knappe ruiters die de mond vol hebben over een luilekkerland voorbij de bergen -, de gemeenschap te inspireren om hem te volgen voor een hallucinante zoektocht naar het geluk.
 
De roman heeft in Frankrijk de status gekregen van een ‘roman-culte’ wat verklaarbaar is door de complexiteit ervan en de vele interpretatiemogelijkheden. Is het een tekst over het schrijven (de ingelaste dagboekfragmenten van Siméon kunnen daaraan doen denken) of over omstandigheden die alle creativiteit doodt? Is het een boek over de ander, de immigrant, over wij en zij? Is het een boek over de menselijke conditie en de onmogelijkheid daaraan te ontsnappen? Over de dodelijke impasse waarin de mensheid verkeert?
 
Hoe dan ook, het is vooral de wijze waarop deze roman geschreven is die zijn kracht en waarde uitmaakt. De wijze waarop de gruwel door de ironische toon aannemelijk wordt gemaakt en draaglijk is. Ironie die zo nu en dan wordt benadrukt met korte interventies van de schrijver zelf. Door die humor ook die Pons gemeen heeft met Kafka, maar die naar het einde toe uitdeint in een luide en allesvernietigende lach.
 
Maurice Pons: De seizoenen, Vleugels, Bleiswijk 2018, 121 p. ISBN 9789078627418. Vertaling van Les saisons door Mirjam De Veth.

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 6, JUNI 2018

De avond is ongemak

Marieke Lucas Rijneveld

De belofte. Requiem voor de misdaadroman

Friedrich Dürrenmatt

De integratie van heden en verleden bij Arnaldur Indriðason

Eenzaamheid en existentiële koudbloedigheid

Habitus

Radna Fabias

Menselijke voorwaarden

Junpei Gomikawa

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 6, JUNI 2018

Aluna

Karla Stoefs

De tunnels

Dave Eggers, Aaron Renier (ill.)

Een indiaan als jij en ik

Erna Sassen, Martijn van der Linden (ill.)

Mijn grote vriend Leeuwwitje

Jim Helmore, Richard Jones (ill.)

naar overzicht


‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri