Nederlands proza

BOEKEN NR. 6, JUNI 2018

Hugo Claus: De verwondering

door Christophe Van Eecke

Braakbal als literair objet d’art: Claus’ Verwondering
 
De braakbal als literair objet d’art: zo zou men Claus’ mythische roman De verwondering, in 1962 voor het eerst op het nog steeds enigszins verbijsterd publiek losgelaten, redelijkerwijs kunnen omschrijven. Het boek, hier in een zeer verzorgde en uiterst leesvriendelijke kritische editie aangeboden, ontzegt de lezer systematisch ieder narratief houvast en sleurt hem/haar mee in de draaikolk van een romaneske afdaling in een echt Flämisch rioolputje. Bij monde van de protagonist en enkele van zijn mogelijke alter ego’s zelf, reconstrueert het de ongezonde obsessie die Victor-Denijs de Rijckel, leraar Duits-Engels aan een Oostendse school, tijdens een gemaskerd bal in het Kursaal, dat hij bijwoont om een sociale verplichting ten dienste van zijn door hem verachte schooldirecteur te ontvluchten, opvat voor een vrouw die als een feniks uit een collage van Max Ernst of een tekening van Patrick Conrad (wiens beeldtaal, bijvoorbeeld in zijn obscure cult-film Mascara (1987), achteraf beschouwd mogelijk wel schatplichtig mag heten aan Claus’ boek) in zijn blikveld verschijnt.  
 
Op het strand van Oostende verdwijnt ze in het duister op de rand van de brekende golven, en wordt vervolgens (met de hulp van een puer ex machina die De Rijckel de weg wijst) herontdekt op het landgoed Almout, gelegen in een fictief West-Vlaams dorp enigszins landinwaarts in de polders en, zo wordt gesuggereerd, de ruimere regio rond Torhout om precies te zijn. Daar voert zij de scepter over de potsierlijke herdenking en heldencultus van een spoorloos verdwenen en sinds lang dood gewaande Vlaamse SS’er genaamd Crabbe, wiens geest al dan niet bezit neemt van De Rijckel. Na een identiteitsverwisseling doet die zich voor als iemand anders (een Nederlands historicus die over Crabbe schrijft) en misleidt zo zijn feniks en haar entourage, en zinkt vervolgens steeds dieper weg in de waanzin, of doet misschien slechts alsof. Al kan daarover geen uitsluitsel worden geboden op basis van wat de roman, in haar caleidoscoop van beelden, intertekstuele referenties en bij momenten verbluffend vaardig voortdravende thriller-elementen de lezer aanreikt.
 
De verwondering is een onmogelijke roman: frustrerend maar obsederend, zwelgend in haar eigen overdaad en ziek van haar eigen overdaad, met een precies maar irreëel begin en nog geen begin van een al even irreëel einde, en een constant wrikkend gevoel dat hier een persoonlijke afrekening speelt: niet meteen een roman à clef, maar toch zeker een boek dat iets te zeggen heeft over collaboratie en repressie in Vlaanderen (waar Claus zelf over kon meespreken), over het diepgewortelde cretinisme (een woord dat Claus, zoals geciteerd in Kevin Absillis’ nawoord, zelf gebruikt) van de Vlaming, en een boek dat toch in grote mate uiting lijkt te geven aan een diepe walging en alomvattend pessimisme betreffende de mensheid.
 
Zoals Kevin Absillis in zijn bijzonder helder en behulpzaam nawoord toelicht, is de roman opgebouwd als een persiflage van het traditionele heldenepos, een helletocht waarbij de held op zoek naar zijn weinig zuivere edelvrouw, zich laat gidsen door een al even onzuivere dertienjarige knaap (waarvan hij door enggeestige dorpelingen wordt verdacht hem te hebben ontvoerd voor pedofiele doeleinden, wat vervolgens leidt tot chantage en mogelijk een aanranding van de knaap door de dorpelingen zelf veeleer dan tot een poging om de jongen, die er verder helemaal zijn schik in lijkt te hebben, te bevrijden, te redden, thuis te brengen), en waarin alle klassieke motieven van het genre binnenstebuiten worden geplooid, op hun hoofd worden gezet, en doorspekt met groteske kitsch. Dat laatste niet het minst in de wanstaltige beeldentuin van Almout, opgevat als een eerbetoon aan Crabbe en waarin men kan ronddwalen, zo men wil, als een personage in een nazistische operette-versie van L’Année dernière à Marienbad (Alain Resnais, 1961).

Bovenal, echter, is het boek een ware tour de force, een toonbeeld van absoluut stilistisch en narratief meesterschap, maar tegelijk zo weerbarstig en ondoorgrondelijk dat men zich de vraag kan stellen of Claus dit boek ook gepubliceerd had gekregen indien hij niet Claus was geweest, maar gewoon een anonieme debutant. Dit is het soort boek dat geen zinnig mens blijft lezen als je niet weet dat het een briljant boek van een grootmeester is, of toch behoort te zijn, en je het dus als dusdanig dient te lezen. Niet omdat het niet goed is, want het is integendeel monsterlijk meeslepend, maar omdat het veel meer van de lezer vergt dan de meeste andere boeken die men leest en die bovendien, althans doorgaans, tenminste het fatsoen hebben om te beginnen en te eindigen. Zelfs indien ze, zoals dit boek, onder meer handelen over een leraar die, naast het feit dat hij hitsig en homosociaal verbroederd met een dertienjarige knaap, rijpe nazi-vrouwen achterna zit tot in hun kasteel, zich door een van zijn vrouwelijke studentes heeft laten verleiden (een Lolita die van aanpakken weet) en vervolgens met haar is gehuwd, hoewel dat huwelijk niet bleef duren.
 
Er is zoveel in dit boek dat het zo makkelijk zou maken het als zoveel onzin opzij te leggen. Grandioze aanstellerij of superieure kitsch: het is het allebei, en tegelijk zoveel meer. Maar Claus weet zijn lezer vooral onder de huid te zitten (het is geen roman à clef maar mogelijk wel, als tekst veeleer dan als narratief gegeven, een daad van automythologie, een auto-schriftuur van de auteur in al zijn baldadige barokke polymorfie). De beeldtaal is buitengewoon filmisch, de fragmentatie hangt met de bezwerende lijm van een romige en roomse vadsigheid aaneen, en met een Freudiaanse trefzekerheid weet zij ons zelfs voor de meest surrealistische fabulaties te lijmen.
 
Het boek is beslist een product van zijn tijd. Talloze details (merknamen, culturele referenties, maar ook de surrealistische toon die zo vaak direct en indirect naar Delvaux, naar Max Ernst, naar de cinema lijkt te verwijzen), maar ook het decor van Oostende en zijn Kursaal, scheppen een parallel universum van la Flandre profonde als zwelgende beerput, maar uitgevoerd als luxe-praline in een met franjes omzoomde bonbonnière. In het hart van het snoepje zit echter niets dan verrotting. Wat begint als een voze, in drank en goedkope maskers gedrenkte orgie van rokkenjagerij op een bal masqué in Kursaal (de vermoeide erotiek van het primitieve willen-maar-niet-kunnen, genre P-Magazine avant la lettre en zonder een gram levensvreugde, ja echt Flämisch), eindigt met een klopjacht door de Vlaamse velden, een moderne charivari waarin de leraar om steeds onduidelijker wordende redenen (omdat hij SS’er is, omdat hij geen SS’er is, omdat hij een vrouw heeft verleid en misleid, omdat hij het lokale voetbalelftal voor was om, zo menen zij althans, een knaap te pakken) wordt opgejaagd tot hij uitgeput in de armen stort van wat zowel een zenuwarts als een SS’er kan zijn, met sterke behaarde armen. Op het omslag een door Claus zelf uitgezochte afbeelding van een harpij. Een walgvogel als embleem voor de braakbal als doorwrocht, pissig glanzend objet d’art, als mozaïek van halfverteerde en elegant weer uitgekotste obsessies, als Wunderkammer van de romaneske verbeelding. Embarquez en laat u infecteren.
 
Hugo Claus: De verwondering, bezorgd door Wendy Lemmens met een nawoord van Kevin Absillis, De Bezige Bij, Amsterdam 2018, 317 p. ISBN 9789403103600. Distributie Standaard Uitgeverij 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 7, JULI 2018

1793

Niklas natt och Dag

Bij storm aan zee

Philipp Blom

Jouw huid

Jeroen Theunissen

Spoken in Moskou

Joseph Roth, Gerda Dendooven (ill.)

Zus

Jan Lauwereyns

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 7, JULI 2018

Blokje om

Judith Vanistendael

Het leven achter de dingen

Daan Remmerts de Vries

Kwie kwie kwie kwie kwie

Camilla Dreef, Liset Celie (ill.)

Nu is later vroeger. Een boek over de tijd

Joke van Leeuwen

woorden temmen, 24 uur in het licht van Kila&Babsie

Kila van der Starre, Babette Zijlstra

naar overzicht


‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri