Poëzie

BOEKEN NR. 6, JUNI 2018

Willem van Toorn: De jongenskamer. Een gedicht

door Dirk De Geest

Willem van Toorn is ondertussen de tachtig voorbij, maar hij blijft onverminderd actief, als Kafka-vertaler (hij heeft zopas zijn eigen vroegere vertaling opnieuw ‘herzien’) maar ook als prozaschrijver en als dichter. Zopas verscheen van zijn hand een nieuwe lijvige bundel, De jongenskamer, die aansluit bij Van Toorns eerdere werk maar tegelijk toch enigszins andere accenten laat zien. Formeel valt op hoe de hier bij elkaar gebrachte gedichten niet alleen een vertellend karakter hebben, maar geconstrueerd worden tot een soort van roman in versvorm. In die zin combineert dit boek de verschillende genres waarin Van Toorn tijdens zijn lange loopbaan werkzaam is geweest. De lezer krijgt lyrische beschrijvingen en evocaties van anekdotes voorgeschoteld, maar evenzeer een overkoepelend web van betekenissen, motieven en symbolen dat erop gericht is de uiteenlopende gedichten als het ware extra bij elkaar te houden.
 
Thematisch kan men De jongenskamer lezen als een poëtische autobiografie. Net zoals in veel van zijn andere teksten put de auteur uit zijn eigen leven, maar ditmaal geeft hij misschien wel het meest prijs uit zijn verleden. De eerste gedichten schetsen de familiale voorgeschiedenis, met een deel van de familie op het platteland en een ander deel dat naar de stad is getrokken maar daar moeilijk kan aarden. De oude landelijke tradities (de godsdienst, de menselijke verhoudingen…) vermengen zich met de moderne drukte van het stadsleven.
 
Die complexe ervaring met het leven wordt nog sterker tijdens de cruciale jaren van de Tweede Wereldoorlog. De confrontatie met de honger en de terreur maakt in de kleine W (dat is de naam van het hoofdpersonage, in wie men zonder veel moeite Willem kan herkennen) een zoektocht los die hem voortaan tot een soort van buitenstaander transformeert. Hij bekijkt zijn omgeving vragend: de godsdienst, de sociale banden, de wereldpolitiek… worden aspecten die zijn leven en werk verder zullen bepalen. Die wereld wordt de daaropvolgende jaren drastisch vergroot, met tochten naar het Zuiden (Italië als een favoriet paradijs, ook voor de literator) en het Oosten (onder meer tijdens de woelige periodes in Praag en Berlijn). Dat resulteert in tal van verrijkende ontmoetingen, maar ook in het verdriet van het afscheid en in de verontwaardiging om allerlei vormen van tirannie en onrecht.

Wat deze gedichten zo boeiend maakt, is inderdaad de intense verwevenheid van het privébestaan – de dichter die zich maar moeilijk laat inkapselen in een burgerlijk bestaan en daaruit breekt – met een breed spectrum van de politieke en de maatschappelijke omwentelingen die hem overvallen. De zoektocht naar authenticiteit en vrijheid blijkt ook een collectief project, want overal vindt de dichter medestanders in die moeizame strijd. Veel verzen focussen op dergelijke cruciale gebeurtenissen en het ogenblik waarop ze zich aan hem hebben voorgedaan, en hier en daar lijkt er een soort van onontkoombaarheid mee verbonden. Het kind wordt bijvoorbeeld verwekt op het ogenblik dat een jonge drenkeling uit het water wordt gehaald, of de utopische droom van een Zuid-Afrikaanse professor wordt bruusk tenietgedaan door een onverhoedse hersenbloeding… Onder de deskundige pen van de dichter Van Toorn krijgen ogenschijnlijk banale gebeurtenissen en rituelen zo iets magisch, terwijl de wereldgeschiedenis omgekeerd een eindeloze herhaling van hetzelfde wordt. In het tweede deel van de bundel wordt dat verhaal als het ware overgedaan, maar in een meer subjectieve modus, met dichtersontmoetingen als centraal thema.
 
De jongenskamer is een integer en kwetsbaar verslag, duidelijk romantisch en melancholisch van toon. De dichter kijkt terug op een lang en intens leven, met een combinatie van voldoening en spijt. Hij spaart bij die zelfanalyse niemand, ook niet zichzelf. Net dat maakt deze bundel extra boeiend. Formeel zijn de gedichten erg wisselend van aard. Lange verhalende stukken (omzeggens proza) worden afgewisseld met sonnetten of lyrische beschrijvingen waarin de suggestieve dichter Willem van Toorn zijn gang gaat. De jongenskamer is weliswaar geen poëtisch hoogtepunt in dit oeuvre, maar het biedt een boeiende synthese en een toch wel aparte inkijk op een intrigerend dichtersleven.
 
Willem van Toorn: De jongenskamer. Een gedicht, Querido, Amsterdam 2018, 100 p. ISBN 9789021409351. Distributie L&M Books

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 6, JUNI 2018

De avond is ongemak

Marieke Lucas Rijneveld

De belofte. Requiem voor de misdaadroman

Friedrich Dürrenmatt

De integratie van heden en verleden bij Arnaldur Indriðason

Eenzaamheid en existentiële koudbloedigheid

Habitus

Radna Fabias

Menselijke voorwaarden

Junpei Gomikawa

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 6, JUNI 2018

Aluna

Karla Stoefs

De tunnels

Dave Eggers, Aaron Renier (ill.)

Een indiaan als jij en ik

Erna Sassen, Martijn van der Linden (ill.)

Mijn grote vriend Leeuwwitje

Jim Helmore, Richard Jones (ill.)

naar overzicht


‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri