Letterkunde

BOEKEN NR. 3, MAART 2018

LH Wiener: Fallen leaves: Brieven 1966-2016

door Laurent De Maertelaer

Op gevaar af begrepen te worden
 
In zijn lange schrijverscarrière is Lodewijk Henri Wiener (1945) heel vaak in de pen gekropen en correspondeerde gretig met vriend en vijand. Die pen is net als in zijn bejubelde verhalen en romans meer dan eens in ziedend vitriool gedoopt. Wieners toorn is berucht en geducht, maar in Fallen leaves — een selectie van brieven die Haarlems mooiste schreef in een tijdsspanne van vijftig jaar — komt ook zijn zachte, vrolijke en gevoelige kant uitvoerig naar boven. Deze prachtige bundeling laat zich lezen als een bijzonder onderhoudende, epistolaire autobiografie en openbaart op hartverwarmende wijze de Mensch Wiener.  
 
Wiener heeft in die halve eeuw duizenden brieven geschreven. De voorliggende uitgave bevat een selectie uit een corpus van maar liefst achttien ordners, stuk voor stuk in afschrift in het bezit van de auteur. In zijn voorwoord verklaart Wiener dat de keuze slechts een tiende deel van het geheel omvat, maar zelfs dan is er nog meer dan genoeg om van te smullen. De vele brieven zijn opgedeeld in vier periodes, mijlpalen in een schrijversbestaan, telkens voorzien van een inleiding door Wiener zelf. Wanneer er een nieuwe correspondent is of wanneer de inhoud van de brief om extra duiding vraagt, is er ook iedere keer een korte omschrijving die de lezer begeleidt tot een beter begrip van het epistel. Die inleidingen op zich zijn al meer dan de moeite waard en fungeren als een soort vrijzone waarin Wiener de teugels van de ironie viert.  
 
Sommige brieven werden in een andere context gepubliceerd, maar een aantekening geeft dit altijd duidelijk aan (bijvoorbeeld de brief aan Maartje Wortel die eerder al verscheen op het literaire weblog Tzum, of de vlammende brief aan Mai Spijkers die ook al in Herinneringen aan mijn uitgevers is opgenomen). Ter bescherming van de privésfeer zijn sommige namen gefictionaliseerd: een bekend voorbeeld in het Wiener-universum is Carina Wijnberg, zijn oud-leerlinge en kortstondige levenspartner die hem ‘alsnog in de vaderstand verhief’. De meeste brieven zijn integraal afgedrukt en als dit niet zo is, duidt een beletselteken tussen vierkantje haakjes aan waar een passage is weggelaten. In zijn kort woord vooraf schrijft Wiener:  
 
‘Het korte verhaal zou mijn metier worden, maar het schrijven van brieven inspireerde me evenzeer. Ik stelde ze met de grootste zorgvuldigheid samen en beschouwde ze als volwaardig literair werk. Van iedere brief hield ik een doorslag, niet met het oogmerk ze later te publiceren, maar om ze niet verloren te laten gaan. Ik noemde dat ooit de vasthou-ziekte, die overigens nooit is overgegaan. Niet anoniem passeren is het devies.’
 
Een leuke meerwaarde voor de fans is een tiental foto’s: een portret van Wiener, paginabreed, ter inleiding van elk deel en uiteraard stammend uit de desbetreffende periode; en kleinere portretten ter illustratie of ter staving van een stelling of bewering in een brief. Een hilarisch voorbeeld hiervan is de foto uit een lokale krant die Wiener opvoert in een brief aan Max Pam als bewijs dat zijn moeder ooit schaakkampioen Jan Timman tijdens een simultaanseance schaakmat zette in het Zandvoortse gemeenschapshuis, ergens in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Bijna alle foto’s komen uit de collectie van Wiener zelf.  
 
De titel van zijn brievenbundel haalde Wiener uit The unquiet grave (1944) van Palinurus, een pseudoniem van de Britse essayist en criticus Cyril Connolly (1903-1974). In een van de laatste brieven in Fallen leaves, gericht aan jeugdvriend R.A. Basart, bespreekt Wiener omstandig een citaat uit dit merkwaardige dagboek en legt meteen de link met T.S. Eliots visie op de maand april (‘the cruellest month’):
 
‘Fallen leaves lying on the grass in the November sun bring more happiness than daffodils. Spring is a call to action, hence to disillusion, therefore is April called ‘the cruellest month’. Autumn is the mind’s true spring.’
 
Wiener had The unquiet grave cadeau gekregen van Theo Sontrop, ooit zijn redacteur bij Meulenhoff en later uitgever bij De Arbeiderspers, waar hij de prestigieuze reeks Privé-domein mee hielp uitbouwen. In die reeks verscheen nota bene een vertaling van Connolly’s dagboek door Joyce en Co., dat dan weer het pseudoniem is van Geerten Meijsing. Op de achterflap van die bewuste Privé-domein nummer 81, ten slotte, staat een citaat van Renate Rubinstein, waarin ze stelt regelmatig terug te grijpen naar Palinurus’ boek. En zo roept de titel ‘Fallen leaves’ in één klap en onrechtstreeks een aantal van Wieners belangrijkste correspondenten op: R.A. Basart, Theo Sontrop, Geerten Meijsing en Renate Rubinstein.  
 
In de eerste periode (van 1966 tot 1975) kregen Ronald Basart en Renate Rubinstein meer dan geregeld een ‘fallen leaf’. Basart in zijn hoedanigheid als jeugdvriend, W.F. Hermans-kenner en mede-aspirant schrijver; Renate Rubinstein als columniste maar vooral ook als hoofdredacteur van het magazine Avenue Literair, ‘een gewild onderkomen voor verhalenschrijvers’ in eerste instantie omdat ze ‘tienmaal zoveel honorarium betaalde als Tirade.’ Wanneer Rubinstein niet meteen reageert op Wieners voorstel, riposteert hij gebeten:

‘Tot op heden heeft u echter nog niets van u laten horen, zodat ik vermoed dat u dit jaar maar eens een extra lange vakantie heeft genomen.  
Toch gaat het leven door en moet ik voor mijn verhalen zorgen. Al het werk moet nog gedaan worden en er is nog haast bij ook, maar waarom dat weet ik niet.
Er is ineens deze zin in mijn hoofd: U hoeft niet te schrijven, dat doen wij voor u. Ik zeg die dingen altijd op gevaar af begrepen te worden.’
 
Voor Wiener begon alles met F. Bordewijk en W.F. Hermans, zo schrijft hij in zijn voorwoord. De eerste twee brieven uit de selectie zijn dan ook gericht aan deze twee literaire reuzen. Bij de eerste hengelt de jonge Wiener naar een ontmoeting, aan de tweede vraagt hij (tevergeefs) om de plaatsing van twee van zijn verhalen in Podium. Komen verder aan bod in deze eerste periode: Wieners debuut, de verhalenbundel Seizoenarbeid bij uitgeverij Meulenhoff in 1967, die nog in hetzelfde jaar op gerechtelijk bevel uit de handel moest worden genomen omwille van een klacht wegens smaad; zijn aanstelling als leraar Engels aan een school in Amsterdam; zijn  ‘verwijdering’ in 1972 met Basart; het plotse overlijden op eenentwintigjarige leeftijd van dichter en jeugdkameraad Wim Aaij en Wieners aangrijpende maar vruchteloze pogingen om de gedichten van zijn vriend postuum gepubliceerd te krijgen; Wieners huwelijk in 1969 en zijn scheiding enkele jaren later; zijn onophoudelijk aangroeiende drankzucht; zijn ‘verdwalingen’ op de Amsterdamse wallen; zijn overgang naar uitgeverij Van Oorschot en zijn heerlijke brieven aan Geert van Oorschot (hoogtepunt!); zijn eerste contacten met ‘vriend voor het leven’ Jeroen Brouwers (die hij een ‘goede’ prostituee aan de hand probeert te doen) en ten slotte, de dood van zijn vader in april 1974, die het begin betekende van een jarenlange periode van ‘creatieve onmacht’.  
 
De tweede periode loopt van 1975 tot en met 1990. Op het inleidend portret heeft een stoutmoedig in de lens kijkende Wiener inmiddels een serieuze knevel onder de neus en lurkt hij aan een halfopgerookte sigaar. Literair gesproken zijn de eerste jaren van die periode ronduit mager. In het tweehonderdste nummer van Tirade verschijnt er één verhaal op verzoek van Geert van Oorschot en later nog tien korte prozagedichten, maar daar blijft het bij tot in 1979. Wanneer Wiener wordt aangenomen als docent Engels aan het Stedelijk Gymnasium te Haarlem, waar hij de volgende dertig jaar tot aan zijn pensionering in 2007 zou ‘functioneren’, neemt hij zijn schrijversambities terug op.
 
In 1980 verschijnt zijn nieuwe bundel Bomen die te mooi zijn moeten worden omgezaagd niet bij van Oorschot, wegens tweedracht, maar bij De Bezige Bij. Ook daar vlot het niet en Wiener vestigt zich bij Bert Bakker, op aanraden van zijn redacteur aldaar Mai Spijkers ‘wiens ziel toen nog niet bezoedeld was door machtswellust en geldzucht.’ Bij Bert Bakker verschenen achtereenvolgens drie bundels Misantropie voor gevorderden (1982), Naamloze meisjes (1984), Wegens mensenkennis gesloten (1988) en de grote verzameling Misantropenjaren (1990). Een belangrijke gebeurtenis in januari 1987 is het overlijden van Wieners moeder, over wie hij steeds met heel veel liefde en humor schrijft. In 1989 verlaat na ‘twaalf jaar ruzie + verknochtheid’ zijn vriendin Miriam hem voor een ‘jonge, lenige tennisleraar met wie je ook nog zo’n ‘goed gesprek’ kan voeren.’
 
De derde periode beslaat 11 jaar, van 1990 tot 2001. Het portret toont deze keer een door het leven getekende Wiener, kalend en streng, maar met een ongenaakbare blik in de ogen. Het is een periode waarin hij op latere leeftijd vader wordt: zijn zoon Arend werd geboren in januari 1994, zijn dochter Salomé in december 1996. Zijn vaderschap veranderde Wiener naar eigen zeggen in een andere man: ‘Niet meer de ‘zwartbloed misantroop’ van weleer, maar een vader in his own right, die herhaaldelijk flitsen van geluk beleefde.’ Het geluk is van korte duur want in 1998 neemt de moeder van zijn kinderen, Carina Wijnberg, haar biezen. Belangrijke correspondenten in dit deel zijn onder anderen A.L. Snijders, Louis Ferron, Geerten Meijsing, J.P. Guépin, Martin Bril, Peter Verstegen en Marko Fondse.  
 
In de laatste periode, die gaat van 2002 tot 2016, zien we een Wiener die stilaan (en eindelijk) een voorzichtige zelfzekerheid over zijn schrijverschap aan de dag legt. Het zijn de jaren waarin hij aftelt naar zijn pensioen:
 
‘In juni 2007 stop ik met het onderwijs en ga ik verder als fulltime schrijver, dan ga ik eens  flink tempo maken en in de Nederlandse literatuur een hoop keet schoppen. Er zijn nog enkele critici die ik hun hoofd eraf ga draaien en behoorlijk wat schrijvers die op de hun toekomende plaats gezet moeten worden. Maar op dit moment ben ik nog ‘gewoon’ leraar Engels aan het Stedelijk en ben ik in het contact dat nu tussen ons is ontstaan zonder meer kwetsbaar.’
 
Belangrijke momenten in dit tijdsbestek zijn Wieners Bordewijkprijs voor Nestor (‘dat zich laat lezen als een roman’) in 2002, de publicatie in 2003 en 2004 van zijn verzamelde verhalen in twee delen en het halen van shortlist van de Librisprijs in 2007 met De verering van Quirina T. In 2015 publiceerde Wiener In zee gaat niets verloren, nog maar eens ‘een soort roman’ waarin hij zich ingraaft in zijn eigen familiegeschiedenis. 2015 is ook het jaar waarin hij 70 werd, een feit dat werd gevierd met de door het L.H. Wienergenootschap verzorgde uitgave LHW70 (een liber amicorum dat nog steeds verkrijgbaar is via het Utrechts antiquariaat Hinderickx & Winderickx) en de publicatie van al zijn verhalen in één kloeke band van maar liefst 1.144 pagina’s. Enkele maanden later werd Wiener zelfs benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau, naar de legende het wil mede dankzij de Brief aan de koning van zijn stadsgenoot, vriend en collega P.F. Thomése.
 
Alle Wiener-stokpaardjes, die zijn trouwe lezersaanhang kent uit de verhalen en de romans, komen in Fallen leaves uitgebreid aan bod en zorgen voor een heus feest van herkenning. Wieners eeuwige gevecht met het ‘Koningswater’ — zoals hij alcohol consequent noemt, zijn liefde voor vogels en de natuur, zijn passie voor de Engelse taal en literatuur, zijn halfjoodse achtergrond, zijn liefde voor zijn twee kinderen, zijn zelfverklaarde misogynie. Al de geijkte thema’s tekenen present. Maar sowieso moet alles en iedereen eraan geloven. Zo schreef Wiener geregeld een ‘open brief’ aan de redactie van kranten en magazines omdat hij vond dat een van zijn boeken onheus werd besproken of om te wijzen op een taalfout in een of ander artikel. De brieven aan bepaalde officiële instanties (lees die ene brief aan het ziekenfonds Spaarneland!), een reactie op een contactadvertentie of een boze brief aan buren die willen dat Wiener een boom uit zijn tuin verwijdert, staan garant voor comic relief en hilariteit, ter afwisseling met de occasionele scheldtirades en woede-uitbarstingen. Aangrijpende brieven gericht aan zieke leerlingen zorgen dan weer voor ontroering en tonen een groothartige en gevoelige Wiener    

De aan de omstandigheden aangepaste furie, geestdrift en woede vloeit even makkelijk uit de pen wanneer Wiener kunstbroeders aanschrijft. Zo windt Wiener in een brief aan Joost Zwagerman, na lezing van diens bundel Pornotheek Arcadië, er geen doekjes om:
 
‘Waar het om gaat is dat ik uw essayistisch werk wel degelijk waardeer, al heeft het iets gezochts en schurkends. Nergens heb ik tot nu toe iets ontdekt dat u zelf heeft bedacht.’  
 
Aan het adres van Geerten Meijsing klinkt het — even rechtuit — dat zijn bekroonde roman Tussen mes en keel ‘mank gaat van de onvolkomenheden.’ Aan de andere kant steekt Wiener zijn goede vriend A.L. Snijders een hart onder de riem wanneer die klaagt dat al zijn boeken in de ramsj vliegen en moedigt hij Dimitri Verhulst aan om zo verder te schrijven na een bevredigende lectuur van De helaasheid der dingen. Evenzeer bijzonder innemend (en grappig) zijn de verschillende brieven die Wiener schrijft aan invloedrijke literatoren en professoren om voor Brouwers een eredoctoraat te verkrijgen.
 
In een brief aan A.L. Snijders (gedateerd 17 mei 2001) schrijft Wiener, in al zijn voorzienigheid:  
 
‘Een gevolg van het feit dat ik eigenlijk hier zit om verder te werken aan Nestor is wel dat mijn brieven aan jou steeds langer worden. Daar is trouwens helemaal geen schade mee gedaan, integendeel, want na mijn dood in 2030 wordt mijn gehele correspondentie uitgegeven en in alle universiteitsbibliotheken bijgezet. Je weet nooit waar het goed voor is.’
 
Na het lezen van Fallen leaves weet je het antwoord op deze retorische vraag beter dan ooit: omdat deze grandioze correspondentie een indrukwekkend totaalbeeld geeft van de schrijver én de Mensch Wiener. Dit zijn geen dead leaves, maar wel vallende bladeren waarin Wiener, in de herfst van zijn leven, zijn ziel bloot legt. Deze mooie bundel is dan ook een onlosmakelijk deel van het oeuvre en mag niet ontbreken in de boekenkast van iedere rechtgeaarde Wieneriaan.  
 
L.H. Wiener: Fallen leaves: brieven van 1966-2016, Atlas Contact, Amsterdam 2017, 560 p. ISBN 9789025449247. Distributie: VBK België

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 11, DECEMBER 2018

Berta Isla

Javier Marías

De klaverknoop

Paul Demets

Het amusement

Brecht Evens

International Bakery (voorheen Cinema Royale)

David Nolens

Michael Ondaatje

Blindganger

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 11, DECEMBER 2018

De blauwe vleugels

Jef Aerts, Martijn Van der Linden (ill.)

De pittige pruim die een pop werd

Vojtěch Mašek, Chrudoš Valoušek (ill.)

De torens van Beiroet

Paul Verrept

De waarheid volgens Mason Buttle

Leslie Connor

Het mysterie van niks en oneindig veel snot

Jan Paul Schutten, Floor Rieder (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri