Vertaald proza

BOEKEN NR. 5, MEI 2018

Vigdis Hjorth: Zomerhuis

door Liesbeth Vantorre

Feit in fictie, onverbloemd en ongenuanceerd
 
Zomerhuis leek in heel wat opzichten een veelbelovend boek te worden. Vigdis Hjorth is in haar thuisland Noorwegen een gevierd schrijfster. Er staan heel wat literaire prijzen op haar palmares en bovendien is haar werk veelvuldig vertaald. Net als het werk van haar landgenoot en wereldwijde bestsellerauteur Karl Ove Knausgård leidde ook de publicatie van Zomerhuis tot een gespannen debat over de grens tussen feit en fictie in proza en over de vraag of het wel gepast is dat bepaalde mensen zich bijna één op één herkennen in een van de personages.
 
In het geval van Knausgård was de herkenning vooral pijnlijk voor naaste familieleden en zijn echtgenote. Heel intieme en moeilijke passages uit zijn relatie met voornoemde werden immers voor een internationaal publiek ‘uitgesmeerd’. Zijn reeks Mijn strijd (2009-2011) bestaat uit zes vuistdikke delen die telkens vanuit een ander perspectief zijn eigen leven vertellen. Hij verandert zelfs de namen van zijn familieleden niet. Bij hem is er dus zelfs geen kwestie van twijfel wat herkenning betreft.
 
Dat de echtgenote van Knausgård zich misschien wat te kijk gezet voelde, is meer dan begrijpelijk. Maar eigenlijk zet de auteur vooral zichzelf te kijk. Hij roeit met de riemen die hij heeft, met de zware familiale bagage die hij draagt. Hij fileert zichzelf en zijn naasten, zodat de zweem van egocentrisme die rond de reeks zou kunnen hangen, vreemd genoeg afwezig is. En vervelen doet het al helemaal niet.
 
Hoewel ze beiden heel wat stof hebben doen opwaaien over de nadrukkelijke en onverbloemde aanwezigheid van feit in fictie, ligt het werk van Knausgård en Hjorth mijlenver uit elkaar. Niet alleen qua thematiek, maar vooral qua stijl en uitwerking.
 
Kindertijd
In Zomerhuis beschrijft Hjorth hoe ze misbruik in haar kindertijd heeft verwerkt. Of beter: hoe ze probeerde te leven met de weigering van haar moeder en zussen om die gebeurtenissen te erkennen. Het hoofdpersonage Bergljot werd van haar vijfde tot haar zevende seksueel gebruikt door haar vader. Haar moeder vermoedde dat er iets aan de hand was, maar greep niet in, behalve dan door haar meer aandacht te geven dan de andere kinderen. Een misbruikt kind gaat immers aan de drugs en de drank en wie weet gaat ze het verhaal dan rondbazuinen, zo redeneerde de moeder. Er werd nauwlettend toegezien op haar studies en haar moeder stimuleert haar, meer dan haar andere kinderen, om aan zinvolle vrijetijdsbesteding te doen.
 
Het is pas wanneer ze zelf kinderen heeft, dat het stilaan tot Bergljot doordringt wat haar als kind overkomen is. Ze confronteert haar moeder ermee. Die toont zich eerst erg bereid om te luisteren, maar weet haar dan toch met stellige zekerheid te zeggen dat dit niet mogelijk is. Met zo’n man had ze immers nooit kunnen trouwen. Ook haar zus Astrid lijkt eerst begripvol, maar twijfelt dan toch aan haar verhaal. Echte concrete herinneringen aan misbruik heeft Bergljot immers niet meer. Het zijn eerder herinneringen aan vreemde situaties in bed met haar vader. Astrid kiest dus de weg van de minste weerstand en gelooft haar ouders. Bergljot neemt afstand van haar familie, net zoals haar oudere broer Bård (die op zijn beurt in zijn jeugd bijzonder hard aangepakt werd door zijn vader). Maar wanneer haar ouders een eind in de tachtig zijn, blijkt dat haar zussen Asa en Astrid de zomerhuizen zullen erven en zij en Bård de veel te laag ingeschatte waarde van de huizen uitbetaald zullen krijgen. Een bijzonder heftige thematiek dus. Jammer genoeg slaagt Hjorth er niet in om die thematiek een passende vorm te geven.
 
Erkenning
Dat neemt natuurlijk niet weg dat het op papier zetten van zulk een gevoelig en persoonlijk verhaal zonder meer van dapperheid getuigt. In Vlaanderen deed een gelijkaardige getuigenis van Griet Op de Beeck heel wat stof opwaaien. De auteur komt in het middelpunt van de belangstelling te staan en iedereen heeft wel een oordeel klaar. Terwijl het de slachtoffers vaak in de eerste plaats om erkenning te doen is, niet om extra oordelen en meningen. Die wens erkend te worden, is wat persoonlijke getuigenissen zoals die van Hjorth, Op de Beeck en – binnen een andere thematiek – Knausgård met elkaar lijkt te verbinden. In de literaire uitvoering ervan zit echter een hemelsbreed verschil.
 
Zomerhuis is zowat het tegenovergestelde van de Mijn strijd-reeks van Knausgård. Knausgård gebruikt evenveel perspectieven als hoofdstukken, waardoor je dezelfde personages en dezelfde situaties steeds beter leert kennen en begrijpen. Zijn verhaal is genuanceerd en zelfs de drijfveren van de minst sympathieke personages begin je na drie boeken stilaan te begrijpen. Zomerhuis mist die nuance volledig.
 
Symbolische herhaling
Hjorth maakt veelvuldig gebruik van symboliek die weinig aan de verbeelding overlaat. Zo beginnen de namen van de twee oudste, maar minst ‘geliefde’ of meest problematische kinderen met een B: Bård en Bergljot. De namen van de jongste en meest geliefde kinderen beginnen met een A: Asa en Astrid. De twee oudste kinderen komen dus op de tweede plaats. In menig opzicht, maar vooral wat de erfenis betreft. In dezelfde lijn schuwt Hjorth ook de herhaling niet. Zo zet ze op p. 94 een passage over een reis naar Slowakije af tegen haar donkere leven in Noorwegen door het gebruik van de kleur wit:
 
‘Het lukte me in te checken met Bo Schjerven op Fornebu en met hem in het vliegtuig naar Slowakije te stappen, het was wit. De wolken waren wit, en de hemel boven de wolken blauwwit, we dronken witte wijn, en werden licht en bijna doorzichtig als de lucht, we landden en werden afgehaald in een wit busje en naar een wit slot (…) gebracht.’
 
Het citaat gaat zo nog even door.
 
Op pagina 191 probeert Hjorth door het gebruik van herhaling gedurende een drietal pagina’s de vreselijke ervaring onder woorden te brengen die haar tijdens de verdeling van de erfenis overkwam:
 
‘[I]k bestelde een biertje en moest dat heel snel hebben en kreeg het en dronk, het was echt verschrikkelijk, zei ik. Tale belde, het was echt verschrikkelijk, zei ik, ze vlogen me naar de keel, zei ik. Moeder stond al op om te gaan toen ik nog niet eens bij de tweede alinea was, zei ik, toen Bård vroeg waarom ik het zou zeggen als het niet waar was (…) vertelde Ebba hetzelfde, het was echt verschrikkelijk, zei ik (…).’
 
Dat het gesprek verschrikkelijk was, begrijp je nogal snel, zeker wanneer je in eerdere passages over het gesprek zelf hebt gelezen. Maar Hjorth legt het er zo vingerdik boven op dat ze haar doel voorbij schiet. De pagina’s lange herhalingen zijn niet functioneel. Ze zijn gewoon vervelend.
 
Karaktertekening
Andere elementen die wijzen op een gebrek aan nuance zijn enerzijds de manke uitwerking van de personages en anderzijds het benoemen van de grote emoties. Het enige verhaal dat uitwerking verdient, is dat van Bergljot Maar ook in haar karakterschets ontbreekt nuance. Meer dan eens lees je dat ze een fles wijn moet drinken om in slaap te vallen, bijvoorbeeld. Een nogal onverbloemde manier om te stellen dat ze een drankprobleem heeft. Maar hoe ze zich verhoudt tot haar geliefden (haar kinderen en haar vriend) is veel minder duidelijk. Hoewel dat voor een verhaal rond dit onderwerp net razend interessant kan zijn. Welke sporen hebben het misbruik nagelaten in haar leven als moeder en partner? Die vragen worden helemaal uit de weg gegaan. Bergljot denkt veel na over wat anderen zeggen en bedoelen, maar over zichzelf eigenlijk niet heel erg.
 
Als Bergljot over zichzelf vertelt, gebruikt ze doorgaans nogal grote emoties. Op pagina 93 vertelt ze over het moment waarop ze in psychoanalyse ging:
 
‘Ik was fundamenteel ongelukkig, verscheurd, in shock en in rouw, maar was met psychoanalyse begonnen, had een stap in de richting van verandering gezet, was een proces begonnen ook al was dat pijnlijk en hachelijk.’
 
Dit is niet alleen een interessante passage wat het nogal met emoties overladen taalgebruik betreft, ze illustreert ook de summier uitgewerkte relaties met de andere personages. Het is duidelijk: Bergljot wil wél haar best doen, ook al is het pijnlijk en hachelijk, in tegenstelling tot haar zussen en moeder. De roman is doorspekt met dit soort fragmenten waarin ze op zoek is naar bevestiging. Het lijkt ook enkel om die reden te zijn dat er andere personages in het boek voorkomen.
 
Een Grieks koor
Haar moeder en zussen zijn er om op een nogal eendimensionale manier ‘de andere partij’ te vertegenwoordigen. Niet alleen krijgt de lezer geen inzicht in hun karakter, ze worden ook enkel opgevoerd wanneer het uitkomt in het verhaal van Bergljot, wanneer ze haar – al dan niet onbedoeld – pijn berokkenen. Elke poging van Astrid om in gesprek te gaan wordt afgeblokt. Ze legt haar zus ook woorden in de mond die je enkel maar kunt vermoeden. Op pagina 118 staat er:
 
‘Misschien had ze gehoopt dat ik wanhopig en buiten mijzelf zou zijn omdat vader was gestorven zonder dat we ons verzoend hadden, dat ik nu spijt had dat ik zo koppig on [sic] onverzoenlijk was geweest, spijt had dat ik had gebroken, gehoopt dat ik een slecht geweten zou hebben nu het te laat was om sorry te zeggen tegen vader.’
 
Dat is een manier van Bergljot om haar onzekere gevoelens over het overlijden van haar vader te ventileren. Maar het gebeurt wel weer op een negatieve manier via een personage dat zelf geen stem krijgt.
 
Maar zelfs de personages die ze wel graag ziet en waar ze wel steun aan heeft, mogen enkel de revue passeren als ze Bergljot bevestigen. Haar vriend is enkel interessant – zo lijkt het toch tenminste – omdat hij een zomerhuisje ter beschikking heeft waarin ze soms gaat schrijven. Voor de rest hoor je hem wel eens zuchten omdat hij vindt dat ze zich toch iets te veel laat meeslepen door de situatie. Gevolg: de stem van haar vriend klinkt nauwelijks. Bergljot heeft ook wat vrienden, waaronder Bo, die enkel aan bod komen wanneer het ter bevestiging is van haar gevoelens. Over hun leven of karakter kom je niet meer dan het absolute minimum te weten. Ze fungeren meer als een onpersoonlijk Grieks koor, dat het hoofdpersonage waarschuwt of bevestigt in haar handelingen. Haar kinderen zijn eenzelfde lot beschoren. Op pagina 214 krijgt ze echter een opflakkering van inzicht:
 
‘Is het je weleens opgevallen, vroeg ik mezelf, hoe je alle analyses van Bo gebruikt in je eigen voordeel?’
 
Een gebrekkige uitwerking van de personages brengt ongewild ook een verhaal zonder evolutie met zich mee. Hoewel Bergljot voortdurend aan het woord is, krijgt ook zij weinig body. De lezer komt veel te weten over haar verleden, maar leert haar niet echt kennen. Haar personage groeit niet. Haar naasten komen dan weer nauwelijks aan het woord. Dat levert jammer genoeg een eendimensionale roman op over een nochtans rijk en complex thema.  
 
Vigdis Hjorth: Zomerhuis, Ambo/Anthos, Amsterdam 2018, 316 p. ISBN 9789026340369. Vertaling van Arv og miljø door Neeltje Wiersma. Distributie VBK België 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 11, DECEMBER 2018

Berta Isla

Javier Marías

De klaverknoop

Paul Demets

Het amusement

Brecht Evens

International Bakery (voorheen Cinema Royale)

David Nolens

Michael Ondaatje

Blindganger

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 11, DECEMBER 2018

De blauwe vleugels

Jef Aerts, Martijn Van der Linden (ill.)

De pittige pruim die een pop werd

Vojtěch Mašek, Chrudoš Valoušek (ill.)

De torens van Beiroet

Paul Verrept

De waarheid volgens Mason Buttle

Leslie Connor

Het mysterie van niks en oneindig veel snot

Jan Paul Schutten, Floor Rieder (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri