Letterkunde

BOEKEN NR. 4, APRIL 2018

Rudy Schreijnders: Rudy Kousbroek in de essayistisch-humanistische traditie

door Christophe Van Eecke

Rudy Kousbroek is als atheïstisch en rationalistisch essayist een interessante figuur binnen de Nederlandse letteren, maar ook iemand die (vermoedelijk) niet zo vaak meer wordt gelezen. Bijgevolg valt het toe te juichen dat een lijvige kritische studie aan zijn werk wordt gewijd door een auteur die daarnaast ook het Kousbroek-archief bij het Literatuurmuseum aan het ontsluiten is en zich dus bij uitstek geplaatst weet om Kousbroeks oeuvre van binnen en van buiten te kennen. Dit boek is bovendien tevens het proefschrift van de auteur. 
 
Proefschriften worden in toenemende mate meteen als boek gepresenteerd (wat betekent dat ze een ISBN-nummer krijgen en vaak in beperkte oplage een gedrukte gedaante aannemen), en daar is een goede reden voor: omwille van het open access-principe maken veel universiteiten proefschriften sowieso via een database openbaar beschikbaar, waardoor het niet altijd evident is voor de promovendus om hun boek daarna ook nog in een handelseditie aan de m/v te brengen; vooral niet als het publiek voor het boek vrij beperkt is. Men kan dan van de nood een deugd maken door het proefschrift te ‘verboeken’. Daar is niets mis mee; het is integendeel in toenemende mate common practice (ondertekende heeft het ook gedaan).
 
In zijn studie stelt Schreijnders de vraag of en hoe Kousbroeks werk in de humanistische traditie van Montaigne en Multatuli kan worden geplaatst. Het is met andere woorden zijn bedoeling om Kousbroek enigszins te canoniseren door zijn werk in een duidelijke traditie onder te brengen. Daarbij stoot hij, zoals hij zelf aangeeft, op twee problemen: enerzijds is het essay als literair genre moeilijk eenduidig te definiëren, terwijl anderzijds hetzelfde geldt voor de humanistische traditie. In zijn inleiding kiest Schreijnders voor een pragmatische oplossing door een aantal kenmerken aan te halen die typerend zijn voor de essayistisch-humanistische traditie.
 
In de volgende hoofdstukken toont hij aan hoe deze kenmerken aan te wijzen zijn in het werk van Montaigne en Multatuli, die hij naar voor schuift als coryfeeën van deze traditie, en ook in het werk van Kousbroek. De lijst van kenmerken is duidelijk omschreven: de blik is op de mens en de wereld gericht; er is een kritische kijk op de wereld en op zichzelf; de auteur kijkt over grenzen heen (hij/zij is een ‘grensganger’); de auteur denkt autonoom en schikt zich niet naar dogma’s of vooraf afgebakende denkschema’s; stijl wordt ingezet om te overtuigen en ironie om te bekritiseren.
 
De lezer kan zich daarbij de vraag stellen of deze kenmerken niet te algemeen zijn geformuleerd om een specifiek humanistische traditie aan te duiden. Enkel het kenmerk van het autonome denken, wat het verwerpen van vaste leefregels en denkpatronen impliceert, onderscheidt deze manier van denken duidelijk van bijvoorbeeld een religieuze denktrant. En dan nog: er zijn nogal wat dissidente gelovige intellectuelen die graag de ironie hanteren om hun punt door te drijven. In die zin mist de analytische insteek van dit boek enige scherpte.
 
Het voornaamste probleem met Schreijnders boek bevindt zich evenwel elders. Doorheen het hele betoog verwijst hij zeer regelmatig, en vaak overwegend, naar Nederlandse academici van humanistische stempel, waardoor men als lezer de indruk krijgt dat er een beperkt blikveld wordt gehanteerd. Het boek is met andere woorden nogal eenkennig; het riep bij deze lezer herinneringen op aan de vaak parochiale en intellectueel weinig opwindende twisten tussen pakweg Herman De Dijn en Etienne Vermeersch over ethische kwesties. Met name over Montaigne bestaat bijvoorbeeld een prachtige internationale (uiteraard Franse, maar ook Angelsaksische) literatuur die hier niet of onvoldoende aan bod komt. Talloze inzichten en theorieën worden toegeschreven aan Nederlandse academici, waardoor een ons-kent-ons-gevoel ontstaat. Dat is jammer, omdat het enerzijds de autoriteit van het boek ondermijnt, maar anderzijds mogelijk ook het publiek beperkt. Soms lijkt Schreijnders iets te veel voor gelijkgestemden te (willen) schrijven en punten te willen scoren bij professionele collega’s.
 
Een tweede probleem betreft de betoogtrant. Die is zeer schools. Elk hoofdstuk begint met een herneming van de onderzoeksvraag, en de hoofdstukken zelf zijn zeer gelijkaardig opgebouwd. Kortom, wat men leest, is in stilistisch opzicht een zeer braaf en conventioneel opgebouwd proefschrift veeleer dan een boek. Maar wanneer men een proefschrift schrijft met het oogmerk om het meteen ook als boek de wereld in te sturen, verdient het aanbeveling om het proefschrift dan ook meteen als een boek te schrijven. Schreijnders heeft zich in dat opzicht te weinig bezonnen over genre en stijl. Het voordeel is dat zijn betoog ontzettend helder en goed gestructureerd is; het nadeel is dat het weinig opwindende lectuur oplevert.

De beste stukken bevinden zich in het (langste) deel over Kousbroek zelf, en met name wanneer Schreijnders ingaat op een aantal thema’s (religie in de maatschappij, de rol van de wetenschap in de strijd tegen domheid, maar bijvoorbeeld ook een aantal anekdotes uit Kousbroeks jeugd) die Kousbroek na aan het hart lagen. Dan krijgt zijn betoog zelf een essayistische flair die de lezer aanzet om Kousbroek zelf ter hand te nemen. In die zin biedt het boek een uitstekende inleiding tot Kousbroeks werk (en, in veel beperktere opzet, tot Montaigne en Multatuli) terwijl de onderzoeksvraag zelf (het plaatsen van Kousbroek in een humanistische traditie) iets te veel, en op te didactische manier, een open deur intrapt.
 
Rudy Schreijnders: Rudy Kousbroek in de essayistisch-humanistische traditie, Papieren Tijger, Breda 2017, 398 p. ill. ISBN 9789067283342. Distributie EPO 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 4, APRIL 2018

Het Amerikaanse Westen van Willy Vlautin

Melancholie en verval

Hugo Claus. Familiealbum

Georges Wildemeersch

Lucebert. Biografie

Wim Hazeu

Voor het vergeten

Peter Verhelst

Zo kan het niet langer

Paul Bogaert

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 4, APRIL 2018

Moemf heeft een vriend. Voorleesverhalen

Annette Herzog, Ingrid & Dieter Schubert (ill.)

Pulletje

Marco Kunst, Henriette Boerendans (ill.)

Toen Alfie verdween

Gerda De Preter

Vlinders in het mijnenveld

Daniel Billiet

Zo raar

Inger Hagerup, Paul René Gauguin (ill.)

naar overzicht


‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri