Vertaald proza

BOEKEN NR. 3, MAART 2018

Karel Čapek: Meteoor

door Laurent De Maertelaer

De ondoorgrondelijkheid van een ongewoon leven
 
Tijdens een storm stort een vliegtuigje ‘als een gloeiende meteoor’ neer. De piloot overleeft de crash niet, de passagier wordt zwaargewond naar het ziekenhuis afgevoerd. Hij is buiten bewustzijn, heeft geen papieren bij zich en is onherkenbaar door zijn brandwonden. In zijn ziekbed wordt hij van kop tot teen gehuld ‘in een enorm kluwen van wit, zorgvuldig gewikkeld verband’. Omdat niemand iets weet over de identiteit van het slachtoffer krijgt hij de naam ‘geval X’.
 
Vanuit vier verschillende standpunten reconstrueert Karel Čapek (1890-1938) in zijn wervelende roman Meteoor (1934) het levensverhaal van deze mysterieuze onbekende. Een dokter baseert zich op deductie, ‘een barmhartige zuster’ laat zich leiden door haar dromen, een helderziende door zijn intuïtie en een schrijver door zijn verbeelding. Wat is de waarheid? Hoe ziet een ander zijn leven eruit?  
 
Čapeks trilogie
Čapek werd vele jaren na zijn dood door zijn landgenoten uitgeroepen als de grootste Tsjechische auteur allertijden. In 1936 was hij genomineerd voor de Nobelprijs. Geen onderwerp was hem vreemd en de genres waarin hij zich bekwaamde, gingen heel breed. Zo schreef hij naast detectives, reisverhalen en kinderboeken, ook een erg vermakelijk boek over tuinieren, Het jaar van de tuinier (recent weer beschikbaar als Rainbow-pocket, Muntinga 2018). In 2009 vertaalde Kees Mercks voor uitgeverij Voetnoot Prenten van Holland, een reisverslag van toen Čapek in juni 1931 op bezoek was in Nederland om er het negende Internationale PEN-congres bij te wonen, dat toen in Den Haag plaatsvond.
 
Maar Čapek maakte in eerste instantie naam met boeken die we nu onder ‘ciencefiction zouden klasseren, dystopische vertellingen in de trant van H.G. Wells, Aldous Huxley of George Orwell. Beroemd is zijn roman Oorlog met de Salamanders (1936), waarin intelligente reptielen de wereld veroveren. Het boek wordt vaak gelezen als een verdoken kritiek op het toen opkomende fascisme. In dezelfde categorie hoort de nucleaire toekomstfantasie Krakatiet (1924) thuis, net als zijn toneelstuk R.U.R. (1920, nummer 8 in de reeks Slavische Cahiers) waarin hij als eerste het woord ‘robot’ gebruikt.  
 
Het werk van Čapek is in ons taalgebied sinds enkele jaren bezig aan een heuse remonte. Dat is mede de verdienste van vertaalster Irma Pieper, die tien jaar geleden het werk van de grote Tsjechische schrijver herintroduceerde met een vertaling voor Wereldbibliotheek van Een doodgewoon leven (1934). In 2011 volgde Oorlog met de salamanders en in 2016 Krakatiet. Met Meteoor voegt ze een vierde titel toe aan dit rijtje puike vertalingen voor diezelfde uitgeverij.  
 
Meteoor is het tweede deel van een trilogie. In het eerste deel, Hordubal (1933), dat Pieper momenteel aan het vertalen is, staan twee versies van een moord centraal. De roman start met een beschrijving van de misdaad zoals die werkelijk is gebeurd, het tweede deel bestaat uit het revelerend rechtbankverslag, inclusief de opmerkingen van rechercheurs en getuigen. Het slot van de trilogie is Een doodgewoon leven (1934, Piepers vertaling uit 2008 werd in 2017 herdrukt), waarin een gepensioneerde stationschef besluit zijn leven zoals het ‘werkelijk’ is gebeurd op schrift te stellen. Gaandeweg beseft hij dat hij een grote leugen aan het neerschrijven is en past zijn memoires aan. Zo ontstaan er twee versies van één leven.  
 
De delen van de trilogie zijn probleemloos los van elkaar te lezen en hebben elk een eigen insteek. Ze delen geen personages, maar hebben wel een gemeenschappelijke grondvraag: wat zijn de grenzen van de menselijke cognitie? Hoe goed kunnen we de werkelijkheid kennen? Daarom worden de drie romans samen ook wel eens de noëtische trilogie genoemd. ‘Noëtisch’ komt van het Grieks  ‘nous’ (νούς) en verwijst naar het bovenrationeel kenvermogen van de mens. Het is een kennen van de wereld dat het zuiver discursief denken overstijgt, een soort van intellectuele intuïtie.
 
Relativisme
Om geval X zijn identiteit terug te geven baseren vier personages zich op een dergelijke intuïtie. Het leven van X — die letterlijk uit de lucht komt vallen — roept alleen maar vragen op: waar komt hij vandaan, waarom zat hij in een vliegtuig tijdens een storm, wat was zijn bestemming, etc.? Elk om beurt bouwen de verschillende vertellers in Meteoor hun eigen versie op van een bestaan waarover ze niets weten, gebruikmakend van hun eigen talenten, herinneringen en kennis. Net als in  Ryunosuke Akutagawa’s kortverhaal 'In het bos' (1922), de basis voor Akira Kurosawa's film 'Rashōmon' (1950), komt zo de eindeloze ambiguïteit van de werkelijkheid onvermijdelijk en meedogenloos naar boven.  

De eerste die een poging onderneemt, is een arts. Samen met een collega-internist steunt hij zoveel mogelijk op feiten. Door deductie (en een flinke scheut speculatie — ‘die ars medica van ons is voor vijftig procent intuïtie’) komen ze tot enkele besluiten: een ankertatoeage bijvoorbeeld wijst erop dat X een zeeman is, zijn smalle voeten doen vermoeden dat hij uit de betere klasse stamt en een litteken van een klauwwond zou kunnen wijzen op een verblijf in een tropisch gebied (indien de klauw van een jaguar was wellicht West-Indië). Op basis van zijn lichaamsbouw en gestel concluderen de dokters dat X een alcoholicus is en herstellende van de gele koorts. Een aantal elementen van deze diagnose komen deels terug bij de volgende vertellers.
 
In een volgend stuk vertelt een ‘barmhartige zuster’ (een verpleegster-non die onverdroten over X waakt aan zijn bed) over haar dromen. Geval X verschijnt in haar dromen als een avonturier, in wit kostuum en met een tropenhelm. Hij vertelt haar over zijn harde jeugd (hij groeide op zonder moeder, met een vader die hem niet begreep), zijn liederlijk leven ten gevolge van een onbeantwoorde liefde en de reden van zijn vlucht. Eerst vallen de dromen in de smaak bij de non, maar geleidelijk boezemen ze haar angst in en neemt ze zelfs slaappillen om eraan te ontsnappen. In het verhaal van de zuster maakt Čapek op een creatieve wijze gebruik van Freuds droomduidingsleer.  
 
Ook in de versie van de helderziende, een andere patiënt in het ziekenhuis, zitten er freudiaanse elementen. Zijn interpretatie heeft enkele raakvlakken met het verhaal van de verpleegster, maar onderscheidt zich vooral door de filosofische uitweidingen en zweverige hypotheses. Hier is X een scheikundige, die eveneens zonder moeder opgroeide en zich afzette tegen een tirannieke vader. Hij leeft voor de chemie en ontdekt een bijzonder krachtige scheikundige formule. Wanneer hij de formule niet kan verzilveren en ze bovendien in de verkeerde handen terechtkomt, raakt hij op de dool en zwerft de wereld rond.  
 
De laatste versie is die van de schrijver, een toevallige bezoeker van het ziekenhuis (hoewel de helderziende voordien al — Mulisch-gewijs — had gesteld dat toeval niet bestaat). Zijn verhaal is het langste en beslaat meer dan de helft van de roman. In de aanloop naar de pointe gebruikt Čapek het schrijverspersonage als een spreekbuis voor zijn eigen poëtica. De schrijver loodst de lezer binnen in een complex en tragisch verhaal met gelijkaardige  basisingrediënten als de vorige vertellers: een ongelukkige jeugd, een onbeantwoorde liefde en een avontuurlijk, losbandig leven. Zoals het een schrijver betaamt, kruidt hij het geheel met intriges, misdaad en bedrog. Opvallend is dat geval X hier een naam krijgt (George Kettelring) en uit het laatste korte hoofdstuk van een halve bladzijde blijkt de versie van de schrijver meteen ook de meest waarheidsgetrouwe.  
 
Negenendertig hoofdstukken lang onderzoekt Čapek in deze kleurrijke en erg onderhoudende roman de breuklijn tussen fictie en non-fictie: wat is de waarheid, wat is echt gebeurd, wat is verzonnen, wat kunnen we weten over elkaar? Met zijn droge humor trekt Čapek resoluut de kaart van het relativisme: aan de hand van subtiele, komische elementen maakt hij duidelijk dat de absolute waarheid niet te achterhalen is. Net als in de andere delen van de noëtische trilogie is de waarheid relatief en steeds een subjectief gegeven — afhankelijk van de mens, de waarnemer en de omstandigheden. Of om met de eerste relativist en presocratische filosoof Protagoras te spreken: de mens is de maat van alle dingen.

Karel Čapek: Meteoor, Wereldbibliotheek, Amsterdam 2017, 192 p. ISBN 9789028427259. Vertaling van Povětroň door Irma Pieper. Distributie: Elkedag Boeken 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 5, MEI 2018

Het genootschap van onvrijwillige dromers

José Eduardo Agualusa

Ik wordt

Harry Vaandrager

niets=iets

Wouter Godijn

Pachinko

Min Jin Lee

Terug naar Reims

Didier Eribon

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 5, MEI 2018

De muis en de muur

Britta Teckentrup

Ei! Ei!

Harriët van Reek en Geerten Ten Bosch

Het wonderlijke verhaal van Angelino Brown

David Almond

Liebermann. De zee van meneer Max

Koos Meinderts, Annette Fienieg (ill.)

Veertien

Tamara Bach

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri