Vertaald proza

BOEKEN NR. 3, MAART 2018

Maria Gainza: Oogzenuw

door Hugo Van Hoecke

Voor haar romandebuut kiest deze middle-aged Argentijnse van goede komaf geen volatiel of nabijgelegen extern thema, ze schrijft simpelweg over zichzelf. Hoe ze als ‘kunstminnend burgervrouwtje’ (dit zijn niet mijn woorden, maar die van haarzelf) door haar jeugd en volwassenheid struint, vriendschappen en ontmoetingen beleeft, haar grotendeels kommerloze wereld aftast, en onderweg museum na museum binnenglipt om er selectief aan kunstexploratie te doen. Die invalshoek voor haar verhaal is niet zo verwonderlijk, want schrijven voor kunsttijdschriften is in Gainza’s echte leven dagelijkse routine.
 
Bij het gidsen van een toeristenpaar doorheen een schilderijenzaal, in de aanvangsbladzijden van het boek, bedenkt de vertellerfiguur – de auteur zelf of haar alter ego – dat bij kunst ‘alles draait om het verschil tussen mooi vinden en gegrepen worden’. Dat is wat haar telkens overkomt: of ze nu een middelmatig jachttafereel analyseert van Alfred de Dreux, een zeezicht van Courbet of (in de wachtkamer van haar dokter) een poster van Rothko, het zien daarvan ‘komt niet binnen via je ogen, maar voel je branden in je maag’.Kijken met je ziel, daar gaat het om. Gainza gebruikt haar vele confrontaties met kunstwerken om zowel het schilderij als de maker ervan tot leven te brengen. Wie mocht denken dat dit tot een saai kunsthistorisch essay zou leiden heeft het helemaal verkeerd voor. Met een onderkoeld gevoel voor humor verweeft de auteur kundig haar intuïtieve beleving en aanvoelen met een stel wetenswaardigheden die ze heeft opgegraven omtrent de kunstenaar in kwestie, en die zijn best sappig. Daaruit ontstaat een zwierig geheel.
 
Stellen dat in deze roman de kunstwerken centraal staan kan je dus zeker niet, ook al krijgt de beschrijving ervan de nodige plaats toebemeten. Het is en blijft het verhaal over een dartele jonge vrouw (zijzelf) eclectisch speurend naar esthetisch welbevinden, al wordt dit genoegen soms verschaft door kunstenaars van twijfelachtig allooi die enkel in de achterkamertjes van de kunstgeschiedenis hun vaste stek hebben. Een handvol van die kunstenaars wil ze ontdoen van hun status van paria, niet om ze belangrijker te maken dan ze zijn, maar omdat het ‘gegrepen worden’ te allen tijde primordiaal hoort te zijn, en bij sommige schilderijen licht dat op, op bepaalde momenten. Dan krijgt het werk een onvermoede kleur, die nog versterkt wordt wanneer de lotgevallen van de schilder zelf in beeld kunnen worden gebracht.
 
Het hele verhaal baadt in een sfeer die je luchtig zou kunnen noemen. Dat heeft niets te maken met de anekdotiek rond de schilders zelf - sommige levens roepen allesbehalve vrolijkheid op - maar met de speelse manier waarop de auteur zich doorheen haar eigen leven en door kunstenland beweegt, en daarin een eigenzinnig spoor trekt dat even frivool oogt als onderbouwd. Met als fraai resultaat dit  vernieuwend literair procedé waarbij beleving en analyse harmonisch in elkaar vervloeien. Of, nog anders gezegd : hoe je kunst leert bekijken niet vanuit de catalogus maar vanuit je eigen openheid.
 
Maria Gainza: Oogzenuw, Podium, Amsterdam 2018, 187 p. ISBN 9789057598906. Vertaling van El nervio óptico door Trijne Vermunt. Distributie Elkedag Boeken 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 6, JUNI 2018

De avond is ongemak

Marieke Lucas Rijneveld

De belofte. Requiem voor de misdaadroman

Friedrich Dürrenmatt

De integratie van heden en verleden bij Arnaldur Indriðason

Eenzaamheid en existentiële koudbloedigheid

Habitus

Radna Fabias

Menselijke voorwaarden

Junpei Gomikawa

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 6, JUNI 2018

Aluna

Karla Stoefs

De tunnels

Dave Eggers, Aaron Renier (ill.)

Een indiaan als jij en ik

Erna Sassen, Martijn van der Linden (ill.)

Mijn grote vriend Leeuwwitje

Jim Helmore, Richard Jones (ill.)

naar overzicht


‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri